Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6947

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
81051 ha za 984 van 2006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 81051 ha za 984 van 2006

datum vonnis: 9 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te E,

eiseres,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser.

Procesverloop

X heeft Dexia bij inleidende dagvaarding van 20 september 2006 gedagvaard. Na een akte van schorsing van Dexia is de procedure middels een akte tot hervatting d.d.

11 april 2007 hervat en heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie genomen.

Na een conclusie van repliek en akte vermeerdering van eis zijdens X en een conclusie van dupliek van Dexia, gevolgd door een akte uitlating producties van X, hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

1. Eiseres Stephenie X heeft van haar destijds in Enschede en thans in Gronau (BRD) wonende vader, Henk X, last gekregen een vordering op eigen naam tegen Dexia in te stellen (HR NJ 2005, 41).

Dexia heeft bij conclusie van antwoord deze last betwist, naar aanleiding waarvan zij een schriftelijke verklaring daaromtrent van haar vader Henk bij repliek (productie 7) heeft overgelegd en nadien Dexia op dat punt niet is teruggekomen.

De rechtbank acht daarmede Stephenie X als zodanig als lasthebster ontvankelijk en zal hierna onder de benaming “X” de positie van haar vader als materiële procespartij bezien.

Feiten

2. Via kennissen is X in contact gekomen met ene P. van der Zee te Borne, die X op diens verzoek heeft geadviseerd een drietal Profit Effect’s Vooruitbetaling af te sluiten, teneinde makkelijker van zijn schulden af te komen.

3. Op 31 mei 2000 sloot X dienvolgens drie identieke overeenkomsten Profit Effect’s Vooruitbetaling onder de nummers 56083941/42/43 (productie 3 dagvaarding).

Per overeenkomst bedroeg het aankoopbedrag van de aandelen (Ahold, ING, Kon. Olie, Unilever) een bedrag van € 4.435,74, de tijdens de looptijd van 120 maanden van de overeenkomst te betalen rente € 5.500,80, derhalve een totaal overeengekomen leasesom van € 9.936,54.

4. Van elk der overeenkomsten bedroeg de maandelijkse leasetermijn een bedrag van

€ 45,84 (uitsluitend bestaande uit een rentecomponent, geen aflossing), waarvan de eerste

36 termijnen (minus 10% korting) ineens met een bedrag van € 1.485,36 door X zou worden voldaan.

Aan het einde van de overeenkomst diende X het restant, i.e. de hoofdsom, ten bedrage van € 4.435,74 terug te betalen, dat in principe met de (verkoop-)opbrengst van de aandelen zou worden verrekend.

5. Behalve de drie vooruitbetalingen van elk € 1.485,36 voldeed X daarna ook nog op elke overeenkomst 37 termijnen van € 45,84 oftewel € 1.696,08.

Per overeenkomst voldeed X derhalve € 3.181,04, in totaal op alle drie € 9.543,12.

6. Om niet nader gemotiveerd verzoek van X zijn de overeenkomsten per eind

juni 2006 tussentijds beëindigd en is X door Dexia voor drie identieke restschulden van elk € 2.356,86, in totaal € 7.070,58, aangeslagen (productie 4 dagvaarding).

De vordering

7. Bij brief van 17 juli 2006 heeft X Dexia aansprakelijk gesteld, de overeenkomsten Profit Effect’s buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en Dexia gesommeerd tot terugbetaling van zijn inleg, conform een formule dezer rechtbank (productie 5 dagvaarding).

8. X vordert inclusief de bij repliek vermeerderde eis:

I. Verklaring voor recht dat de overeenkomsten Profit Effect’s Vooruitbetaling nietig zijn,

althans Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en Dexia deswege

schadeplichtig is.

II. Dexia te veroordelen tot voldoening aan X van € 6.009,03.

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden deelbetalingen zijn verricht, althans Dexia in verzuim verkeert

(15 augustus 2006), althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der betaling.

IV. Dexia te veroordelen op straffe ener dwangsom het BKR op te dragen de A-notering van

X ongedaan te maken.

V. Voor recht te verklaren dat de restschulden van X als genoemd in de dagvaarding

vervallen zijn.

VI. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VII.Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

9. X baseert de vorderingen op de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet (WCK) respectievelijk het niet inachtnemen door Dexia van haar zorgplicht ingevolge de Wet Toezicht Effectenverkeer (WTE), althans het niet vrijgesteld zijn van Van der Zee van een vergunning in de zin van die wet.

Het verweer (kort samengevat)

10. Omtrent de overeenkomsten Profit Effect’s Vooruitbetaling is X door

Van der Zee geïnformeerd en geadviseerd aan de hand van de brochure, toelichtende brief, aanvraagformulieren en (concept)overeenkomsten.

De WCK acht Dexia op deze overeenkomsten niet van toepassing en aan haar zorgplicht (in de zin van NR99) zegt zij onder meer middels het vorenstaande en de informatie bij het BKR te hebben voldaan, terwijl Van der Zee als cliëntenremisier was vrijgesteld van enige vergunningsplicht in de zin van WTE).

11. Voor alles stelt Dexia dat X handelt in strijd met diens substantiëringsverplichting ex artikel 111 lid 3 Rv, aangezien verzuimd alle bekende verweren in de dagvaarding op te nemen.

Voorts betwist Dexia het causaal verband van de gestelde schade c.q. de hoogte ervan, onder meer vanwege het feit dat aan X een bedrag van € 1.657,47 aan dividend is uitgekeerd of verrekend, verder sprake is van eigen schuld van X, wettelijke rente eerst verschuldigd kan zijn vanaf verzuim en de voorwaardelijke eis in reconventie wel genoemd, maar niet ingesteld is, echter voor zoveel nodig wel een beroep op verrekening wordt gedaan. Dexia concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de vorderingen van X.

De beoordeling

12. De drie overeenkomsten Profit Effect’s Vooruitbetaling genummerd 56083941/42/43 d.d. 31 mei 2000 staan tussen partijen vast evenals de totaal per overeenkomst overeengekomen leasesom van € 9.936,54, het feit dat X per overeenkomst € 3.181,04 aan lease(=rente)termijnen heeft voldaan en hem € 1.657,47 dividend is uitgekeerd c.q. verrekend.

Voorts dat na tussentijdse beëindiging van de overeenkomsten door X per overeenkomst per 26 juni 2006 een restschuld van € 2.356,86 is gebleven, derhalve in totaal op de drie overeenkomsten € 7.070,58.

WCK

13. De rechtbank handhaaft haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt, dat de WCK op aandelenleaseovereenkomsten van toepassing is.

Voor de beoordeling van de toepasselijkheid in deze zaak neemt de rechtbank de drie overeenkomsten Profit Effect’s wat betreft de overeengekomen leasesommen tezamen, waar die overeenkomsten identiek zijn, exact dezelfde bedragen kent en tegelijkertijd op dezelfde datum gesloten.

Het totaal dezer leasesommen overtreft het op 31 mei 2000 geldende plafondbedrag van de WCK ad € 22.652,--, zodat de WCK om die reden toepassing mist.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Van der Zee

14. Ten aanzien van de overeenkomst is derhalve de gestelde onrechtmatige daad als grondslag voor de vordering van X te bezien:

a. Van der Zee is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat hij zijn activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of Van der Zee zich beperkt heeft tot het aanbrengen van X als klant bij Dexia of dat Van der Zee verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaak gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan Van der Zee toegestaan om X te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om haar door te verwijzen naar Dexia, maar niet om X te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99. Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkenen daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

f. Op grond van de door partijen ingenomen stellingen moet worden aangenomen dat

Van der Zee het cold calling-verbod niet heeft overtreden, waar X zich zelf tot

Van der Zee heeft gewend en hem vervolgens een constructie is gepresenteerd waarmede hij versneld zijn schulden zou kunnen aflossen.

g. Met betrekking tot hetgeen door Van der Zee verricht is om zich een beeld te vormen van de financiële positie en beleggingsdoelstellingen en ervaring van X, blijkt van door Van der Zee van X mondeling ingewonnen informatie, het verstrekken van de voor Profit Effect’s toepasselijke brochure als productinformatie en het verschaffen van schriftelijke toelichting in een aparte brief, zulks naast de (concept)overeenkomsten, die ook de nodige informatie omtrent het product geven.

h. Op zich is daarmede door Van der Zee het nodige verricht, zij het dat uit het persoonlijke statement van X, opgemaakt zes jaar na dato, dat zij zich thans weliswaar voornamelijk de positieve kanten van het advies van Van der Zee herinnert, maar haar geen onvoorwaardelijk en gegarandeerd succes is voorgehouden en anderzijds het risico van een restschuld haar kennelijk niet duidelijk is geworden.

Waar X zelf echter aangeeft voor de zekerheid de brochure, waaruit dat risico bleek, destijds in het geheel niet gelezen te hebben, ziet de rechtbank aanleiding dat risico geheel voor haar rekening te laten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met het voorgaande niet worden aangenomen dat

Van der Zee zich niet gedragen heeft als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van artikel 7:7 BW en niet gehandeld zou hebben als een redelijk bekwaam vakgenoot dient te handelen.

i. Daarnaast blijft te beoordelen in hoeverre Van der Zee, handelend als cliëntenremisier, de voorschriften van de Vrijstellingsregeling heeft overtreden en daarmede in strijd heeft gehandeld met artikel 7 WTE.

Anders dan in door X aangehaalde jurisprudentie dezer rechtbank, ziet de rechtbank naar aanleiding van het door X gestelde in de wijze van totstandkoming van de overeenkomsten Profit Effect’s noch nadien enige vorm van beleggingsadviezen aan X, althans handelingen die in strijd zijn met die Vrijstellingsregeling, waarop X een vordering tegen Dexia zou kunnen doen steunen.

j. Het voorgaande leidt ertoe dat het optreden van Van der Zee bij de totstandkoming van de Profit Effect’s niet zodanig is geweest dat Dexia in dat kader onrechtmatig handelen jegens X kan worden verweten.

Met name gezien het als hiervoor overwogen voor X beschikbaar geweest zijnde (informatie)materiaal, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin gezegd worden dat Dexia haar zorgplicht op dit punt geschonden heeft.

Ook het enkel op Profit Effect’s gerichte aanvraagformulier van X, dat Dexia via

Van der Zee heeft bereikt, had Dexia niet om die reden tot andere gedachten moeten brengen.

Conclusies

15. Het door X gestelde kan haar vorderingen niet dragen en deze zullen worden afgewezen.

X zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 296,-- aan griffierechten en € 768,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.