Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6953

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
76576 ha za 06-208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76576 ha za 06-208

datum vonnis: 9 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

Annelies X,

wonende te E,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen Dexia,

procureur: mr. J. Vestering.

Procesverloop

In conventie en in reconventie

1. X heeft Dexia bij inleidende dagvaarding van 2 februari 2006 gedagvaard. Na schorsing is de procedure hervat middels een akte van X. Dexia heeft vervolgens een conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie genomen. X heeft een conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermindering van eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie en antwoordakte. Na conclusie van dupliek in reconventie hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

In conventie en in reconventie

2. X heeft op of omstreeks 31 maart 2000 bij (F.A. van Sonsbeek werkzaam bij) Spaar Select B.V. (hierna: Spaar Select), een toenmalige cliëntenremisier van Dexia, een zogenaamd “Bank Labouchere-product” afgenomen.

3. Het betreft hier een overeenkomst met de aanduiding “Allround Effect met maandbetaling”, die voor de duur van 240 maanden is afgesloten onder nummer 39780901 (zie bijlage 1 bij de conclusie van eis in conventie). Volgens deze overeenkomst diende X gedurende 240 maanden maandelijks een bedrag van € 136,13 aan Dexia te voldoen. Dit bedrag betreft rente over en aflossing van de lening die is afgesloten voor de aankoop van het in de overeenkomst aangeduide certificaat met de aanduiding “Labouchere AEX Plus Certificaat uitgegeven conform prospectus d.d. 25 maart 1999”. Voor de hoofdsom van € 12.765,73 is hierin geïnvesteerd. X heeft 67 maandtermijnen voldaan, te weten in totaal € 9.120,71. De totaal overeengekomen leasesom bedraagt

€ 32.672,16.

4. Deze overeenkomst is per 11 juli 2006 tussentijds beëindigd. Het genoemde certificaat is om die reden te gelde gemaakt. De opbrengst bleek onvoldoende om de restant-hoofdsom te voldoen. De hiervan opgemaakte eindafrekening van 11 juli 2006 (zie bijlage 4 bij de conclusie van antwoord in conventie) toont een tekort van € 2.141,79, welk bedrag tot op heden niet door X aan Dexia is voldaan.

5. Bij brief van 22 december 2005 heeft X Dexia aansprakelijk doen stellen, de lease-overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd het bedrag der betaalde termijnen te restitueren. Dit baseert X op het zodanig tekortschieten van Dexia in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, dat X gerechtigd is de lease-overeenkomst te ontbinden; tevens beroept X zich op de bepalingen van de Wet Consumenten Krediet (WCK), met name het ontbreken van de vereiste vergunning ex artikel 9 van die wet en dienvolgens nietigheid van de lease-overeenkomst.

6. X heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat zij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

In conventie

7. X vordert na wijziging van eis bij repliek:

I. Verklaring voor recht dat de lease-overeenkomst nietig is, of;

II. Te verklaren voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld

en deswege schadeplichtig is;

II. Dexia te veroordelen tot betaling van € 8.049,81;

III. Het bedrag sub II te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de

deelbetalingen althans vanaf de dag van verzuim c.q. de dag van de dagvaarding;

IV. Te verklaren voor recht dat de restschuld van X vervallen is, althans die

vervallen te verklaren;

V. Dexia te bevelen op straffe van een dwangsom het BKR op te dragen de A-notering

op naam van X ongedaan te maken;

VI. Een en ander met kostenveroordeling van Dexia en uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

8. Bij repliek vult X de grondslag van haar vordering aan met de stelling dat Dexia jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het feit dat het optreden van Spaar Select als zodanig is te kwalificeren en Dexia in het verlengde daarvan eveneens, zulks in de zin van meer vergelijkbare uitspraken van deze rechtbank.

9. Dexia heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door X gevorderde onder aanvoering van - kort samengevat - het volgende. Dexia stelt dat deze aandelenleaseovereenkomst (een zogenaamd certificaatproduct waarbij geen aandelen worden aangekocht) is afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select, die X ter zake heeft geïnformeerd en geadviseerd. Na getoonde interesse van X in het aandelenlease-product heeft Spaar Select haar een aanvraagformulier voor dit product verschaft en Dexia heeft dat door X ondertekend retour ontvangen. Vervolgens heeft Dexia - na toetsing van X bij het BKR – de overeenkomst aan Spaar Select verstuurd. Dexia stelt daarmede aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

10. Voorts betwist Dexia hier de toepasselijkheid van de Wet Consumenten Krediet, stelt dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van X.

11. Ten aanzien van het optreden van Spaar Select als effectenbemiddelaar, zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellingsregeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995 zulks vanwege de omstandigheid dat SPAAR SELECT niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en /of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van deze overeenkomst leidt: niet de overeenkomst zelf is strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens steeds het handelen van de tussenpersoon.

12. Het ontbreken van een vergunning op basis van de Wck acht Dexia geheeld vanwege het feit dat Dexia ingaande 1 januari 2006 beschikt over een vergunning ex artikel 10 van de Wet financiële Dienstverlening, die blijkens artikel 102 Wfd de Wck-vergunning vervangt en mitsdien ex artikel 32:58 BW het eerder ontbreken van een vergunning repareert.

13. Naar aanleiding van de door X nader gestelde grond van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomst steeds duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomst niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk steeds onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden. Wat betreft de BKR-notering stelt Dexia slechts tot enige mededeling en niet tot wijziging of doorhaling van die registratie gehouden (en veroordeeld) kan worden.

14. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door haar genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in haar vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

In reconventie

15. In reconventie vordert Dexia X te veroordelen tot betaling van de restschuld ad € 2.141,79 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit met veroordeling van X in de kosten van dit geding. Een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

16. Dexia stelt daartoe dat X voormeld bedrag opeisbaar verschuldigd is geworden op basis van de desbetreffende eindafrekening.

17. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in reconventie gevorderde onder aanvoering van hetgeen van de zijde van X in conventie is aangevoerd. Het bedrag van de restschuld lost zich op in de door de rechtbank toe te passen formule. De vervallenverklaring van de restschuld is onderdeel van wat in conventie wordt gevorderd.

De beoordeling

In conventie

Wet Consumenten krediet

18. De rechtbank handhaaft haar standpunt dat de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is als na te melden. De rechtbank oordeelt de WCK op deze overeenkomst Allround Effect met maandbetaling niet van toepassing nu sprake is van overschrijding (leasesom: € 32.672,16) van het hier voor de toepassing van de WCK geldende “beschermingsplafond” van € 22.652,--.

Zorgplicht; onrechtmatige daad

19. Anders dan X ziet de rechtbank de overeenkomst Allround Effect met maandbetaling niet als een beleggingsovereenkomst. Immers zoals duidelijk uit deze overeenkomst blijkt is het voor- of nadeel uitsluitend gerelateerd aan de eindkoers ten opzichte van de beginkoers van het “Labouchere AEX Plus Certificaat uitgegeven conform prospectus d.d. 25 maart 1999”, als factor ten opzichte van de (geleasede) hoofdsom. De rechtbank kwalificeert dit als een eenvoudige kansovereenkomst zonder zelfstandig beleggingskarakter, ten aanzien waarvan niet enige en ten deze relevante zorgplicht, als bijvoorbeeld voortvloeiende uit NR 99, voor Dexia heeft te gelden.

20. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de gevorderde ontbinding, vernietiging en/of onrechtmatige daad en de daarop gegronde respectievelijk van afgeleide vorderingen van X allen afgewezen dienen te worden met veroordeling van X als in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van Dexia.

In reconventie

21. De vordering uit hoofde van de restschuld ad € 2.141,79 is in principe toewijsbaar, de opeisbaarheid is door X niet bestreden en de wettelijke rente is daarover verschuldigd vanaf 4 juli 2007, de datum waarop de vordering in reconventie is aanhangig gemaakt.

22. X dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die in het geding in reconventie (1 punt) zijn gevallen aan de zijde van Dexia.

De beslissing

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia gevallen

en tot op deze uitspraak begroot op € 296,-- aan verschotten en € 768,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:

IV. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen een bedrag van € 2.141,79 te

vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 juli 2007 tot aan de dag

van de voldoening.

V. Veroordeelt X in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia

gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 384,-- aan salaris voor de procureur.

VI. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.