Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6968

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
78279 ha za 06-517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 78279 ha za 06-517

datum vonnis: 9 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X-Y,

wonende in Enschede,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. J. Vestering.

Het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. X heeft gevorderd conform de inleidende dagvaarding. Dexia heeft vervolgens een akte uitlating schorsing en X een akte hervatting procedure in het geding gebracht. Nadien heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie genomen. X heeft vervolgens een conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering en subsidiair vermindering van eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie. Na een conclusie van dupliek in reconventie zijdens X hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:

2. X heeft op 25 mei 1998 (rechtstreeks) bij de naamloze vennootschap Labouchere N.V. (toen handelend onder de naam “Legio Lease”; rechtsvoorganger van Dexia), in totaal drie “Bank Labouchere-producten” afgenomen. Het betreft hier steeds aandelenleaseproducten, en wel de volgende:

- Overeenkomst 1 en 2: steeds een voor de duur van 120 maanden afgesloten overeenkomst Feestplan II met respectievelijk de nummers 59009914 en 59009915 (zie bijlagen 1 en 2 bij de conclusie van antwoord in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt steeds Hfl. 9.840,89. Steeds zijn de eerste 36 rentetermijnen vooruitbetaald door betaling van 2 x Hfl. 639,59. Over de resterende 84 maandtermijnen was X op basis van de gelijkluidende overeenkomsten per overeenkomst maandelijks steeds € 16,21 verschuldigd. Deze overeenkomsten voorzagen er in dat Dexia voor een bedrag van steeds Hfl. 3.968,09 voor X aandelen ABN AMRO, ING, Kon Olie en Unilever kocht. De overeenkomsten zijn zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd een restant hoofdsom overblijft van steeds Hfl. 3.868,09, welke hoofdsom steeds wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. In totaal is door X op deze overeenkomsten betaald tweemaal € 1.579,76. Deze twee overeenkomsten zijn op 6 april 2006 door X beëindigd. Aldus is tweemaal € 307,06 aan restschuld ontstaan (zie de bijlagen 4 en 5 bij de conclusie van antwoord in conventie; door verrekening is op beide schulden steeds € 10,78 betaald). Beide restschulden zijn niet door X voldaan;

- Overeenkomst 3: een voor de duur van 120 maanden afgesloten overeenkomst Feestplan II met nummer 59009931 (zie bijlage 3 bij de conclusie van antwoord in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt Hfl. 19.681,78. De eerste 36 rentetermijnen zijn vooruitbetaald door betaling van € 1.279,18. Over de resterende 84 maandtermijnen was X op basis van de overeenkomst maandelijks € 32,41 verschuldigd. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een bedrag van Hfl. 7.936,18 voor X aandelen ABN AMRO, ING, Kon Olie en Unilever kocht. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd een restant hoofdsom overblijft van Hfl. 7.836,18, welke hoofdsom steeds wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. In totaal is door X op deze overeenkomst betaald € 3.158,95. Deze overeenkomst is eveneens op 6 april 2006 door X beëindigd. Aldus is € 579,12 aan restschuld ontstaan (zie de bijlagen 7 bij de conclusie van antwoord in conventie; door verrekening is op deze schulden reeds € 21,56 betaald). De restschuld is niet door X voldaan;

3. X heeft op 22 maart 2000 (rechtstreeks) bij Advance Consultance Management Services (hierna: Advance), een toenmalige cliëntenremisier van Dexia, in twee “Bank Labouchere-producten” afgenomen. Het betreft hier steeds dezelfde aandelenleaseproducten, en wel de volgende:

- Overeenkomst 4: een voor een periode van 120 maanden afgesloten overeenkomst Profit Effect met Vooruitbetaling met het nummer 56081124 (zie bijlage 8 bij de conclusie van antwoord in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt

€ 59.071,55. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopsom van € 26.371,55 aan X aandelen Ahold, ING, Kon Olie en Unilever heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat X gedurende 120 maanden maandelijks € 272,50 aan rente dient te betalen. In totaal is door X op deze overeenkomst € 18.639,- betaald. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd een restant hoofdsom overblijft van € 26.326,17, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Deze overeenkomst is eveneens op 6 april 2006 beëindigd. Aldus is € 8.994,19 aan restschuld ontstaan (zie de bijlage 13 bij de conclusie van antwoord in conventie). De restschuld is niet door X voldaan;

- Overeenkomst 5: een eveneens voor een periode van 120 maanden afgesloten overeenkomst Profit Effect met Vooruitbetaling met het nummer 56081125 (zie bijlage 9 bij de conclusie van antwoord in conventie). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 64.187,70. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopsom van € 28.655,70 aan X aandelen Ahold, ING, Kon Olie en Unilever heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat X gedurende 120 maanden maandelijks € 296,10 aan rente dient te betalen. In totaal is door X op deze overeenkomst € 20.253,- betaald. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd een restant hoofdsom overblijft van € 28.610,32, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Deze overeenkomst is eveneens op 6 april 2006 beëindigd. Aldus is € 9.773,16 aan restschuld ontstaan (zie de bijlage 14 bij de conclusie van antwoord in conventie). De restschuld is niet door X voldaan;

4. X had op 11 oktober 1996 een aandelenleaseovereenkomst (“WinstVerdubbelaar”; zie bijlage 15 bij de conclusie van antwoord in conventie) afgesloten bij de rechtsvoorganger van Dexia onder nummer 70913666. Deze overeenkomst met een totale leasesom van Hfl. 6.757,68 had een looptijd van vijf jaren en is door het verstrijken daarvan met een positief resultaat van € 3.699,81 geëindigd. Tevens heeft X op 19 juni 1997 een WinstVerdubbelaar (zie bijlage 16 bij de conclusie van antwoord in conventie) bij die rechtsvoorganger afgesloten met contractnummer 73038004. Ook deze overeenkomst, met een totale leasesom van Hfl. 22.027,50, had een looptijd van vijf jaren en is door het verstrijken daarvan met een positief resultaat van € 199,63 geëindigd.

5. Bij brief van 12 april 2006 heeft X van de overeenkomsten 1 t/m 5 de nietigheid ingeroepen c.q. deze buitengerechtelijk ontbonden dan wel vernietigd, zich ter zake baserende op een niet in acht genomen zorgplicht althans op strijd met de bepalingen van de WCK respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 van die wet.

6. X heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat hij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

In conventie:

7. X vordert, de vermeerdering bij repliek inbegrepen:

I. Te verklaren voor recht dat de overeenkomsten 1 t/m 5 nietig zijn, of;

II. Te verklaren voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld

en deswege schadeplichtig is;

III. Dexia deswege te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting:

het totaalbedrag van € 35.219,63 (voor de berekening van dit bedrag zie het slot

van de inleidende dagvaarding);

IV. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag dat de

deelbetalingen zijn gedaan althans vanaf de dag van dat Dexia in verzuim verkeert

(1 mei 2006) tot aan de van de algehele betaling;

V. Te verklaren voor recht dat de restschuld(en) zijn vervallen verklaard;

VI. Dexia op verbeurte van een dwangsom te bevelen het BKR op te dragen de

A-notering op naam van X ongedaan te maken.

VII. Dexia te veroordelen in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad

verklaren.

8. Het verweer van Dexia luidt kort samengevat en voor zover nog van belang als volgt.

9. Dexia stelt dat de aandelenleaseovereenkomsten 1, 2 en 3 steeds rechtstreeks zijn afgesloten bij de rechtsvoorganger van Dexia. X heeft telefonisch contact gehad met de Bank, in welk gesprek bleek dat zij geïnteresseerd was in effectenlease. Toen is uitleg gegeven over de aard en de werking van het product Feestplan. De Bank heeft X vervolgens de effectenlease overeenkomsten in tweevoud toegezonden, tezamen met de fiscale opinies en rekenvoorbeelden. X heeft vervolgens in alle rust kunnen beslissen of zij deze drie aandelenleaseovereenkomsten wilde aangaan. X heeft vervolgens de overeenkomsten 1, 2 en 3 ondertekend en aan de bank geretourneerd.

10. De aandelenleaseovereenkomsten 4 en 5 zijn afgesloten via de tussenpersoon Advance die X ter zake steeds heeft geïnformeerd en geadviseerd. Na getoonde interesse van X in aandelenlease-producten heeft Advance haar de aanvraagformulieren voor dit product verschaft (zie bijlagen 11 en 12 bij conclusie van antwoord in conventie) en de Bank heeft die door X ondertekend steeds retour ontvangen. Vervolgens heeft de Bank - na toetsing van X bij het BKR – steeds de overeenkomst aan Advance verstuurd.

11. Dexia stelt daarmede aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

12. X betwist Dexia hier de toepasselijkheid van de Wet Consumenten Krediet, stelt dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van X.

13. Ten aanzien van het optreden van Advance als effectenbemiddelaar, zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellingsregeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995 zulks vanwege de omstandigheid dat Advance niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en /of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomsten leidt: niet de overeenkomsten zelf zijn strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens steeds het handelen van de tussenpersoon.

14. Het ontbreken van een vergunning op basis van de Wck acht Dexia geheeld vanwege het feit dat Dexia ingaande 1 januari 2006 beschikt over een vergunning ex artikel 10 van de Wet financiële Dienstverlening, die blijkens artikel 102 Wfd de Wck-vergunning vervangt en mitsdien ex artikel 32:58 BW het eerder ontbreken van een vergunning repareert.

15. Naar aanleiding van de door X nader gestelde grond van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomsten steeds duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk steeds onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden. Wat betreft de BKR-notering stelt Dexia slechts tot enige mededeling en niet tot wijziging of doorhaling van die registratie gehouden (en veroordeeld) kan worden.

16. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door haar genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

In reconventie:

17. In reconventie vordert Dexia X te veroordelen tot betaling van het totaal aan restschulden, te weten € 19.939,03. Dit bedrag te vermeerderen met de contractuele rente ad 1,03% of 1,23% althans de wettelijke rente. Dit met veroordeling van X in de kosten van dit geding. Een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

18. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in reconventie gevorderde onder aanvoering van hetgeen van de zijde van X in conventie is aangevoerd. Het bedrag van de restschulden lost zich op in de door de rechtbank toe te passen formule. De vervallenverklaring van de restschulden is onderdeel van wat in conventie wordt gevorderd.

De beoordeling

In conventie en in reconventie

Wet Consumenten Krediet (WCK)

19. De rechtbank handhaaft haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt dat de WCK op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is. De rechtbank constateert echter dat de WCK ten aanzien van deze aandelenleaseovereenkomsten 1 t/m 5 toepassing mist. Dit oordeel behoeft de volgende toelichting.

20. De hiervoor in de overwegingen 2 en 4 genoemde vijf overeenkomsten zijn in een relatief beperkte periode (data: 11 oktober 1996, 19 juni 1997 en 25 mei 1998) tot stand gekomen op gelijksoortige wijze (zonder tussenpersoon) en tussen dezelfde partijen (met Legio-lease) aangegaan en zijn naar het oordeel van de rechtbank om die reden als een samenstel te beschouwen. Het totaal van de overeengekomen leasesommen (te weten:

Hfl. 68.148,74) overstijgt ruimschoots het toenmalige beschermingsplafond van die wet van € 22.652,-/Hfl.50.000,-. Het verweer van Dexia dat X geen bescherming aan de WCK kan ontlenen, slaagt derhalve voor de hier relevante overeenkomsten 1, 2 en 3.

21. Voor de op 22 maart 2000 gesloten overeenkomsten 4 en 5 geldt naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde. Het totaal van deze leasesommen bedraagt € 123.259,25, terwijl ook toen nog gold voormeld beschermingsplafond van € 22.652,-.

22. De slotsom luidt dus dat X geen bescherming kan ontlenen aan de WCK.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Advance en/of Dexia

23. Daarmee komt de rechtbank toe aan de aansprakelijkheid van Dexia.

Overeenkomsten 1, 2 en 3

24. Voor wat betreft de totstandkoming van de overeenkomsten 1, 2 en 3 met Legiolease (rechtsvoorgangster onder algemene titel van Dexia) is door Dexia het volgende aangevoerd. Deze drie op 25 mei 1998 tot stand gekomen overeenkomsten, zijn steeds rechtstreeks afgesloten bij de rechtsvoorganger van Dexia. X heeft telefonisch contact gehad met de Bank, in welk gesprek bleek dat zij geïnteresseerd was in effectenlease. Toen is uitleg gegeven over de aard en de werking van het product Feestplan. De Bank heeft X vervolgens de effectenlease overeenkomsten in tweevoud toegezonden, tezamen met de fiscale opinies en rekenvoorbeelden. X heeft vervolgens in alle rust kunnen beslissen of zij deze drie aandelenleaseovereenkomsten wilde aangaan. X heeft vervolgens de overeenkomsten 1, 2 en 3 ondertekend en aan de bank geretourneerd.

25. Door X is de aldus weergegeven gang van zaken niet (gemotiveerd) weersproken, in het bijzonder niet in haar (in de conclusie van repliek in conventie opgenomen) “statement”, en in “haar” bijlage 17. Zo is ook niet weersproken dat haar de door Dexia aangeduide documentatie is toegezonden en dat haar bedenktijd is vergund. Uit haar statement blijkt dat ze wel degelijk heeft begrepen dat er aandelen zouden worden gekocht, en dat ze leefde in de veronderstelling dat ze altijd haar inleg zou terug krijgen.

26. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van Dexia moeite is gedaan om X te bewegen tot het aangaan van deze drie aandelenleaseovereenkomsten.

27. De rechtbank trekt uit bovenstaande vaststellingen de conclusie dat X steeds in (redelijke) rust en niet onder druk van enige op provisie beluste tussenpersoon zelf tot het aangaan van de drie overeenkomsten is gekomen.

28. De rechtbank is voorts van oordeel dat het aan X (steeds) ter informatie toegezonden schriftelijk materiaal als geheel (inclusief deze overeenkomsten), niet als ondeugdelijk en misleidend kan worden betiteld. Daarin wordt onder meer voldoende duidelijk gemaakt dat steeds rente moet worden betaald en dat een hoofdsom resteert die moet worden afgelost uit de opbrengst van de te verkopen aandelen. Overigens is door X ook niet gesteld dat het door haar ontvangen informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is. Immers beperkt X haar kritiek op die documentatie (in de conclusie van repliek in conventie onder “kern van de zaak”) tot het punt dat zij onvoldoende is gewezen op het risico dat zij bij een waardedaling van de aandelen haar inleg niet zou terugkrijgen.

29. De rechtbank is van oordeel dat deze kritiek onvoldoende hout snijdt. In de (overigens niet in het geding gebrachte) documentatie wordt voldoende duidelijk gewezen op de mogelijkheid van een minder goede afloop. Zo wordt – zo is de rechtbank ambtshalve bekend uit andere gelijksoortige zaken - in de (steeds) meegezonden “Fiscale opinie” uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van niet aftrekbare koersverliezen bij verkoop van de aandelenportefeuille.

30. Daarbij komt dan ook nog het gegeven dat X eerder twee gelijksoortige aandelenleaseproducten had aangeschaft, ook bij Legiolease. X spreekt daar in dit kader niet over, maar de rechtbank mag daaruit toch de conclusie trekken dat X reeds genoegzaam bekend was met dit soort aandelenleaseproducten. Ten tijde van het aangaan van deze overeenkomsten 1, 2 en 3 werd op die overeenkomsten betaald en moet het X in elk geval duidelijk zijn geworden wat de voors en tegens van die contracten waren. Die wetenschap aan de zijde van X verklaart ook waarom bij de totstandkoming van deze overeenkomsten 1, 2 en 3 kennelijk zo weinig is gevraagd door X; een enkel telefoongesprek was voor haar kennelijk genoeg om meteen de bank te vragen de drie overeenkomsten alvast in concept uit te werken en aan haar te doen toekomen. Meer was kennelijk niet nodig.

31. De rechtbank oordeelt ter zake deze overeenkomsten 1, 2 en 3 dan ook geen aanleiding aanwezig tot enig verder onderzoek naar de door X desondanks gestelde onrechtmatige daad vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader.

Overeenkomsten 4 en 5

32. De overeenkomsten 4 en 5 zijn op 22 maart 2000 tot stand gekomen, niet rechtstreeks bij Legiolease maar door tussenkomst van Advance. Met betrekking tot de gedragingen van Advance en de aansprakelijkheid van Advance voor de gestelde schade van X overweegt de rechtbank het volgende:

a. Advance is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat zij haar activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of Advance zich beperkt heeft tot het steeds aanbrengen van X als klant bij Dexia of dat Advance verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaken gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan Advance toegestaan om steeds X te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om haar steeds door te verwijzen naar Dexia, maar niet om X te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99. Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkene daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

33. Vervolgens valt op dat door X over het contact met Advance in feitelijk en inhoudelijk niets is verklaard of gesteld, ook niet in haar statements. X volstaat met over het contact met Advance het volgende aan te voeren: “Het grootste probleem was Profit Effect. Marc Baas (van Financiele Managers) heeft dat voor mij geregeld. Heb nooit beseft dat dat ook geleend geld was omdat het niet logisch leek, daar ik al een paar geleend-contracten had lopen.”.

34. Door Dexia zijn de aan de overeenkomsten 4 en 5 ten grondslag liggende twee aanvraagformulieren in het geding gebracht bij de conclusie van antwoord in conventie. Ook Dexia laat na duidelijkheid te verschaffen over hoe de contacten tussen X en Advance zijn verlopen.

35. Op grond van de door partijen ingenomen stellingen mag worden aangenomen dat

Advance het cold calling-verbod niet heeft overtreden, en dat X – net als bij haar contacten met Legiolease - zich zelf tot Advance heeft gewend met de vraag om haar voor te lichten over de aanschaf van – heel specifiek – (meer) aandelenleasepakketten.

36. De rechtbank leidt uit deze door X zelf gegeven zeer summiere uitleg van de gehele gang van zaken alsmede haar meergenoemde “voorervaring” met aandelenleaseproducten af, dat X van meet af aan weet had van de inhoud en de opzet van ook dit - niet wezenlijk van de eerder afgenomen producten afwijkende -aandelenleaseproduct. Dat verklaart tevens waarom door X geen enkel inzicht wordt verschaft over (eventuele) vervolgcontacten met Adavance. Die contacten zijn immers aldus beschouwd niet meer van belang geweest voor de keuze van X voor meer aandelenleaseproducten. X wist kennelijk van het begin af aan van de hoed en de rand en behoefde ook geen nadere informatie meer.

37. Met betrekking tot hetgeen door Advance verricht is om zich een beeld te vormen van de financiële positie en beleggingsdoelstellingen en ervaring van X, blijkt van door Advance van X mondeling ingewonnen informatie, het mondeling verstrekken van de productinformatie, zulks naast de aanvraagformulieren en de (concept)overeenkomsten, die ook de nodige informatie omtrent het product geven.

38. Het is steeds X geweest die eerst de betreffende aanvraagformulieren (zonder keuzemogelijkheid voor een ander product) heeft ingevuld/ondertekend en later de concept-aandelenleaseovereenkomst heeft ondertekend en teruggezonden. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van Advance anderszins moeite is gedaan om X te bewegen tot het aangaan van deze aandelenleaseovereenkomsten 4 en 5. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat X steeds in (redelijke) rust en niet onder ongepaste druk van een op provisie beluste tussenpersoon, zelf tot het aangaan van de hier relevante overeenkomsten is gekomen.

39. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aan X overhandigde informatie als geheel (en dus inclusief de concept-overeenkomsten), niet als ondeugdelijk en misleidend kan worden betiteld. Door X ook niet gemotiveerd gesteld dat door haar ontvangen informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is. Immers beperkt X haar kritiek (in de conclusie van repliek in conventie onder “kern van de zaak”) weer tot het punt dat zij

niet c.q. onvoldoende is gewezen op het risico dat de inleg niet kan worden terug verkregen. De risico’s verband houdend met het beleggen in aandelen waren voor haar kennelijk voldoende duidelijk.

40. De rechtbank oordeelt dan ook geen aanleiding aanwezig tot enig verder onderzoek naar de door X desondanks (in zeer algemene bewoordingen) gestelde onrechtmatige daden vanwege het steeds niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader. Dit met name ook nu ter zake de feitelijke inhoud van de (vervolg)contacten met Advance geen relevante feiten zijn gesteld. X blijft immers in haar stellingname zeer op de vlakte voor wat betreft de weergave waar Advance te kort is geschoten.

41. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Advance in haar relatie tot X onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen in strijd met de voorschriften van de Vrijstellingsregeling en daarmee in strijd met artikel 7 Wte. Evenmin is komen vast te staan dat zij zich niet heeft gedragen als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van titel 7 :7 BW, immers is niet komen vast te staan dat zij niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend bekwaam vakgenoot dient te handelen. Advance - en daarmee Dexia - is aldus redenerend, niet aansprakelijk te houden voor de door X gestelde schade.

Slotsom

42. De vordering van X zal worden afgewezen en zij zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

43. De overige geschilpunten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

In reconventie:

44. Tegen het door Dexia in reconventie gevorderde heeft X behalve een verrekeningsverweer met het door hem in conventie gevorderde, geen verweer gevoerd zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

45. De rechtbank acht wettelijke rente over dit bedrag toewijsbaar, waartoe de rechtbank anders dan Dexia wel een ingebrekestelling noodzakelijk acht. Bij gebreke daaraan zal de

dag van het instellen van de (reconventionele) vordering worden aangehouden.

X zal in reconventie eveneens in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 775,- aan verschotten en € 1158,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

IV. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen € 19.939,03 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 augustus 2007 (de datum van het nemen van de conclusie van eis in reconventie) tot aan de dag van de algehele voldoening.

V. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot deze uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 579,-- aan salaris voor de procureur.

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.