Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6959

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
81877 ha za 07-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 81877 ha za 07-1

datum vonnis: 9 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. X en,

2. Y,

echtelieden,

wonende te S,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verder te noemen: X (enkelvoud),

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser,

advocaat: mr. H.Post te Helmond.

Het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. X heeft bij inleidende dagvaarding van 30 oktober 2006 gedagvaard. Na een akte van schorsing zijdens Dexia is de procedure middels een akte tot hervatting voortgezet en heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen. X heeft vervolgens een conclusie van repliek in conventie tevens houdende akte tot vermeerdering van eis en conclusie van antwoord in reconventie genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende antwoordakte vermeerdering van eis en conclusie van repliek in reconventie. Na een conclusie van dupliek in reconventie zijdens X hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie:

2. Vanwege de beëindiging van de onderneming van X (Café de Cröddenbrug; zie bijlage 2 bij de conclusie van eis in conventie) “is besloten om een pensioen voorziening aan te kopen om deze fiscaal onbelast in mindering te brengen op de verkrijgingsom.”. X werd in dat kader bijgestaan en geadviseerd door de financieel onderlegde H. Reuver, die op verzoek van X B Financiële Diensten (een clientenremisier van Dexia; hierna: B) heeft verzocht om contact op te nemen “inzake de pensioenvoorziening”. H. Reuver – die altijd X’s boekhouding had verzorgd - verklaart hierover als volgt: “Door B is een advies aan de fam.X uitgebracht waarbij duidelijk sprake is geweest van pensioenstorting in een aandelenfonds met koersrisico, echter op basis van gegarandeerde restitutie van de inleg op de einddatum 65 jaar van de heer X.”.

3. Op 13 september 2001 sloot X een MultiClick Effect Vooruitbetaling af onder de nummer 23600261. Op deze overeenkomst zijn ineens en vooruit 60 maandbetalingen

voldaan, te weten in totaal € 22.918,80.

4. Het aankoopbedrag van de (achterliggende) aandelen (ABN AMRO, Aegon, ING, Kon Olie en Unilever) bedroeg blijkens die overeenkomst in totaal € 49.825,50, de totaal te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst bedroeg € 22.918,80, zodat de totaal overeengekomen leasesom bedroeg € 72.744,30.

5. Verdere voorwaarden zijn (voor zover van belang):

“2a. Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 60 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden, (“….);.

3. De leasesom bedraagt:

a. (“…”);

b. (“…”);

c. aan het einde van de lease-overeenkomst het restant van € 49.780,12 (“…”), Dit bedrag wordt in principe verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden.

5. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.”.

6. Na ommekomst van de looptijd van deze MultiClick Effect Vooruitbetaling is de overeenkomst beëindigd. De opbrengst van de aandelen bleek echter niet toereikend om de lening te voldoen. Reden waarom Dexia de eindafrekening heeft opgemaakt die als bijlage 3 is gevoegd bij de conclusie van eis in conventie. De aldus berekende restschuld bedraagt

(na correctie) € 3.420,12, welke bedrag niet door X aan Dexia is voldaan.

7. Aan X is door verrekening € 81,21 aan dividend betaald.

8. Bij brief van 19 oktober 2006 heeft X Dexia aansprakelijk gesteld, de MultiClick Effect Vooruitbetaling buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van de inleg met toepassing van een door deze rechtbank in enige andere zaken gehanteerde billijkheidsformule. Het voorgaande baseert X onder meer op de bepalingen van de volgens hem ten deze toepasselijke Wet Consumenten Krediet respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 dezer wet zulks in de zin van de aandelenleasejurisprudentie dezer rechtbank (Dexia-Cosar LJN AS 4746 e.v.).

9. X heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat hij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

In conventie:

10. X vordert (na wijziging/vermeerdering van eis bij conclusie van repliek):

I. De overeenkomst MultiClick Effect Vooruitbetaling te ontbinden of te verklaren

voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en dat Dexia

om die reden schadeplichtig is, of te verklaren voor recht dat deze overeenkomstig

nietig is.

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting: € 21.208,74;

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de inleg althans

vanaf de datum van verzuim (1 november 2006) althans vanaf de dag van de

dagvaarding (30 oktober 2006) tot aan de dag der betaling.

IV. Dexia op straffe van een dwangsom te bevelen het BKR op te dragen de A-notering

op naam van X ongedaan te maken.

V. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VI. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

11. Bij repliek vult X de grondslag van zijn vordering aan met de stelling dat Dexia jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het feit dat het optreden van B als zodanig is te kwalificeren en Dexia in het verlengde daarvan eveneens, dit in de zin van een viertal vergelijkbare uitspraken van deze rechtbank. Het gevorderde is bij repliek aangevuld met een verklaring voor recht dat de restschulden van X zijn vervallenverklaard althans om deze vervallen te verklaren.

12. Dexia stelt dat deze aandelenleaseovereenkomst MultiClick Effect Vooruitbetaling is afgesloten via de assurantietussenpersoon B die X en/of zijn Financieel adviseur H. Reuver terzake heeft geïnformeerd en geadviseerd. Na getoonde interesse heeft B het aanvraagformulier (bijlage 4 bij conclusie van antwoord in conventie) verschaft en de Bank heeft die door X ondertekend retour ontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomst aan B verstuurd. Dexia stelt daarmede aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

13. In dit contract wordt niet voorzien in tussentijdse aflossing van de aankoopsom en diende X uit hoofde daarvan gedurende de looptijd een maandelijks bedrag, bestaande uit alleen rente over de aankoopsom van de portefeuille, aan de Bank te voldoen. Toen de looptijd was verstreken, is de overeenkomst beëindigd. De opbrengst van de verkoop van de aandelen was evenwel niet toereikend om de lening te voldoen. De eindafrekening is daarvan het gevolg. Thans staat nog een bedrag van € 3.420,12 open.

14. Dexia betwist hier de toepasselijkheid van de Wet Consumenten Krediet, stelt dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van X.

15. Ten aanzien van het optreden van B als effectenbemiddelaar zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellingsregeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995 zulks vanwege de omstandigheid dat B niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en /of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomsten leidt: niet de overeenkomsten zelf zijn strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

16. Het ontbreken van een vergunning op basis van de Wck acht Dexia geheeld vanwege het feit dat Dexia ingaande 1 januari 2006 beschikt over een vergunning ex artikel 10 van de Wet financiële Dienstverlening, die blijkens artikel 102 Wfd de Wck-vergunning vervangt en mitsdien ex artikel 32:58 BW het eerder ontbreken van een vergunning repareert.

17. Naar aanleiding van de door X nader gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomst duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft het van Dexia gevorderde bevel richting BKR, voert Dexia aan daaraan onmogelijk te kunnen voldoen omdat het BKR op dat punt zelfstandig is.

18. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door hem genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

In reconventie:

19. In reconventie vordert Dexia het na het aflopen van de overeenkomst nog openstaande bedrag van € 3.420,12, met daarover de contractuele rente althans de wettelijke rente. Dit met veroordeling van X in de kosten van dit geding. Een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

20. Dexia stelt daartoe dat X voormeld totaalbedrag verschuldigd is geworden op basis van de bovengenoemde twee eindafrekeningen.

21. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in reconventie gevorderde onder aanvoering van hetgeen van de zijde van X in conventie is aangevoerd. Het bedrag van de restschuld lost zich op in de door de rechtbank toe te passen formule. De vervallenverklaring van de restschuld is onderdeel van wat in conventie wordt gevorderd.

De beoordeling

In conventie:

Wet Consumenten krediet

22. De rechtbank handhaaft haar standpunt dat de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is als na te melden. De rechtbank oordeelt de WCK op deze overeenkomsten MultiClick Effect Vooruitbetaling echter niet van toepassing nu sprake is van overschrijding (leasesommen: € 72.744,30) van het hier voor de toepassing van de WCK geldende “beschermingsplafond” van € 40.840,-.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/B

23. Met betrekking tot de gedragingen van B en de aansprakelijkheid van B voor de schade van X overweegt de rechtbank het volgende:

a. B is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat zij haar activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of B zich beperkt heeft tot het aanbrengen van X als klant bij Dexia of dat B verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaken gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan B toegestaan om X te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om hem door te verwijzen naar Dexia, maar niet om X te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99. Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkene daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

24. Door de adviseur van X, H. Reuver, is over het eerste contact met B schriftelijk verklaard (zie bijlage 2 bij de conclusie van eis in conventie) dat hij (op verzoek van X) het is geweest die het initiatief heeft genomen om contact op te nemen met B. Aldus moet worden aangenomen dat B het cold calling-verbod niet heeft overtreden, waar Reuvers zich tot B heeft gewend met de vraag om contact op te nemen met X “inzake de pensioenvoorziening”.

25. Vervolgens valt dan meteen op dat X – anders dan in bijna alle gelijksoortige zaken waar mr Hoeksma ook als procureur optreedt – geen statement heeft geproduceerd dat woordelijk is ingelast in de conclusie van repliek in conventie. Ook anderszins heeft X geen verklaring in het geding gebracht c.q. duidelijkheid verschaft over contacten met B. In die conclusie onder 2 wordt hierover zonder nadere redengeving aangevoerd dat X ook naar eigen zeggen niet bij machte is een eigen verklaring te produceren “ten aanzien van de totstandkoming van de Multiclick Effect”. Het enige wat hij weet op te merken is dat hij de door Dexia in punt 15 van de conclusie van antwoord in conventie aangeduide brochure niet heeft gehad. Aldus beperkt X het verschaffen van duidelijkheid over de wijze van totstandkoming van de overeenkomst tot enkel het in het geding brengen van de summiere verklaring van diens financieel adviseur H. Reuver, welke verklaring is gevoegd als bijlage 2 bij de conclusie van eis in conventie.

26. De rechtbank kan weinig anders dan hieruit de conclusie trekken dat het niet X is geweest maar voor hem diens financieel adviseur H. Reuver, die de contacten heeft gestart en onderhouden met B. Dit met het doel om een adequate oudedagsreservering voor X te realiseren die paste en waarmee rekening kon worden gehouden bij de fiscale afwikkeling van de onderneming van X, met welke afwikkeling H. Reuver (ook) was belast. Aldus wordt duidelijk dat het kennelijk alleen H. Reuver moet zijn geweest die zich heeft opgeworpen als aanspreekpunt van X en die ook in de verdere contacten met B zo heeft gefunctioneerd. Weliswaar wordt in de conclusie van eis zonder nadere toelichting aangevoerd dat X B aan huis heeft ontvangen, maar nu over de inhoud van die contacten geheel wordt gezwegen, trekt de rechtbank de juistheid van die mededeling ernstig in twijfel.

27. De bemoeienis van X heeft zich kennelijk beperkt tot het ondertekenen van eerst het aanvraagformulier en vervolgens de overeenkomst. X moet daarbij zijn afgegaan op wat diens adviseur H. Reuver daarover kennelijk heeft geadviseerd, te weten dat X er goed aan deed deze overeenkomst aan te gaan.

28. In de verklaring van H. Reuver is te lezen dat deze – en daarmee X – er mee bekend was dat het hier betrof een “pensioenstorting in een aandelenfonds met koersrisico”. Van de daarmee gepaard gaande risico’s was X zich dus bewust bij het aangaan van deze overeenkomst c.q. mag hier worden aangenomen dat X zich daarvan bewust moet zijn geweest.

29. De pijn zit hem naar zeggen van H. Reuver alleen in het feit dat hij er (kennelijk ook bij zijn advisering hierover aan X) vanuit is gegaan dat sprake was van een gegarandeerde restitutie van de inleg. Dit standpunt van deze adviseur getuigt van een fikse misvatting, want uit met name de overeenkomst blijkt niet van het bestaan van een dergelijke garantie. Het omgekeerde is juist het geval: er wordt alleen rente en geen aflossing betaald en dus moet de voor de aanschaf van de aandelen benodigde lening integraal worden afgelost uit de opbrengst van de aandelen, met alle risico’s van dien. Het staat er onomwonden en voldoende duidelijk voor de financieel onderlegde H. Reuver.

30. Daarbij komt dat het de rechtbank onaannemelijk voorkomt dat terzake dit aandelenleaseproduct niet de brochure ter hand is gesteld, die door Dexia in het geding is gebracht. De rechtbank weet ambtshalve uit vele gelijksoortige zaken dat dergelijke brochures zo goed als altijd werden gehanteerd bij de verkoop van dit soort producten, voor de benodigde tekst en uitleg. Onduidelijk is en blijft waarom dat hier niet zou zijn gebeurd, en de rechtbank gaat er dan ook vanuit dat die folder hier wel degelijk is overhandigd aan H. Reuver in diens contacten met B. Dit ook omdat H. Reuver die brochure vervolgens op zijn beurt heeft kunnen benutten in zijn adviseurscontacten met X. Ook in die brochure staat voldoende duidelijk vermeld dat – kort samengevat - een goede afloop van de overeenkomst afhangt van het goed kunnen verkopen van de aandelen. In elk geval had het op de weg van H. Reuver gelegen om X bij diens advisering hierop te wijzen. In het geval H. Reuver hier een steek heeft laten vallen, dient dit in deze situatie voor rekening en risico van X te blijven.

31. Uit het samenstel van de overeenkomst en de brochure blijkt genoegzaam van het bestaan van een lening ten behoeve van de aanschaf van de aandelen, van vooruitbetaalde rente (en geen aflossingen) en van de leaseconstructie als geheel. Van de financieel onderlegde H. Reuver mocht verwacht worden dat hij dat kon doorgronden en kon “vertalen” voor diens opdrachtgever X.

32. Het is steeds X geweest die eerst de betreffende aanvraagformulieren heeft ingevuld/ondertekend en later de concept-aandelenleaseovereenkomst heeft ondertekend en teruggezonden. Indachtig het hiervoor overwogene, moet dat zijn geschied in aanwezigheid van c.q. op voorspraak van adviseur H. Reuver. Deugdelijk gesteld noch gebleken is dat van de zijde van B anderszins – bijvoorbeeld buiten H. Reuver om – (ook) moeite is gedaan om X te bewegen tot het aangaan van deze aandelenleaseovereenkomst. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat X steeds in (redelijke) rust en niet onder ongepaste druk van een op provisie beluste tussenpersoon, zelf tot het aangaan van de hier relevante overeenkomsten is gekomen na een daartoe strekkend advies van adviseur H. Reuver.

33. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aan X via H. Reuver overhandigde informatie als geheel (en dus inclusief de concept-overeenkomst), niet als ondeugdelijk en misleidend kan worden betiteld. Door X is ook niet gemotiveerd gesteld dat het door Dexia in het geding gebrachte informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is. Immers beperkt X zijn kritiek (anders dan “standaard” is samengevat in de conclusie van repliek in conventie onder “kern van de zaak”) tot het punt dat hij meende en kon menen dat was gegarandeerd dat ongeacht het koersverloop van de aandelen, bij het einde van de overeenkomst altijd de inleg zou worden gerestitueerd.

34. De rechtbank oordeelt dan ook geen aanleiding aanwezig tot enig verder onderzoek naar de door X desondanks gestelde onrechtmatige daad vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader. Dit met name ook nu – zoals hiervoor is overwogen - ter zake de feitelijke inhoud van de veelvuldige vervolgcontacten met B geen relevante feiten zijn gesteld. X blijft immers in zijn stellingname zeer op de vlakte voor wat betreft de weergave waar, hoe en tegenover wie B tekort is geschoten.

35. De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat B in haar relatie tot H. Reuver/X onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen in strijd met de voorschriften van de Vrijstellingsregeling en daarmee in strijd met artikel 7 Wte. Evenmin is komen vast te staan dat zij zich niet heeft gedragen als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van titel 7 :7 BW, immers is niet komen vast te staan dat zij niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend bekwaam vakgenoot dient te handelen. B - en daarmee Dexia - is aldus redenerend, niet aansprakelijk te houden voor de door X gestelde schade.

36. De vordering van X zal worden afgewezen en hij zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

37. De overige geschilpunten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

In reconventie:

38. Tegen het door Dexia in reconventie gevorderde heeft X behalve een verrekeningsverweer met het door hem in conventie gevorderde, geen verweer gevoerd zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

39. De rechtbank acht wettelijke rente over dit bedrag toewijsbaar, waartoe de rechtbank anders dan Dexia wel een ingebrekestelling noodzakelijk acht. Bij gebreke daaraan zal de dag van het instellen van de (reconventionele) vordering worden aangehouden.

X zal in reconventie eveneens in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 465,- aan verschotten en € 904,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

IV. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen € 3.420,12 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 juni 2007 (de datum van het nemen van de conclusie van eis in reconventie) tot aan de dag van de algehele voldoening.

V. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot deze uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 904,-- aan salaris voor de procureur.

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.