Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6973

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
08/710914-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte jongere heeft samen met haar mededader, vooorzien van door panty en helm bedekte gezichten en een hamer, een juwelier overvallen en voor circa 50.000 euro sieraden gestolen. De overval was zorgvuldig gepland. Na betrapping is met geweld tegen omstanders geprobeerd te ontkomen. Ze is in het verleden erg ongevoelig gebleken voor behandeling en begeleiding. De rechtbank veroordeelt haar tot 12 maanden jeugddetentie waarvan 4 maanden vooorwaardelijk, met de voorwaarde dat zij zich houdt aan het toezicht van de jeugdreclassering gedurende de proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Straf

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 710914/07 en 06/95411/04

Datum uitspraak:13 maart 2008

STRAFVONNIS

in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1990 te [plaats], thans verblijvende in het opvangcentrum [naam en plaats],

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Vreeken advocaat te Zutphen. Eveneens is ter zitting aanwezig de vader van verdachte.

Tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 10 oktober 2007 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een juwelierswinkel aan de Haverstraatpassage heeft weggenomen een of meer ringen en/of armbanden en/of kettingen en/of oorbellen en/of horloges althans sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [juwelier] en/of de juwelierswinkel "Fares", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen genoemde [juwelier] en/of een of meer omstander(s), genaamd [omstander 1] en/of [omstander 2] en/of [omstander 3] en/of [omstander 4] en/of [omstander 5] en/of andere omstander(s), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of haar mededader zich met geheel/gedeeltelijk bedekt(e) gezicht(en) en/of voorzien van een hamer en/of een soortgelijk voorwerp naar en/of in die juwelierswinkel heeft

begeven en/of de/het hamer/voorwerp heeft getoond aan genoemde [juwelier]

en/of daarmee gemanipuleerd ten overstaan van genoemde [juwelier] en/of

(vervolgens)

-nadat verdachte en/of haar mededader door een of meer van die omstander(s)

was/waren aangehouden en/althans was/waren/werd(en) vastgepakt/gehouden-:

- zich heeft/hebben getracht los te rukken/trekken, en/of

- heeft/hebben geworsteld met genoemde personen/die omstander(s) en/of

- genoemde pers(o)on(en)/omstander(s) (meermalen) tegen het hoofd en/of

lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt

en/althans heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen naar en/of in

de richting van die perso(o)n(en)/ omstander(s);

Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij op 10 oktober 2007 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een juwelierswinkel aan de Haverstraatpassage heeft weggenomen ringen en armbanden en kettingen en oorbellen toebehorende aan [juwelier] en/of de juwelierswinkel “Fares”, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen genoemde [juwelier] en een of meer omstanders genaamd [omstander 1] of

[omstander 2] of [omstander 3] of [omstander 4] of [omstander 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan haar mededader de vlucht mogelijk te maken, welk geweld of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en haar mededader zich met bedekte gezichten en voorzien van een hamer naar en in die juwelierswinkel hebben begeven en vervolgens

- nadat verdachte en haar mededader door die omstanders waren aangehouden en vastgepakt/gehouden

- zich hebben getracht los te rukken/trekken en

- hebben geworsteld met genoemde personen.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De raadsman van verdachte heeft ter zitting onder meer bepleit dat het ten laste gelegde feit, diefstal met geweldpleging, niet bewezen kan worden verklaard en verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De raadsman stelt hiertoe dat het wegnemen nog niet was voltooid, zodat geen sprake is van diefstal, maar van poging tot diefstal. Subsidiair stelt de raadsman dat geen sprake is van diefstal met geweld nu het hebben van een bedekt gezicht geen geweld of bedreiging met geweld oplevert. Indien aangenomen moet worden dat geweld tegen omstanders is gebruikt dan kan dat nog niet tot een bewezenverklaring leiden omdat het bestanddeel “betrapping op heterdaad” niet bewezen kan worden verklaard, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het wegnemen is voltooid. Verdachte heeft immers op het moment dat zij door omstanders wordt gepakt, de juwelierswinkel al verlaten en de tas met sieraden afkomstig uit die juwelierswinkel onder zich. Zij staat op dat moment op het punt om met de tas met sieraden achter op de scooter te stappen om weg te vluchten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij op dat moment voldoende heerschappij verworven over de sieraden om van een voltooide diefstal te kunnen spreken. Voor voltooiing van diefstal is niet vereist dat zij zichzelf reeds in veiligheid heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat ook wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van diefstal met geweld. Het in een winkel binnenkomen met (door panty en helm) bedekte gezichten en een hamer is in het algemeen voor een medewerker van een winkel voldoende om werkelijk vrees voor bedreiging met geweld op te wekken. De daadwerkelijke bedoeling van het gebruik van de hamer doet er dan niet toe, die bedoeling is immers bij de medewerker niet bekend.

Door verdachte wordt erkend dat zij en haar mededader na door omstanders te zijn aangehouden, tegengestribbeld hebben en gesparteld hebben om zodoende te proberen los te komen. De raadsman van verdachte acht hiervoor de term worstelen eveneens op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat dit tegenstribbelen en worstelen met omstanders met als doel vrij te komen, oplevert geweld tegen personen in de zin van artikel 312 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is hierbij van oordeel dat het gaat om een voortdurende situatie van betrapping op heterdaad. Verdachte en de mededader worden immers door de medewerker van de juwelierswinkel betrapt en om de vlucht mogelijk te maken gebruiken zij vervolgens geweld tegen genoemde omstanders.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

telkens het misdrijf:

"diefstal vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken" terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die haar strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

Oplegging van straf of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde toezicht jeugdreclassering, met aftrek van het voorarrest en met toewijzing van de civiele vordering tot een bedrag van € 350,- aan immateriële schade en oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel. Daarnaast heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de op 9 juni 2005 in de zaak met parketnummer 06/95411/04 opgelegde voorwaardelijke straf inhoudende twee weken jeugddetentie.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Er is sprake van een ernstig feit. Verdachte en haar mededader hebben samen op professionele wijze een juwelierswinkel overvallen. Met bedekte gezichten en gewapend met een hamer zijn zij de juwelierswinkel binnengegaan. Dit gebeuren is erg beangstigend geweest voor de juweliermedewerkster. Zij hebben voor een bedrag ad circa

€ 50.000,- sieraden gestolen. De overval hebben verdachte en haar mededader vooraf zorgvuldig gepland. Verdachte en haar mededader hebben zich vervolgens na betrapping en aanhouding niet overgegeven, maar hebben met tegenstribbelen en worstelen getracht te ontkomen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 10 januari 2008 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een psychologisch rapport d.d. 8 januari 2008 uitgebracht door C.J.F. Kemperman, zenuwarts;

- een psychologisch rapport d.d. 22 januari 2008 uitgebracht door mw. drs. A. de Jong, orthopedagoog/ gz-psycholoog;

- de rapportage van Jeugdreclassering Bureau Jeugdzorg Gelderland d.d. 18 februari 2008;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

Gelet op het bovenstaande, in het bijzonder gelet op de conclusie van orthopedagoge

mw. drs. A. de Jong, inhoudende -zakelijk weergegeven- “gelet op het geven dat [verdachte] erg ongevoelig is geweest voor behandeling en begeleiding in het verleden, is er geen enkele aanwijzing gevonden dat ze zich in het kader van een PIJ-maatregel wel zou laten behandelen. De kans dat ze nog meer verhard is erg groot en niet wenselijk”, alsmede gelet op de ernst van het feit en ter norminprenting en normhandhaving, en gelet op de recidive van verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank, een jeugddetentie van 12 maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek voorarrest, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarde toezicht door jeugdreclassering thans de meest passende straf.

De rechtbank heeft daarbij, op de voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht, een eerdere veroordeling van verdachte in rekening gebracht, te weten: het vonnis van de Kinderrechter te Zutphen van 5 november 2007, waarbij verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren.

Civiele vordering

De rechtbank overweegt verder, dat [juwelier] zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij heeft gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave heeft gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van € 3.350,-, bestaande uit een bedrag ad € 3.000,- aan materiële schade en € 350,- aan immateriële schade.

Verdachte betwist de hoogte van de materiële schade. Verdachte stelt dat de vordering tot betaling van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en dient te worden afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de, door verdachte betwiste, vordering van de benadeelde partij voldoende onderbouwd en geheel gegrond. Uit bijlage E bij het voegingsformulier blijkt dat de materiële schade door de verzekering van Fares Juwelier, te weten: Nassau verzekeringen te Rotterdam, is vastgesteld op een bedrag ad € 26.322,50, waarbij de hoogte van het eigen risico €3.000,- bedraagt. Door de verzekering is een bedrag ad € 23.322,50 ten name van Fares Juweliers overgemaakt. De hoogte van de schade is hiermee voldoende onderbouwd. Fares Juwelier betreft een eenmanszaak welke onderneming blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel wordt gedreven voor rekening van [ondernemer]. [juwelier] is blijkens het voeginsformulier gemachtigde van [ondernemer], h.o.d.n. Fares Juweliers en derhalve rechtsgeldig bevoegd om namens deze de vordering tot vergoeding van de materiële schade in te dienen.

De rechtbank zal hierbij voor de helft van het schade bedrag, te weten € 1.675,= de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht.

De oplegging van de straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 27, 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa.

Vordering tenuitvoerlegging wegens recidive, betreffende parketnummer 06/95411/04:

De rechtbank is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Almelo van 21 februari 2008, tot het geven van een last tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van 9 juni 2005 door de kinderrechter te Zutphen opgelegde voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, van oordeel dat die vordering behoort te worden afgewezen nu de inhoud van de vordering onjuistheden bevat. Immers de in de vordering genoemde datum en inhoud van de onherroepelijke veroordeling en het bijbehorende parketnummer stemmen niet met elkaar overeen.

Beslissing

Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een jeugddetentie voor de tijd van 12 maanden.

Beveelt dat van de jeugddetentie een gedeelte groot vier maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Jeugdreclassering zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte, terzake van het bewezen feit tot betaling aan de benadeelde partij

[juwelier], voornoemd van een bedrag groot: € 3.350,- (zegge: drieduizenddriehonderdenvijftig euro), voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn betaald.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 1.675,- ten behoeve van de benadeelde [juwelier], voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 33 dagen zal worden toegepast.

Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Betreffende parketnummer: 06/95411/04.

Wijst de vordering van de officier van justitie af.

Aldus gewezen door mr. Teekman, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. Verdoold en Maten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Marsman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 maart 2008.