Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6967

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
75836 ha za 06-71
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 75836 ha za 06-71

datum vonnis: 9 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. X, en

2. Y,

echtelieden,

beiden wonende te E,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verder gezamenlijk te noemen: X (enkelvoud),

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. J. Vestering,

advocaat: mr. H. Post te Helmond.

Het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. X heeft gevorderd conform de inleidende dagvaarding. Dexia heeft vervolgens een akte uitlating schorsing en X een akte hervatting procedure in het geding gebracht. Nadien heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie genomen. X heeft vervolgens een conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering van eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie. Na een conclusie van dupliek in reconventie zijdens X hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:

2. X heeft eind 1999 bij de naamloze vennootschap Labouchere N.V. (toen handelend onder de naam “Legio Lease”; rechtsvoorganger van Dexia), een “Bank Labouchere-product” afgenomen. Het betreft hier een aandelenleaseproduct, en wel de volgende:

- een op 29 december 1999 voor de duur van 36 maanden afgesloten overeenkomst Winstverdriedubbelaar met het nummer 74400478 (zie bijlage 2 bij de conclusie van eis). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 23.703,24. De overeengekomen 36 maandelijks opeisbare rentetermijnen van € 114,19 zijn door X betaald; te weten in totaal € 4.110,84. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia door een eerste, tweede en derde aankoop uiteindelijk voor een aankooptotaalbedrag van € 19.592,40 (NLG 43.175,97) aan X aandelen ABN AMRO, Ahold en ING heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat aan het einde van de looptijd van 36 maanden een restant hoofdsom overblijft van € 19.547,02, welke hoofdsom wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden. Na ommekomst van de overeengekomen looptijd (eind 2002) bleek aldus een restschuld van X aan Dexia te bestaan van € 9.670,92; reden voor X om alsnog met Dexia de verlenging van deze overeenkomst overeen te komen (zie de bijlagen 4 en 5 bij de conclusie van eis). De aldus verlengde overeenkomst is beëindigd per 1 oktober 2005. De restschuld (zie bijlage 6 bij de conclusie van antwoord in conventie) bedraagt € 4.500,28, en is niet voldaan door X. Gedurende de (verlengde) looptijd van de overeenkomst is € 1.402,71 aan dividend aan X uitgekeerd.

3. Bij brief van 19 oktober 2005 heeft X van de overeenkomst de nietigheid ingeroepen c.q. deze buitengerechtelijk ontbonden dan wel vernietigd, zich ter zake baserende op een niet in acht genomen zorgplicht althans op strijd met de bepalingen van de WCK respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 van die wet.

4. Eerder, te weten bij brief van 20 september 2005, had eiseres sub 2 zich gemeld bij Dexia stellende dat zij er achter was gekomen dat alleen haar echtgenoot deze aandelenleaseovereenkomst had getekend, dat zij ervoer bevoegd te zijn die overeenkomst te vernietigen en dat resultaat middels die brief wenste te bereiken.

5. X heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat hij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

In conventie:

6. X vordert, de vermeerdering bij repliek inbegrepen:

I. Te verklaren voor recht dat de overeenkomst

a. buitengerechtelijk ontbonden is, of;

b. buitengerechtelijk vernietigd is althans die nietig is althans die te vernietigen, of

c. Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is.

II. Dexia deswege te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting:

€ 8.225,28 subsidiair € 5.975,14;

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van

totstandkoming van de overeenkomst althans vanaf de dag van de dagvaarding tot

aan de dag der betaling;

IV. Te verklaren voor recht dat de restschuld(en) zijn vervallen verklaard;

V. Dexia op verbeurte van een dwangsom bevelen het BKR op te dragen de A-notering

op naam van X ongedaan te maken;

VI. Dexia te veroordelen in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad

verklaren.

7. Het verweer van Dexia luidt kort samengevat en voor zover nog van belang als volgt:

- X is eerst telefonisch benaderd door een extern call-center “van de Bank”. X toonde interesse, reden waarom aan hem de in bijlage 4 bij de conclusie van antwoord in conventie gevoegde brochure is toegezonden. X heeft in dit eerste gesprek goedgevonden dat circa 5 tot 8 dagen later weer telefonisch contact met hem zou worden gezocht. Tijdens het tweede telefoongesprek werd de effectenleaseovereenkomst aan hem uitgelegd en werd X’s interesse gepeild. X gaf hierbij te kennen de overeenkomst te willen aangaan. Bij een derde telefoongesprek is door de Bank geverifieerd of alle gegevens juist waren en of X nog vragen had. Daarna is de interne acceptatieprocedure gevolgd. Tot slot is de overeenkomst in tweevoud samen met de fiscale opinie naar X ter ondertekening verzonden, waarna de overeenkomst door X is ondertekend en aan de Bank geretourneerd. Aldus heeft X naar zeggen van Dexia in alle rust kunnen beslissen of hij deze overeenkomst wilde aangaan;

- Na ommekomst van de looptijd is door X gekozen voor de optie van de verlenging van deze overeenkomst;

- Dexia bestrijdt de stelling dat hier een huurkoop-overeenkomst aan de orde is die eiseres sub 2 het recht zou geven wegens haar ontbrekende toestemming tot het aangaan ervan vernietiging in te roepen;

- Evenmin acht Dexia de WCK van toepassing op aandelenleaseovereenkomsten in het algemeen en de onderhavige. Aan haar zorgplicht in algemene zin acht Dexia te hebben voldaan onder meer middels de aan X toegezonden documentatie, waaruit het nodige bleek respectievelijk de controle bij het BKR te Tiel omtrent diens (krediet-)positie en acht overigens –voor zover van belang- de NR 99 ter zake niet van toepassing;

- Dexia ontkent ook overigens enige (vorm van) onrechtmatige daad jegens X te hebben gepleegd en voor zover daarover anders zou moeten worden gedacht, naast eerdergenoemd dividend ook de andere voordelen voor X uit de overeenkomst verdisconteerd moeten worden. Betreffende de gestelde schade wijst Dexia erop dat X niet door hem genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

Wettelijke rente kan Dexia eerst verschuldigd zijn ingaande de datum dat van verzuim harerzijds kan worden gesproken.

In reconventie:

8. In reconventie vordert Dexia het na het aflopen van de verlening van de overeenkomst nog openstaande bedrag van € 4.500,28 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit met veroordeling van X in de kosten van dit geding. Een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

9. Dexia stelt daartoe dat X voormeld totaalbedrag verschuldigd is geworden op basis van de meergenoemde eindafrekening (zie bijlage 6 bij de conclusie van antwoord in conventie).

10. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in reconventie gevorderde onder aanvoering van hetgeen van de zijde van X in conventie is aangevoerd. Het bedrag van de restschuld lost zich op in de door de rechtbank toe te passen formule. De vervallenverklaring van de restschuld is onderdeel van wat in conventie wordt gevorderd.

De beoordeling

In conventie

artikel 1:88 e.v. BW

11. In een eerdere vergelijkbare zaak (rechtbank Almelo 26 november 2003 LJN: AN 9138) heeft deze rechtbank al uitgemaakt dat aandelenleaseovereenkomsten als de onderhavige niet als huurkoop in de zin van deze bepalingen zijn te kwalificeren en derhalve het toestemmingsvereiste van eiseres sub 2 niet geldt.

Wet Consumenten Krediet (WCK)

12. De rechtbank handhaaft voorts haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt dat de WCK op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is. De rechtbank constateert echter dat de WCK ten aanzien van deze aandelenleaseovereenkomst toepassing mist. Dit omdat de overeengekomen leasesom € 23.703,24 bedraagt. Dit bedrag overstijgt het tot 1 februari 2001 geldende beschermingsplafond van die wet van € 22.652,-. Het verweer van Dexia dat X geen bescherming aan de WCK kan ontlenen, slaagt derhalve.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Dexia

13. Daarmee komt de rechtbank toe aan de aansprakelijkheid van Dexia.

14. Over de totstandkoming van de overeenkomst is door X verklaard in diens - in de conclusie van repliek in conventie vervatte - statement, dat hij in een beperkt tijdsbestek driemaal is gebeld door een medewerker van Dexia, en dus niet door een zelfstandig opererende tussenpersoon. Door hem wordt niet weersproken dat hem naar aanleiding van het eerste of tweede telefonische contact door Dexia documentatie over dit aandelenleaseproduct is toegezonden. Namens X wordt wel aangevoerd dat hem een andere brochure is toegezonden dan die welke door Dexia in het geding is gebracht. Voorts valt op dat X niet weerspreekt dat hij in rust en zonder aandrang heeft kunnen beslissen tot de aanschaf van dit product. Uit diens statement blijkt ook dat X tijdens in elk geval het laatste telefoongesprek er mee op de hoogte was dat de overeenkomst inhield dat aandelen werden aangeschaft en dat aldus sprake was van koersrisico. X heeft daar naar eigen zeggen ook nog een vraag over gesteld, kennelijk met het doel om dat risico beter in te kunnen schatten.

15. Vervolgens is het X geweest die de hem toegezonden concept-overeenkomst heeft ingevuld/ondertekend en aan (de rechtsvoorganger van) Dexia heeft

teruggezonden. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van Dexia anderszins moeite is gedaan om X te bewegen tot het aangaan van deze aandelenleaseovereenkomst. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat X in (redelijke) rust en niet onder druk van enige op provisie beluste tussenpersoon zelf tot het aangaan van deze overeenkomst gekomen.

16. De rechtbank is voorts van oordeel dat het aan X ter informatie toegezonden schriftelijk materiaal als geheel (inclusief deze overeenkomst), niet als ondeugdelijk en misleidend kan worden betiteld. Uitgaande van de inhoud van de door X in het geding gebrachte brochure (bijlage 1 bij de conclusie van eis), moet worden geconstateerd dat daarin voldoende duidelijk wordt gemaakt dat steeds rente moet worden betaald en dat een hoofdsom resteert die moet worden afgelost uit de opbrengst van de te verkopen aandelen: “Zou de verkoop van de aandelen onverhoopt minder opbrengen dan de aankoopprijs, dan zou u het verschil moeten bijbetalen.”en: “Mochten uw aandelen onverhoopt minder waard zijn geworden, dan zou u het verschil tussen de af te lossen hoofdsom en de verkoopopbrengst van uw aandelen moeten bijbetalen.”. Overigens is door X niet gesteld dat het door hem ontvangen informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is. Immers beperkt X zijn kritiek op die documentatie (in de conclusie van repliek in conventie onder “kern van de zaak”) tot het punt dat hij onvoldoende is gewezen op de risico’s die samenhangen met beleggen in aandelen; namelijk dat bij een waardedaling van de aandelen de restschuld niet geheel wordt voldaan en er dus bijbetaald moet worden.

17. De rechtbank is van oordeel dat deze kritiek onvoldoende hout snijdt. In de door X – naar eigen zeggen – ontvangen documentatie wordt voldoende duidelijk gewezen op de mogelijkheid van een minder goede afloop. Ook wordt in de – naar onweersproken door Dexia is gesteld - meegezonden “Fiscale opinie” uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van niet aftrekbare koersverliezen bij verkoop van de aandelenportefeuille, zo is de rechtbank ambtshalve bekend uit andere gelijksoortige zaken.

18. Daarbij komt dat X na ommekomst van de eerste drie jaren zelfstandig en zonder advies van de zijde van Dexia heeft gekozen voor de optie van de verlenging van de overeenkomst. X is toen geconfronteerd met de eerste eindafrekening en vooral ook met de wijze waarop die tot stand komt. Dat wetend is door X niet – te weten in lijn met zijn huidige stellingname - gekozen voor de optie van beëindiging maar voor juist verlenging in de hoop dat de koersen van de aandelen na afloop van de volgende drie jaren zouden leiden tot een gunstiger eindafrekening. Gesteld noch gebleken is dat X ook die bewuste keuze niet in alle rust heeft kunnen maken.

19. Het hoe en waarom van X’s keuze voor verlenging, wordt nergens uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is er aldus redenerend voor X geen sprake geweest van steeds een dwangpositie, die hem noopte tot het kiezen voor een verlenging, hij heeft met diens keuze voor verlenging ingezet op de komst van betere tijden met achteraf voor hem negatief resultaat.

20. De rechtbank oordeelt op basis van het hiervoor overwogene dan ook geen aanleiding aanwezig tot enig verder onderzoek naar de door X desondanks gestelde onrechtmatige daad vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader.

21. De (conventionele) vordering van X zal worden afgewezen en hij zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

22. De overige geschilpunten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

In reconventie:

23. Tegen het door Dexia in reconventie gevorderde heeft X behalve een verrekeningsverweer met het door hem in conventie gevorderde, geen verweer gevoerd zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

24. De rechtbank acht wettelijke rente over dit bedrag toewijsbaar, waartoe de rechtbank anders dan Dexia wel een ingebrekestelling noodzakelijk acht. Bij gebreke daaraan zal de dag van het instellen van de (reconventionele) vordering worden aangehouden.

X zal in reconventie eveneens in de proceskosten (1 punt vanwege de samenhang met de conventie) worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 296,- aan verschotten en € 768,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

IV. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen een bedrag van € 4.500,28

vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 augustus 2007 tot aan de dag der voldoening.

V. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot deze uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 384,-- aan salaris voor de procureur.

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.