Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC7008

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
84167 HA ZA 184 van 2007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Illegaal aftappen stroom onrechtmatige daad ten opzichte van stroomleverancier?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 84167 HA ZA 184 van 2007

datum uitspraak: 30 januari 2008

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ESSENT NETWERK B.V.,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

eiseres,

verder te noemen: Essent,

procureur: mr. R. Kroon,

advocaat: mr. E.H. de Jonge te Groningen,

voordien: mr. P. Bollema te Groningen,

tegen

1. [GEDAAGDE 1],

wonende te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen: [Gedaagde 1],

procureur: def.,

2. [GEDAAGDE 2],

wonende te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen: [Gedaagde 2],

procureur: mr. M.A. Schuring

voordien : mr. J.E. Struijk.

Gehoord partijen;

Gezien de stukken, waaronder het op 25 april 2007 in deze zaak uitgesproken tussenvonnis.

Het procesverloop.

De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis is overwogen.

Op 19 juni 2007 heeft de rechtbank van Essent 4 producties ontvangen.

Op 12 juli 2007 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Het proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

zaaknummer: 84167 HA ZA 184 van 2007

Vervolgens is er enige correspondentie gevoerd:

- een brief van de raadsman van [Gedaagde 2] d.d. 12 juli 2007;

- een brief van de raadsman van Essent d.d. 12 juli 2007;

- een brief van de rechtbank aan de raadsman van [Gedaagde 2] d.d. 17 juli 2007;

- een brief van de rechtbank aan de raadsman van Essent d.d. 17 juli 2007;

- een faxbericht met bijlagen van de raadsman van Essent d.d. 1 augustus 2007;

- een brief van de rechtbank aan de raadsman van Essent d.d. 14 augustus 2007.

Daarna heeft Essent gerepliceerd en daarbij enige producties in het geding gebracht.

Tenslotte heeft [Gedaagde 2] gedupliceerd.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing.

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist.

2. [Gedaagde 2] heeft gesteld dat hij niet door middel van een schriftelijke aanmaning in gebreke is gesteld.

Aangezien Essent haar vorderingen heeft gegrond op (groeps)onrechtmatige daad, is de rechtbank van oordeel dat het verzuim, zo er sprake is van verzuim, gezien het bepaalde in artikel 6:83 lid b, van rechtswege is ingetreden.

3. Essent heeft in punt 3 van haar conclusie van repliek gesteld dat het strafvonnis geen dwingend bewijs oplevert, maar dat het civielrechtelijk wel degelijk tot bewijs kan dienen. Naar het oordeel van de rechtbank levert het strafvonnis geen dwingend bewijs op in deze civiele zaak, doch geldt (ook) in dit geval de hoofdregel van artikel 152 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering.

4. Vaststaat dat [Gedaagde 2] bij verstek is veroordeeld voor, kort gezegd, medeplichtigheid aan opzettelijk telen etc. van hennepplanten. Vaststaat ook dat de elektriciteitsvoorziening van de betreffende hennepkwekerij op illegale wijze was aangesloten op het elektriciteitsnetwerk van Essent.

5. Essent heeft in punt 5 van haar conclusie van repliek gesteld dat [Gedaagde 2] slechts veroordeeld is voor medeplichtigheid aan overtreding van de Opiumwet. Er is dus kennelijk geen sprake geweest van medeplegen van [Gedaagde 2] van het aan hem te laste gelegde feit. Van medeplegen is, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, sprake indien het plan om de feiten te plegen gezamenlijk is gemaakt, dat er bij de uitvoering bewust is samengewerkt en dat die samenwerking zo volledig mogelijk is geweest, dat de verdeling van de uitvoeringshandelingen over de bij het plegen betrokken personen voor de gezamenlijke aansprakelijkheid van geen belang is geweest. Kennelijk is de rol van [Gedaagde 2] zo ondergeschikt geweest aan de rol van de ander(en) dat niet meer gesproken kan worden van medeplegen doch van medeplichtigheid.

6. Essent stelt dat [Gedaagde 2] niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 21 van Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering, doch verbindt aan die stelling geen rechtsgevolg.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Essent vordert betaling van de schade die zij stelt te hebben geleden tengevolge van het illegaal afnemen van elektriciteit en de kosten van inval. Onder andere in zijn conclusie van antwoord ontkent [Gedaagde 2] in alle toonaarden dat hij betrokken is geweest bij het illegaal afnemen van de elektriciteit. De inhoud van de verplichting van artikel 21 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering dient ertoe dat de feiten die partijen aandragen kunnen leiden tot een oplossing van het geschil. Naar het oordeel van de rechtbank, heeft [Gedaagde 2], gezien de inhoud van de stellingen van Essent, aan die verplichting voldaan.

7. Vervolgens heeft Essent gesteld dat [Gedaagde 2] niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit artikel 128 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering, doch verbindt daaraan ook geen rechtsgevolg.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. [Gedaagde 2] heeft, gezien zijn ontkenning betrokken te zijn geweest bij illegale afname van elektriciteit en zijn vrijspraak dienaangaande, alleen zichzelf voorgedragen als getuige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [Gedaagde 2], gezien de vordering van Essent en haar stellingen daaromtrent, voldaan aan zijn verplichting uit artikel 128 lid 5 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering.

8. Essent heeft gesteld dat voor de hennepkwekerij gedurende een periode van 91 dagen elektriciteit is afgenomen. De inval van de politie in het pand heeft op 6 januari 2006 plaatsgevonden. Daaruit volgt dat omstreeks 6 oktober 2005 begonnen is met het illegaal afnemen van elektriciteit, zodat voor die datum de inrichting van de hennepkwekerij, inclusief het aansluiten van de kabel ten behoeve van de illegale afname van de elektriciteit, moet hebben plaatsgevonden.

[Gedaagde 2] is, zo blijkt uit zijn verklaring (bladzijde gemerkt 14, productie 10 bij de conclusie van repliek) in de periode november en december 2005 vijf tot tien keer met [Gedaagde 1] in de hennepkwekerij geweest en dat [Gedaagde 1] de sleutels had van alle toegangsdeuren van de kwekerij. Essent weerspreekt die verklaring van [Gedaagde 2] niet en biedt dienaangaande ook geen specifiek (tegen)bewijs aan.

Gelet op de geschatte datum waarop het illegale afnemen van elektriciteit is begonnen, blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, uit de verklaring van [Gedaagde 2] dat hij niet betrokken is geweest bij het aansluiten van de stroomafnamekabel en het begin van het illegale afnemen van elektriciteit.

9. Essent stelt in punt 8 van haar conclusie van repliek dat, kort gezegd, de illegale afname van elektriciteit ten behoeve van hennepkwekerijen als een feit van algemene bekendheid wordt aangenomen. Ter motivering van haar stelling verwijst Essent naar een vijftal uitspraken van rechtbanken, die als productie bij de conclusie zijn gevoegd. Omdat die uitspraken zien op andere casussen dan de onderhavige zaak, zal de rechtbank de aangehaalde vijftal zaken niet bespreken.

Naar het oordeel van de rechtbank is het echter geen feit van algemene bekendheid dat ten behoeve van hennepkwekerijen illegaal elektriciteit wordt afgenomen. Essent geeft dat ook al aan in haar punt 7, waar zij stelt dat in het merendeel (onderstreping rechtbank) van de hennepkwekerijen de stroom illegaal wordt afgenomen. Daaruit begrijpt de rechtbank dat Essent met de rechtbank van mening is dat er ook hennepkwekerijen zijn die de stroom via de meter van de leverancier laten lopen.

10. Essent heeft haar vorderingen gegrond op artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek.

Essent stelt gemotiveerd dat [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] beiden verdachten waren in dezelfde zaak, een hennepkwekerij aan de [adres] te Enschede. Uit het verstekvonnis blijkt dat [Gedaagde 2] een bepaalde betrokkenheid had bij de hennepkwekerij, hetgeen [Gedaagde 2] ook niet ontkent, zo blijkt uit zijn bij de politie afgelegde verklaring. Immers, hij gaat volgens zijn verklaring met [Gedaagde 1] in november en december 2005 vijf tot tien maal naar de hennep- kwekerij. Aangezien uit de in het geding gebrachte vonnissen blijkt dat [Gedaagde 1] niet alleen heeft gehandeld met betrekking tot hennepkwekerij, is naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot die hennepkwekerij sprake van een groep in de zin van artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek. Immers, niet vereist is dat alle leden van de groep stelselmatig samenwerken of elkaar kennen.

Echter, het gaat in deze zaak niet om de groep die betrokken is bij de hennepkwekerij, doch het gaat om personen die als groep betrokken zijn bij het illegaal afnemen van elektriciteit. De vraag moet dan ook beantwoord worden of [Gedaagde 2] tot die groep behoord. Daarbij dient men in het oog te houden hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 9 heeft overwogen, namelijk dat het geen feit van algemene bekendheid is dat ten behoeve van hennepkwekerijen illegaal elektriciteit wordt afgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het een vereiste om tot de groep te worden gerekend dat de aangesprokene, in dit geval [Gedaagde 2], door zijn gedrag het groepsgedrag met betrekking tot de illegale stroomafname ondersteunde en stimuleerde.

Zoals hiervoor is overwogen, is [Gedaagde 2] ver na het aansluiten van de stroomkabel met [Gedaagde 1] in de hennepkwekerij geweest. Verder heeft Essent niet gemotiveerd gesteld dat [Gedaagde 2] de illegale stroomafname ondersteunde en stimuleerde, en heeft Essent daarvan ook geen specifiek bewijs aangeboden.

11. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen leidt ertoe dat de vorderingen van Essent met betrekking tot [Gedaagde 2] moeten worden afgewezen en dat Essent als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet worden veroordeeld.

12. Met betrekking tot de vordering van Essent jegens [Gedaagde 1] overweegt de rechtbank het volgende. Essent vordert betaling van het schadebedrag van € 24.186,35 (inclusief BTW). Uit productie 3 bij de dagvaarding blijkt dat het bedrag is opgebouwd uit energieheffing en netverlies ten bedrage van (€ 4.365,33 + € 15.278,65) = € 19.643,98 (exclusief BTW). Essent past met betrekking tot haar berekening van het deel van het schadebedrag dat gerelateerd is aan de kWh-prijs de BTW heffing toe. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte. Immers, uit andere zaken is het de rechtbank bekend dat Essent geen leverancier van energie is, maar een ter plaatse werkzame netwerkbedrijf, en dat zij als netwerkbeheerder verantwoordelijk is voor netverliezen (waaronder diefstal van energie). Het gevolg daarvan is dat Essent bij verlies daarvoor zelf elektriciteit moet kopen. Essent kan de door haar over de inkoop van die elektriciteit verschuldigde BTW in vooraftrek brengen, zodat deze door haar betaalde BTW voor Essent geen schadepost is die voor verrekening in aanmerking kwam. Daarnaast geldt dat in het onderhavige geval geen sprake is van een reguliere levering die kan gelden als belastbaar feit zoals aangegeven in de Wet omzetbelasting 1968 artikel 3 en verder.

Met betrekking tot deze materie verwijst de rechtbank kortheidshalve naar het ongetwijfeld bij Essent bekende arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, 04-04-2007, 0600199;

LJN BA2716, in het bijzonder rechtsoverwegingen 9 en 10 en de daarin genoemde jurisprudentie.

Op de administratiekosten ad € 255,-- en de kosten voor de monteur en klein materiaal

ad (€ 413,-- + € 12,70) = € 425,70 is de BTW heffing wel toepasselijk. De rechtbank zal die gestelde schade vaststellen op {(€ 255,-- + € 425,70) + 19% BTW} = € 810,03 (inclusief BTW). De rechtbank zal het door [Gedaagde 1] te betalen schadebedrag vaststellen op

(€ 19.643,98 + € 810,03) = € 20.454,01.

13. Verder vordert Essent van [Gedaagde 1] betaling van buitengerechtelijke kosten. Aangezien niet gemotiveerd is gesteld noch is gebleken, dat Essent daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, zal de rechtbank die vordering afwijzen.

14. Essent heeft gesteld dat [Gedaagde 1] over de schade verschuldigd is, kort gezegd, de wettelijke handelsrente, c.q. de wettelijke rente. Met Essent is de rechtbank van oordeel dat Essent ageert uit onrechtmatige daad, zodat er geen sprake van een handelsovereenkomst met [Gedaagde 1]. De bepaling van artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek is in dit geval niet van toepassing.

Met betrekking tot de wettelijke rente is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken, noch gemotiveerd gesteld, dat [Gedaagde 1] in gebreke is gesteld door Essent. Het gevolg daarvan is dat de rechtbank de vordering met betrekking tot de wettelijke rente zal toewijzen vanaf de dag zoals door Essent in het petitum wordt aangegeven.

15. De vorderingen van Essent komen de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en kunnen daarom worden toegewezen.

16. [Gedaagde 1] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van Essent in dit geding worden veroordeeld.

DE BESLISSING:

I. Wijst de vorderingen van Essent jegens [Gedaagde 2] af.

II. Veroordeelt Essent in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Gedaagde 2] begroot op € 610,-- (zes honderd en tien Euro) aan verschotten en € 1.497,-- (één duizend vier honderd zeven en negentig Euro) wegens het salaris van haar procureur, waarvan op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te betalen aan de griffier van dit gerecht:

€ 496,-- aan in debet gesteld griffierecht

€ 1.497,-- aan het salaris van de procureur

aan de procureur van [Gedaagde 2]

€ 114,-- aan niet in debet gesteld griffierecht.

III. Veroordeelt [Gedaagde 1] om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan Essent te betalen het bedrag van € 20.454,01 (twintig duizend vier honderd vier en vijftig 1/100 Euro) te vermeerderen met de wettelijke rent over dat bedrag vanaf 6 januari 2007 tot de dag der algehele voldoening.

IV. Veroordeelt [Gedaagde 1] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Essent begroot op {(€ 610:2) = € 305,-- + € 70,85)} = € 375,85 (drie honderd vijf en zeventig 85/100 Euro) aan verschotten en € 499,-- (vier honderd negen en negentig Euro) wegens het salaris van haar procureur.

V. Wijst af het meer of anders door Essent van [Gedaagde 1] gevorderde.

VI. Verklaart dit vonnis met betrekking tot de punten III. en IV. van het dictum uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.S. de Jong en is op 30 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.