Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6979

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
79984 ha za 06-819 ha za 06-929
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 79984 ha za 06-819 ha za 06-929

datum vonnis: 9 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X en

Y,

beiden wonende te O,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verder te noemen X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen Dexia,

advocaat: mr. H. Post te Helmond,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser.

Procesverloop

De bij tussenvonnis van 17 oktober 2007 bevolen comparitie van partijen is op

29 november 2007 gehouden, het daarvan opgemaakte procesverbaal bevindt zich bij de stukken.

Direct na de comparitie is de zaak naar de rol verwezen voor het wijzen van vonnis.

De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vorderingen van X (kort samengevat)

1. In de maand juni 2000 is de familie X benaderd door Spaar Select B.V. en heeft met Labouchère N.V., rechtsvoorganger van Dexia, een tweetal aandelenlease-overeenkomsten, genaamd Allround Effect onder nummers 39785021 (X-Y) en 39785017(X) d.d. 3 juli 2000 gesloten (productie 2 en 3 dagvaarding).

De looptijd was 240 maanden, de totaal overeengekomen lease-som bedroeg € 16.336,08 respectievelijk € 10.890,72 en de maandelijkse termijnverplichting € 68,07 respectievelijk

€ 45,38.

Betreffende dat laatste voldeed X 55 termijnen op beide overeenkomsten oftewel

€ 3.743,85 en € 2.495,90 = € 6.239,75

Beide overeenkomsten voorzagen is het leasen van Labouchère AEX Plus Certificaten.

2. Voordien had X in 1997 door bemiddeling van Verzekerd Spaarplan Nederland al een overeenkomst Capital Effect. Onder nummer 20002506 d.d. 1 augustus 1997 gesloten (productie 4 dagvaarding). De totaal overeengekomen leasesom daarvan bedroeg

f 27.102,60, de looptijd 180 maanden en de maandelijkse termijnverplichting f 150,57.

X voldeed hierop 79 termijnen oftewel € 5.397,72.

X heeft deze overeenkomst in maart 2004 beëindigd en van Dexia een bedrag ontvangen van € 157,32. In totaal leed X een verlies hierop van € 5.240,40.

Begin 2005 werd X-Y gewaar dat zij voor het aangaan van deze Capital Effect schriftelijke toestemming aan X had moeten geven, hetgeen niet het geval is geweest, en heeft zij bij brief van 17 januari 2005 deze Capital Effect buitengerechtelijk vernietigd (productie 5 dagvaarding).

3. X heeft vanwege (dreigende) restschuldverplichtingen bij brief van 3 maart 2005 Dexia aansprakelijk gesteld, de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en Dexia gesommeerd tot terugbetaling van zijn inleg (productie 6 dagvaarding).

4. Dexia heeft vervolgens de aandelen verkocht en X-Y bij brief van 28 september 2005 aangeslagen voor de restschuld ad € 2.096,10 volgens eindafrekening per 29 september 2005 (productie 8 dagvaarding) en X bij brief d.d. 15 september 2005 aangeslagen voor de restschuld ad € 1.450,11 volgens eindafrekening per 12 september 2005 ( productie 9 dagvaarding).

5. X had ten tijde van het aangaan van deze overeenkomsten als chauffeur een minimuminkomen en zeven minderjarige kinderen te zijnen laste.

6. X stelt dat de overeenkomsten alle op grond van bepalingen van de Wet Consumenten Krediet (WCK) nietig zijn en vordert op die grond:

I. Verklaring voor recht dat de overeenkomsten buitengerechtelijk vernietigd zijn althans

deze te vernietigen althans deze nietig zijn.

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen € 3.743,85 zomede € 2.495,90 en

€ 4.101,14.

III. Voornoemd bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf betalingsdatum der

termijnen althans 1 februari c.q. 15 april 2005 althans de dag der dagvaarding.

IV. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

V. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7. Bij conclusie van repliek vermeerdert X zijn vordering met de (aangevulde) grond van een onrechtmatige daad van Dexia voorafgaande en ten tijde van het aangaan van de Direct Rendement Effect en de door Dexia geschonden normen van de WTe en daarop gebaseerde regelingen.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

Capital Effect

8. De eerste overeenkomst Capital Effect d.d. 1 augustus 1997 is afgesloten door bemiddeling van Verzekerd Spaarplan Nederland (VSN), die aan X de brochure en aanvraagformulier ter beschikking hebben gesteld. Dat laatste is door de Dexia ontvangen, naar aanleiding waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen.

Uit hoofde van deze overeenkomst diende X gedurende 180 maanden maandelijks een bedrag van f 150,57, bestaande uit rente en aflossing over de aankoopsom van de portefeuille, aan Dexia te voldoen

9. De Capital Effect had een looptijd van 15 jaar en is door m tussentijds beëindigd op 12 maart 2005. De opbrengst van de verkoop van de onderliggende aandelen was niet toereikend om de lening te voldoen. Dexia heeft de eindafrekening opgemaakt en aan X verstuurd, volgens welke X vervolgens € 48,48 aan Dexia heeft voldaan.

Uit hoofde van de overeenkomst is aan X een bedrag van € 1.093,59 aan dividend uitgekeerd.

Allround Effect Maandbetaling

10. De overeenkomsten Allround Effect Maandbetaling van X respectievelijk X-Y van 3 juli 2000 zijn afgesloten door bemiddeling van Spaar Select Nederland B.V., die hen heeft geïnformeerd en geadviseerd betreffende dit product.

Beide overeenkomsten zijn door X-Y en X voortijdig voor het verstrijken van de looptijd beëindigd met als gevolg dat restschulden voor hen zijn gebleven, terwijl het hier een z.g. aflossingsproduct betreft met de eigenschap dat de geleende hoofdsom aan het einde van de (gehele) looptijd volledig is afgelost en er geen restschuld kan zijn.

Dexia vordert die restschulden in reconventie.

11. Voor alles beroept Dexia zich erop dat X zich niet aan de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv heeft gehouden, betwist de toepasselijkheid van de WCK op deze overeenkomst, verzet zich tegen de gevorderde nietigverklaring.

De door X bij vermeerdering van eis opgevoerde nadere grondslagen acht Dexia ondeugdelijk onderbouwd en in de conclusie van antwoord reeds weerlegd.

12. Dexia is van mening dat aandelenleaseovereenkomsten als de onderhavige niet onder (de bepalingen van) huurkoop vallen en het beroep op vernietiging uit dien hoofde al niet opgaat en daarnaast de mogelijkheid van dat beroep op zich al is verjaard.

In reconventie

13. Dexia vordert van X-Y het bedrag van € 2.096,10 en van X € 1.450,11 aan nog openstaande restschulden zulks vermeerderd met wettelijke rente en kostenveroordeling.

Volgens X stuit deze vordering af op de conventionele vordering en lost die zich op in de toe te passen restitutieformule.

De beoordeling

In conventie

14. De hierboven onder (1) en (2) weergegeven overeenkomsten Capital Effect van 1 augustus 1997 en beide Allround Effects van 3 juli 2000 staan tussen partijen vast.

Dit geldt tevens voor de door X op de Capital Effect betaalde inleg ad € 5.397,72, het door hem daarop ontvangen dividend ad € 1.093,59 en de na afloop van de overeenkomst voor hem gebleven restschuld ad € 48,48, die door hem aan Dexia is voldaan.

Eveneens staat vast dat X-Y op de door haar gesloten Allround Effect (in 55 termijnen) € 3.743,85 voldeed en haar een restschuld bleef van € 2.096,10, zomede X op zijn Allround Effect voldeed € 2.495,90 en hem een restschuld daarop bleef van € 1.450,11.

15. De rechtbank handhaaft haar eerder in aandelenleasezaken als de onderhavige ingenomen standpunt dat de bepalingen van de Wet op het Consumentenkrediet ten deze toepasselijk zijn.

16. Wet op het consumentenkrediet (WCK)

16.1 In de WCK wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1WCK).

16.2 De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia X een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover X periodiek rente diende te betalen en welk bedrag X aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

16.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

16.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van X, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderliggende waarden niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan X kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

16.5 De hiertegenover staande opvatting, die volgt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

16.6 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-Cosar (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomsten niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte.

16.7 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomsten nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar zijn, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

16.8 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

16.9 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomsten in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomsten, met name aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

17.0 Gevolgen

Zowel de overeenkomst Capital Effect als de beide Allround Effects zijn nietig.

17.1 Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomsten is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomsten is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van die overeenkomsten.

17.2 Die overeenkomsten bestaan uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsommen tegen rente aan X en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen althans AEX-certificaat(aanspraken) ter waarde van die geldsommen ten behoeve van X-Y c.q. X, waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van X-Y c.q. X komen. Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich dat de aangekochte aandelen/certificaten voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van X-Y c.q. X, nu de aankoopprijs van de aandelen/certificaten gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsommen. Voorts dient Dexia de door X-Y c.q. X betaalde rente en restschuld in beginsel als onverschuldigd terug te betalen, evenzo X aan Dexia het door hem op de Capital Effect ontvangen dividend.

17.3 In casu is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomsten met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomsten in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen/certificaten ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsommen. Tevens acht de rechtbank in deze van belang dat hier z.g. aflossingsproducten aan de orde zijn, die bij inachtname van de gehele overeengekomen looptijd geen restschulden geven.

Gelet hierop, in het licht van artikel 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van som van de restschulden voor X-Y en X verrekend met de door hen betaalde (rente)termijnen verminderd voor X met aan hem uitgekeerd dividend ad € 1.093,59, en door hem betaalde restschuld ad € 48,48, dienen te dragen.

Dit betekent dat in conventie wordt toegewezen:

aan X-Y:

Allround Effect: (€ 3.743,85 - € 2.096,10) : 2 = € 823,88.

aan X:

Capital Effect: (€ 5.397,72 + € 48,48) : 2 = € 2.723,10 - € 1.093,59 = € 1.629,51.

Allround Effect: (€ 2.495,90 - € 1.450,11) : 2 = € 477,11.

Het totaal dezer bedragen ad € 2.930,50 zal de rechtbank gezien de wijze van formulering van de vordering(en) aan X en X-Y gezamenlijk toewijzen.

18. De overige gronden c.q. weren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomsten geen bespreking.

19. Waar partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

In reconventie

20. Gezien het in conventie overwogene wordt aan die vordering van Dexia niet meer toegekomen en wordt deze afgewezen met compensatie van de proceskosten.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Verklaart voor recht dat de overeenkomst Capital Effect nummer 20002506 d.d. 1 augustus 1997 respectievelijk Allround Effect nummer 39785021 en n39785017 d.d. 3 juli 2000 nietig zijn.

II. Veroordeelt Dexia tot betaling aan X en X-Y gezamenlijk van een bedrag van € 2.930,50 (tweeduizendnegenhonderddertig EURO vijftig eurocent) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 februari 2005 tot aan de dag der voldoening.

III. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

IV. Verklaart het vonnis onder (II.) uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VI. Wijst af de vordering van Dexia.

VII. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.