Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7018

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
89721 ha za 07-1004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 89721 ha za 07-1004

datum vonnis: 30 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X-

wonende te Oldenzaal,

eiseres in conventie,

verweerder in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia.

procureur: mr. J.Sleeswijk Visser.

Het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. Bij vonnis van deze rechtbank, sector Kanton, locatie Enschede, van 6 november 2007 is zowel in conventie als in reconventie een onbevoegdverklaring uitgesproken en is de zaak zowel in conventie als in reconventie verwezen naar dezelfde rechtbank, sector civiel in de stand waarin deze zich toen bevond (te weten: staat van wijzen).

2. Voor een weergave van het procesverloop kan hier worden verwezen naar wat daarover onder 1. staat vermeld in dat vonnis van 6 november 2007. Partijen hebben na deze verwijzing opnieuw vonnis gevraagd.

Waarvan kan worden uitgegaan en de standpunten van partijen

In conventie en in reconventie:

3. In dat vonnis van 6 november 2007 zijn onder 2. reeds de feiten vastgesteld waarvan in conventie en in reconventie kan worden uitgegaan. De rechtbank onderschrijft die vaststellingen. Ditzelfde geldt voor de in dat vonnis onder 3. beschreven weergave van het gevorderde in conventie en in reconventie.

De beoordeling

In conventie en in reconventie:

4. X heeft in april 2000 bij (een medewerker van) Verzekerd Spaarplan Nederland (hierna: VSN), een toenmalige cliëntenremisier van Dexia, een “Bank Labouchere-product” afgenomen. Het betreft hier het volgende aandelenleaseproduct:

- een op 20 april 2000 voor een periode van 240 maanden afgesloten overeenkomst Capital Effect Vooruitbetaling met het nummer 21685193. De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 16.368,-. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopsom van € 6.395,07 aan X aandelen Ahold, ING, Unilever en Kon Olie heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat X 240 maandelijkse termijnen aan rente en aflossing over de aankoopsom dient te betalen, waarna geen restschuld resteert. X heeft de eerste 60 termijnen, een bedrag van € 3.273,60, vooruit betaald. In totaal is door X op deze overeenkomst dat bedrag van € 3.273,60 betaald. De overeenkomst is door de Dexia tussentijds beëindigd op 11 juli 2006. De restschuld op basis van de eindafrekening bedraagt € 773,75 (dat door Dexia gestelde bedrag is immers niet meer weersproken door X).

Wet Consumenten krediet

5. De rechtbank handhaaft haar standpunt dat de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is als na te melden. De rechtbank oordeelt de WCK op deze op 20 april 2000 aangegane overeenkomst Capital Effect Vooruitbetaling van toepassing nu geen sprake is van overschrijding (leasesom: € 16.368,00) van het hier voor de toepassing van de WCK geldende “beschermingsplafond” van € 22.652,--.

6. In de WCK, die door de rechtbank ambtshalve is toe te passen, wordt onder krediettransactie onder meer verstaan elke overeenkomst en elk samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK).

7. De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia X een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover X periodiek rente en aflossing diende te betalen. Aldus voldoet de overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

8. In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

9. Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van X, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan X kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

10. De hiertegenover staande opvatting, die blijkt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrek-king aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

11. Hier verdient overweging dat ook richtlijnconforme interpretatie van art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK noopt tot toepasselijkheid van deze wet. Blijkens de tiende overweging van de considerans en artikel 14 leden 1 en 2 van richtlijn 87/102 (hierna: de richtlijn) dient het begrip “kredietovereenkomst” in art. 1 van de richtlijn ruim te worden geïnterpreteerd en dienen de beschermende bepalingen van de richtlijn strikt te worden toegepast. Het kan ook niet zo zijn dat de doelstelling van de richtlijn kan worden ontgaan met een beroep op de rechtszekerheid, omdat Dexia door de duidelijke bewoordingen van de richtlijn had kunnen en moeten weten dat de WCK van toepassing is op de onderhavige overeenkomsten. Zie Hof van Justitie 4 oktober 2007, C-429-05, Celex 62005J0429.

12. Uit het gepubliceerde vonnis van 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-Cosar (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte, edoch deze eerst per 12 april 2003 verkregen heeft.

13. Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat deze overeenkomst nietig is wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van één van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: “Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggensteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

14. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

15. Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst steeds in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

16. De omstandigheid dat Dexia inmiddels per 1 januari 2006 een vergunning ex artikel 10 Wfd heeft verkregen repareert, anders dan Dexia stelt, niet de bij het afsluiten van de onderhavige overeenkomst ontbrekende vergunning ex artikel 9 WCK; de overgangsregeling van artikel 102 Wfd voorziet niet in de situatie dat die vergunning als zodanig ontbroken heeft.

17. Gelet op de conclusie dat de Capital Effect Vooruitbetaling’s nietig is, is het gevolg daarvan dat de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties met terugwerkende kracht daaraan is ontvallen. Beide partijen dienen financieel hersteld te worden in de toestand waarin zij zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten bevonden. Dat betekent dat de aandelen voor rekening van Dexia blijven, Dexia in beginsel al niets meer te vorderen had van X en hetgeen door X aan haar betaald is in beginsel als onverschuldigd aan haar terug moet betalen. Het onder I. gevorderde is derhalve in principe toewijsbaar.

18. Met betrekking tot onderdeel II wordt daarbij overwogen dat het zoals door X zelf reeds in haar dagvaarding onder ogen is gezien, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de overeenkomsten met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan omdat aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst niet door haar zou zijn ingeroepen als de waarde van de aandelen gestegen was. De rechtbank vindt daarin aanleiding om op de voet van het bepaalde in artikel 6:278 lid 2 BW te bepalen dat de helft van het door X aan Dexia betaalde onder aftrek van de helft van de nog openstaande restschuld (er is aan X kennelijk geen dividend uitgekeerd nu daarover niets is gesteld) door Dexia aan X moet worden terugbetaald.

19. De rechtbank relateert deze aanpak speciaal aan deze (vorm van) overeenkomst die niet tot een restschuld behoeft te leiden, maar (alleen tot het moment van tussentijdse beëindiging) niet de verwachte opbrengst heeft gebracht. Toegewezen wordt derhalve:

(€ 3.273,60 (de vooruitbetaling) : 2) = € 1636,80 minus (€ 773,75 (de onbetaald gebleven restschuld : 2 = € 386,88) = € 1249,92.

20. Door Dexia is nog een beroep op eigen schuld van X gedaan. De rechtbank onderschrijft de stelling van Dexia dat de schade mede aan X moet worden toegerekend, immers heeft zij zich zonder enige beleggingservaring, zonder voldoende schriftelijke informatie vooraf en zonder voldoende onderzoek naar het aangeboden product te hebben gedaan in een voor haar duister avontuur gestort. De rechtbank vindt daarin aanleiding om de schade met toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, eerste lid BW over de partijen te verdelen als onder 19 en 20 hierboven overwogen .

21. Indachtig het hiervoor dient het in conventie gevorderde te worden toegewezen tot de hoogte van € 1249,92. Daarover is naar het oordeel van de rechtbank de wettelijke rente verschuldigd vanaf 15 mei 2005. De vordering in reconventie dient te worden afgewezen.

Dit eindresultaat is dusdanig dat de rechtbank zowel in conventie als in reconventie zal beslissen tot compensatie van kosten op na te melden wijze.

22. Hetgeen partijen verder verdeeld houdt, behoeft gelet op bovenstaande geen bespreking.

RECHTDOENDE

In conventie:

I. Verklaart voor recht dat deze tussen partijen gesloten overeenkomst Capital Effect Vooruitbetaling met nummer 21685193 nietig is.

II. Veroordeelt X om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te betalen

€ 1.249,92, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 mei 2005.

III. Verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie:

IV. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

V. Wijst af het (meer of anders) gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 30 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.