Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6960

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
78439 ha za 06-553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 78439 ha za 06-553

datum vonnis: 9 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te O,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. J. Vestering.

Het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. X heeft bij inleidende dagvaarding van 4 mei 2006 gedagvaard. Na een akte van schorsing zijdens Dexia is de procedure middels een akte tot hervatting voortgezet en heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen. X heeft vervolgens een conclusie van repliek in conventie tevens houdende akte tot vermeerdering van eis en conclusie van antwoord in reconventie genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende antwoordakte vermeerdering van eis en conclusie van repliek in reconventie. Na een conclusie van dupliek in reconventie zijdens X hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:

2. X heeft in de periode van 30 april 1998 tot en met 27 oktober 2003 bij Hoevelaken Advies B.V. gevestigd te Hoevelaken (hierna: Hoevelaken), een toenmalige cliëntenremisier van Dexia), een aantal “Bank Labouchere-producten” afgenomen. Het betreft hier de volgende aandelenleaseproducten:

- Overeenkomst 1: een op 30 april 1998 voor de duur van 36 maanden afgesloten overeenkomst Triple Effect met het nummer 51005452 (zie bijlage 2 bij de conclusie van eis). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt Hfl. 48.532,32. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopbedrag van Hfl. 39.817,80 aan X aandelen Aegon, Kon.Olie, KPN en Unilever heeft geleased. De overeengekomen 36 termijnen zijn voldaan. Deze overeenkomst is op verzoek van X verlengd met 36 maanden (zie bijlage 3 bij de conclusie van eis; de nieuwe leasesom bedraagt € 24.301,92). Deze aldus verlengde overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopbedrag van Hfl. 39.817,80/€ 18.068,52 aan X aandelen Aegon, Kon.Olie, KPN, TPG, Unilever en UnileverPref heeft geleased. Ook deze 36 termijnen zijn voldaan. Aldus is in totaal door X op deze - aldus verlengde - overeenkomst betaald € 8.810,09. Na ommekomst van de overeengekomen verlengde looptijd is de overeenkomst beëindigd en bleek aldus een restschuld van X aan Dexia te bestaan (zie bijlage 7 bij conclusie van antwoord in conventie) van € 6.125,84, op welk bedrag door X is voldaan € 2.081,65 (te weten 17 x € 122,45). Hier is dus onbetaald gebleven € 4.044,19.

- Overeenkomst 2: een op 26 oktober 2000 voor een periode van 36 maanden afgesloten overeenkomst Triple Effect met het nummer 52180007 (zie bijlage 4 bij de conclusie van eis). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 14.157,27. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopsom van in totaal

€ 11.702,07 aan X aandelen Aegon, Kon. Olie en KPN heeft geleased.

De overeengekomen 36 termijnen zijn voldaan. Deze overeenkomst is op verzoek van X op 27 oktober 2003 verlengd met 36 maanden (zie bijlage 5 bij de conclusie van eis; de nieuwe leasesom bedraagt € 14.248,71). Deze aldus verlengde overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopbedrag van weer € 11.702,07 aan X aandelen Aegon, Kon.Olie, KPN heeft geleased. Ook deze 36 termijnen zijn (grotendeels door vooruitbetaling) voldaan. Aldus is in totaal door X op deze - aldus verlengde - overeenkomst betaald € 4.249,24. Na ommekomst van de overeengekomen verlengde looptijd is de overeenkomst beëindigd en bleek aldus een restschuld van X aan Dexia te bestaan (zie bijlage 8 bij de conclusie van antwoord in conventie) van € 5.958,68, op welk bedrag door X geen betalingen zijn gedaan.

3. Aan X is aan dividend uitbetaald € 932,72 (overeenkomst 1) en € 146,71 (overeenkomst 2). Daarnaast is middels verrekening nog voldaan aan dividend € 388,15 (overeenkomst 1) en € 350,96 (overeenkomst 2).

4. Bij brief van 5 december 2005 heeft X Dexia aansprakelijk gesteld, de Triple Effect’s buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van de inleg met toepassing van een door deze rechtbank in enige andere zaken gehanteerde billijkheidsformule. Het voorgaande baseert X onder meer op de bepalingen van de volgens hem ten deze toepasselijke Wet Consumenten Krediet respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 dezer wet zulks in de zin van de aandelenleasejurisprudentie dezer rechtbank (Dexia-Cosar LJN AS 4746 e.v.).

5. X heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat hij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

In conventie:

6. X vordert (na wijziging/vermeerdering van eis bij conclusie van repliek):

I. Voor recht te verklaren dat de Triple Effect’s nietig zijn of te verklaren

voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en dat Dexia

om die reden schadeplichtig is;

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting: € 11.043,31;

III. voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de inleg althans

vanaf de datum van verzuim (30 december 2005) althans vanaf de dag van de

dagvaarding tot aan de dag der betaling;

IV. Dexia te veroordelen in de proceskosten;

V. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7. Bij repliek vult X de grondslag van zijn vordering aan met de stelling dat Dexia jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het feit dat het optreden van Hoevelaken als zodanig is te kwalificeren en Dexia in het verlengde daarvan eveneens, dit in de zin van een viertal vergelijkbare uitspraken van deze rechtbank. Het gevorderde is bij repliek aangevuld met een verklaring voor recht dat de restschulden van X zijn vervallenverklaard althans om deze vervallen te verklaren.

8. Dexia stelt dat deze (verlengde) aandelenleaseovereenkomsten Triple Effect zijn afgesloten via de assurantietussenpersoon Hoevelaken die X terzake heeft geïnformeerd en geadviseerd. Na getoonde interesse door X heeft Hoevelaken de aanvraagformulieren (bijlagen 5 en 6 bij de conclusie van antwoord in conventie) verschaft en de Bank heeft die door X ondertekend retour ontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomsten aan Hoevelaken verstuurd. Dexia stelt daarmede aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

9. In deze contracten wordt niet voorzien in tussentijdse aflossing van de aankoopsom en diende X uit hoofde daarvan steeds gedurende de looptijd een maandelijks bedrag, bestaande uit alleen rente over de aankoopsom van de portefeuilles, aan de Bank te voldoen. Toen de looptijd was verstreken, zijn de (verlengde) overeenkomsten beëindigd. De opbrengsten van de verkoop van de aandelen waren evenwel niet toereikend om de leningen te voldoen. De eindafrekeningen en de nog openstaande posten zijn daarvan het gevolg.

10. Dexia betwist hier de toepasselijkheid van de Wet Consumenten Krediet, stelt dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van X.

11. Ten aanzien van het optreden van Hoevelaken als effectenbemiddelaar zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellingsregeling Wet Toezicht Effectenverkeer 1995 zulks vanwege de omstandigheid dat Hoevelaken niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht maar zich ook (steeds) heeft beziggehouden met advisering en /of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de (verlengde) overeenkomsten leidt: niet de overeenkomsten zelf zijn strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

12. Het ontbreken van een vergunning op basis van de Wck acht Dexia geheeld vanwege het feit dat Dexia ingaande 1 januari 2006 beschikt over een vergunning ex artikel 10 van de Wet financiële Dienstverlening, die blijkens artikel 102 Wfd de Wck-vergunning vervangt en mitsdien ex artikel 32:58 BW het eerder ontbreken van een vergunning repareert.

13. Naar aanleiding van de door X nader gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomst duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden.

14. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door hem genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

In reconventie:

15. In reconventie vordert Dexia het na het aflopen van de (verlengde) overeenkomsten nog openstaande totaalbedrag van € 11.414,35, met daarover de contractuele rente van 0,68% althans de wettelijke rente. Dit met veroordeling van X in de kosten van dit geding. Een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

16. Dexia stelt daartoe dat X voormeld totaalbedrag verschuldigd is geworden op basis van de bovengenoemde twee eindafrekeningen.

17. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in reconventie gevorderde onder aanvoering van hetgeen van de zijde van X in conventie is aangevoerd. Het bedrag van de restschulden lost zich op in de door de rechtbank toe te passen formule. De vervallenverklaring van de restschuld is onderdeel van wat in conventie wordt gevorderd.

De beoordeling

In conventie:

Wet Consumenten krediet

18. De rechtbank handhaaft haar principestandpunt dat de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is.

19. Vervolgens constateert de rechtbank dat de eerste overeenkomst Triple Effect dateert van 30 april 1998 en dat de tweede overeenkomst Triple Effect dateert van 26 oktober 2000. De beide qua strekking en inhoud (los van de bedragen en de aandelen) identieke overeenkomsten zijn via dezelfde cliëntenremisier op overeenkomstige wijze gesloten in een naar het oordeel van de rechtbank beperkt tijdsbestek, waarin steeds gold het toen voor de toepassing van de WCK geldende “beschermingsplafond” van Hfl. 50.000/€ 22.652,-. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze overeenkomsten voor de toepassing van de WCK dan ook als een samenstel worden aangemerkt. Het totaal van de overeengekomen leasesommen van Hfl. 48.532,32 en € 14.157,27 maakt dat hier geconcludeerd moet worden dat voornoemd beschermingsplafond hier is overschreden. Dit betekent dat X geen bescherming kan ontlenen aan de WCK. Het desbetreffende verweer van Dexia slaagt dus. De omstandigheid dat beide overeenkomsten nadien zijn verlengd (al dan niet deels) op een moment nadat het beschermingsplafond wettelijk is verhoogd (per 1 februari 2001: € 40.840,-; en per 1 januari 2002: € 40.000,-), maakt niet dat hier anders moet worden beslist.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Hoevelaken

20. Ten aanzien van de overeenkomst is derhalve de gestelde onrechtmatige daad

als grondslag voor de vordering van X te bezien:

a. Hoevelaken is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat zij haar activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of Hoevelaken zich beperkt heeft tot het (steeds) aanbrengen van X als klant bij Dexia of dat Hoevelaken verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaken gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan Hoevelaken toegestaan om X te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om hem door te verwijzen naar Dexia, maar niet om X te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99. Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkene daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

21. X heeft naar eigen zeggen (bijlage 9 bij de conclusie van repliek in conventie) in het voorjaar van 1998 zelf – naar aanleiding van een reclamefolder inhoudende toelichting op Triple Effect - initiatief richting Hoevelaken genomen door deze te bellen. Kennelijk nadat enig nader informatief telefonisch contact had plaatsgevonden met “Amersfoort”, is hem het betreffende aanvraagformulier toegezonden (bijlage 5 bij de conclusie van antwoord in conventie). Het betreft hier een aanvraagformulier waarin alleen geopteerd kan worden voor dit product Triple Effect; er kan op dit formulier namelijk niet gekozen worden uit een aantal verschillende aandelenleaseproducten. X heeft dat formulier ondertekend en klaarblijkelijk ook ingevuld. De eenduidigheid van de schrijfwijze toont dat aan. Het aanvraagformulier is dus niet van te voren door Hoevelaken ingevuld. Het formulier is evenmin ondertekend door of namens Hoevelaken. Alleen staat daaronder vermeld het ATP nummer 361 van HA Adviseurs te Hoevelaken.

22. Nu geen aan te schaffen aandelen worden aangeduid in dat aanvraagformulier, moet het er voor worden gehouden dat X de keuze daarvan heeft overgelaten. Gesteld noch gebleken is dat het aan te schaffen aandelenpakket is gekozen/geadviseerd door Hoevelaken. Dit aldus ingevulde formulier heeft ten grondslag gelegen aan het door de rechtsvoorganger van Dexia opmaken van de conceptovereenkomst, waarin wel de aan te schaffen aandelen staan vermeld. Kennelijk is het aandelenpakket aldus “ingekleurd” door die rechtsvoorganger, omdat X die keuze zoals gezegd had overgelaten. De aldus opgemaakte concept-overeenkomst is via Hoevelaken naar X gezonden ter ondertekening. Dat is gebeurd, waarna X de door hem ondertekende overeenkomst zonder op- en aanmerkingen heeft teruggezonden.

23. Voor wat betreft de totstandkoming van overeenkomst 2 valt op dat geen van partijen daarover duidelijkheid verschaft. Uit het betreffende aanvraagformulier (bijlage 6 bij de conclusie van antwoord in conventie) is af te leiden dat de gang van zaken met dat formulier overeenstemt met wat hiervoor over het eerste aanvraagformulier is overwogen. Het moet op verzoek van X blanco naar hem zijn verzonden, waarna hij dit heeft ingevuld en ondertekend. Ook hier kon alleen maar worden gekozen voor een Triple Effect. Daarop is als extra – kennelijk ook weer door X - handgeschreven vermeld: “pakket Aegon; Koninklijke Olie en KPN”. Dit is kennelijk de wil/keuze van X geweest. Gesteld noch gebleken is dat Hoevelaken hem hier heeft geadviseerd.

24. De rechtbank trekt uit deze gang van zaken de conclusie dat X zowel in april 1998 als in oktober 2000 in redelijke rust en niet onder druk van (het bezoek van) enige op provisie beluste tussenpersoon zelf tot het aangaan van deze overeenkomsten is gekomen.

25. X noch Dexia hebben folder-/reclamemateriaal overgelegd. Overigens is door X ook niet gesteld, dat het door haar ontvangen informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is. Immers beperkt X zijn kritiek tot het punt dat hij onvoldoende is gewezen op risico’s die samenhangen met beleggen in aandelen: namelijk dat bij een waardedaling die restschuld niet geheel wordt voldaan en er dus bijbetaald moet worden respectievelijk dat hij na afloop van de (eerste) Triple Effect – te weten eerst na het sluiten van overeenkomst 2 - met een schuld werd geconfronteerd.

26. De rechtbank ziet dan ook bij beide overeenkomsten Triple Effect geen aanleiding tot enig verder onderzoek naar de door X desondanks gestelde onrechtmatige daden vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader. Dit met name ook nu – zoals hiervoor is overwogen - ter zake de feitelijke inhoud van de vervolgcontacten met Hoevelaken geen relevante feiten zijn gesteld. X blijft immers in zijn stellingname zeer op de vlakte voor wat betreft de weergave waar, hoe en tegenover wie Hoevelaken te kort is geschoten.

27. Ten aanzien van het aangaan van de verlengde Triple Effect’s geldt, dat X alstoen niet alleen op de hoogte was van de (eventuele) consequenties van (voortzetting van) een dergelijke overeenkomst, maar aan hem kennelijk steeds drie mogelijkheden werden geboden, te weten: verkoop van de aandelen met verrekening van de opbrengst, overname van de aandelen c.q. het sluiten van een verlengde overeenkomst.

28. Het hoe en waarom van X’s keuze voor steeds verlenging, wordt nergens uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is er aldus redenerend voor X geen sprake geweest van steeds een dwangpositie, die hem noopte tot steeds het kiezen voor een verlenging, hij heeft met diens keuzes voor verlenging ingezet op de komst van betere tijden met achteraf voor hem negatief resultaat.

29. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat Hoevelaken in de (alleen telefonische) contacten met X onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen in strijd met de voorschriften van de Vrijstellingsregeling en daarmee in strijd met artikel 7 Wte. Evenmin is komen vast te staan dat zij zich niet heeft gedragen als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van titel 7 :7 BW, immers is niet komen vast te staan dat zij niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend bekwaam vakgenoot dient te handelen. Hoevelaken - en daarmee Dexia - is aldus redenerend, niet aansprakelijk te houden voor de door X gestelde schade.

30. De vordering van X zal worden afgewezen en hij zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

31. De overige geschilpunten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

In reconventie:

32. Partijen zijn het over eens dat de openstaande restschuld in elk geval bedraagt het totaal van € 4.044,19 (overeenkomst 1; na aftrek van aflossingen van X) en

€ 5.958,68 (overeenkomst 2) = € 10.002,87. Door Dexia wordt in reconventie betaling gevorderd van een hoger bedrag, te weten € 11.405,34. Het verschil tussen die bedragen betreft naar zeggen van Dexia rente opgekomen nadat de restschuld bij overeenkomst 1 was vastgesteld en het X was vergund daarop af te lossen. De grondslag van de aldus in rekening te brengen rente is en blijft echter onduidelijk evenals de berekening van het desbetreffende bedrag. Reden voor de rechtbank om dat deel van het gevorderde dan ook af te wijzen. Immers blijft X er bij dat de restschuld niet meer is c.q. kan zijn als hiervoor in de eerste zin van deze overweging is vermeld. Het gaat dan ook niet aan om het stilzwijgen van X (hierover) in de conclusie van dupliek in reconventie aan te merken als het laten varen van dat standpunt.

Tegen het door Dexia in reconventie gevorderde heeft X behalve een verrekeningsverweer met het door hem in conventie gevorderde, geen ander verweer gevoerd zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt tot voormelde hoogte van € 10.002,87.

33. De rechtbank acht wettelijke rente over dit bedrag toewijsbaar, waartoe de rechtbank anders dan Dexia wel een ingebrekestelling noodzakelijk acht. Bij gebreke daaraan zal de dag van het instellen van de (reconventionele) vordering worden aangehouden.

X zal in reconventie eveneens in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 296,- aan verschotten en € 904,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

IV. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen € 10.002,87 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2007 (de datum van het nemen van de conclusie van eis in reconventie) tot aan de dag van de algehele voldoening.

V. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot deze uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 452,-- aan salaris voor de procureur.

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.