Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6945

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
83663 ha za 07-122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 83663 ha za 07-122

datum vonnis: 9 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te Hengevelde,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser,

advocaat: mr. H. Post te Helmond.

Het procesverloop

1. De bij tussenvonnis van 24 oktober 2007 bevolen comparitie van partijen is op

28 november 2007 gehouden en het daarvan opgemaakte procesverbaal bevindt zich bij de stukken.

Direct na de comparitie hebben partijen zonder verder concluderen wederom vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De vordering (kort samengevat)

2. In 1998 heeft X een uit de krant geknipte advertentie omtrent enig beleggingsproduct aan Hoevelaken Advies ingezonden, naar aanleiding waarvan contact met haar is opgenomen en enig foldermateriaal van thans onbekend karakter is gezonden.

Dit resulteerde in het op 8 mei 1998 door X afsluiten van een Triple Effect onder nummer 51006589 (dagvaarding productie 2).

3. Het totaal van de overeengekomen leasesom bedroeg f 100.665,12.

Op het Triple Effect diende X gedurende de looptijd van 36 maanden, maandelijks een bedrag van f 493,22 bij vooruitbetaling te voldoen.

4. Verdere voorwaarden (voor zover van belang):

3c. Aan het einde van de lease-overeenkomst bedraagt de (nog te betalen) restant van de

leasesom f 82.809,20, hetwelk in principe verrekend wordt met de verkoopopbrengst van

de waarden.

5. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-

overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease

verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de

waarden geworden.

5. Na ommekomst van de looptijd van 36 maanden had X volgens eigen stelling een enorme schuld die zij niet uit eigen middelen kon voldoen, zodat zij niet anders kon dan een verlengde -wederom voor 36 maanden- overeenkomst Triple Effect d.d.

8 mei 2001 aangaan (productie 3 dagvaarding).

Na verloop van deze periode werd X op 7 mei 2004 aangeslagen voor een restschuld van € 14.747,32 (productie 4 dagvaarding).

In totaal stelt X op de Triple Effects 71 termijnen van € 235,14 oftewel een bedrag van € 16.694,94 te hebben voldaan.

6. Bij brief van 27 december 2006 (productie 5 dagvaarding) heeft X Dexia aansprakelijk gesteld, de Triple Effect de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van haar ingelegde gelden, zulks met inachtname van een billijkheidscorrectie.

7. Het voorgaande baseert X onder meer op de bepalingen van de volgens haar ten deze toepasselijke Wet Consumenten Krediet respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 dezer wet zulks in de zin van de aandelenlease-jurisprudentie dezer rechtbank (Dexia-Cosar LJN AS 4746 e.v.) zomede de schending door Dexia van de te zijnen aanzien in acht te nemen zorgplicht bij het aangaan van die overeenkomsten respectievelijk het onrechtmatig optreden van (de medewerker van) Hoevelaken Advies.

8. X vordert:

I. Voor recht te verklaren dat de overeenkomst Triple Effect nietig is, althans deze

nietig te verklaren, althans deze te ontbinden, althans te verklaren dat deze

buitengerechtelijk is ontbonden, althans dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en

deswege schadeplichtig is.

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting het

bedrag ad € 9.321,28.

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van totstandkoming

der overeenkoms, althans de dagen dat de onderscheiden betalingen zijn verricht, althans

de dag dat Dexia in verzuim (15 januari 2007) verkeert, althans vanaf de dag der

dagvaarding, tot aan de dag der betaling.

IV. Vervallenverklaring van de restschuld van X.

V. Dexia te bevelen op straffe ener dwangsom de BKR-notering van X

ongedaan te maken.

VI. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VII. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

9. Dexia stelt dat de aandelenleaseovereenkomst Triple Effect is afgesloten via de assurantietussenpersoon Hoevelaken Advies B.V. die X ter zake heeft geïnformeerd en geadviseerd. Na getoonde interesse van X heeft Hoevelaken Advies haar een aanvraagformulier verschaft en de Bank heeft die door X ondertekend retour ontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomst aan Hoevelaken Advies verstuurd.

Dexia stelt aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

In dat kader stelt Dexia dat de door X ingeroepen NR99 op de op

8 mei 1998 gesloten Triple Effect niet van toepassing (kunnen) zijn.

10. Voorts stelt Dexia (onweersproken ter comparitie) dat de (eerste) Triple Effect niet met een enorme schuld, maar met een voordelig saldo van € 3.065,-- (waarde aandelen

€ 40.687,68/lening € 37.622,56) voor X afliep en haar alstoen drie mogelijkheden zijn geboden: verlenging van de overeenkomst, verkoop van de aandelen en verrekening van een daaruit voortvloeiend saldo dan wel overname van de aandelen.

X koos voor de eerste optie: verlenging.

Dexia stelt (ter comparitie) in totaal € 16.741,56 van X te hebben ontvangen, waarvan € 8.684,40 op de tweede verlengde overeenkomst.

Voorts heeft X uit hoofde van de overeenkomsten van een bedrag van

€ 1.639,23 aan dividend uitgekeerd gekregen, dat zij nalaat in haar vordering te betrekken.

11. Dexia doet voor alles een beroep op het niet-inachtnemen door X in de dagvaarding van de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv.

12. Ten aanzien van het optreden van Hoevelaken Advies als effectenbemiddelaar zodanig, dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellings-regeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995, zulks vanwege de omstandigheid dat Hoevelaken Advies niet enkel X als klant bij de Dexia heeft aangebracht, maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en/of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomst leidt: niet de overeenkomst zelf is strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

13. Naar aanleiding van de door X gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomsten duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat, maar over een geldlening, X middels het kiezen en sluiten van de verlengde Triple Effect (productie 3 dagvaarding) derhalve beter wist, de door X ingeroepen bepalingen van NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar haar financiële positie onder meer middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden.

14. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door haar genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in haar vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

Reconventie

15. In reconventie vordert Dexia de bestaande restschuld ad € 14.707,72 vermeerderd met contractuele, althans wettelijke rente.

Volgens X lost deze vordering zich op in de in conventie toe te passen restitutieformule.

De beoordeling

In conventie

16. De overeenkomst Triple Effect d.d. 8 mei 1998 en de verlengde daarvan d.d.

8 mei 2001 onder nummer 51006589 staan tussen partijen vast evenals het feit dat X daarop in ieder geval in totaal € 16.741,56 heeft voldaan zomede een bedrag van

€ 1.639,23 aan dividend heeft uitgekeerd gekregen en die overeenkomst inmiddels is geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen looptijd.

Wet Consumenten Krediet

17. De rechtbank acht de WCK ten deze niet van toepassing vanwege overschrijding van het op 8 mei 1998 respectievelijk 8 mei 2001 geldende grensbedrag van € 22.652,-- c.q.

€ 40.840,--: beslissend is de totale kredietsom en dat is de leasesom ad € 50.602,--.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Hoevelaken Advies/Dexia

18. Ten aanzien van de overeenkomst is derhalve de gestelde onrechtmatige daad als grondslag voor de vordering van X te bezien:

a. X heeft in het voorjaar van 1998 zelf het initiatief richting Hoevelaken Advies genomen, naar aanleiding waarvan zij foldermateriaal inzake Triple Effect heeft ontvangen, nadere telefonische contacten hebben plaatsgevonden en haar een concept-overeenkomst is gezonden, die zij zegt eerst enige tijd terzijde te hebben gelegd alvorens die getekend weer terug te sturen.

b. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat X in 1998 steeds in redelijke rust en niet onder druk van (het bezoek van) enige op provisie beluste tussenpersoon zelf tot het aangaan van de overeenkomst is gekomen.

c. X zelf heeft geen foldermateriaal overgelegd, terwijl de Dexia overgelegde folder Triple Effect (productie 3 conclusie van antwoord) voldoende duidelijk een mogelijk negatief resultaat aan het einde van de looptijd van de overeenkomst aangeeft, de (concept-)overeenkomsten evenmin als ondeugdelijk en misleidend kunnen worden betiteld. Daarin wordt onder meer voldoende duidelijk gemaakt dat (een aanzienlijk bedrag aan) rente moet worden betaald en dat een hoofdsom resteert die moet worden afgelost uit de opbrengst van de te verkopen aandelen.

Overigens is door X ook niet gesteld, dat het door haar ontvangen informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is.

Immers beperkt X haar kritiek tot het punt dat zij onvoldoende is gewezen op risico’s die samenhangen met beleggen in aandelen: namelijk dat bij een waardedaling die restschuld niet geheel wordt voldaan en er dus bijbetaald moet worden respectievelijk dat zij na afloop van de (eerste) Triple Effect met een “enorme” schuld werd geconfronteerd.

d. De rechtbank is van oordeel dat deze kritiek onvoldoende hout snijdt. In de in het geding gebrachte documentatie wordt voldoende duidelijk gewezen op de mogelijkheid van minder goede afloop en op de mogelijkheid van verlengen “in afwachting van betere tijden”.

De rechtbank ziet dan ook ter zake van de in 1998 gesloten overeenkomst Triple Effect geen aanleiding tot enig verder onderzoek naar de door X desondanks gestelde onrechtmatige daad vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader.

e. Ten aanzien van het aangaan van de verlengde Triple Effect per 8 mei 2001 geldt, dat X alstoen niet alleen op de hoogte was van de (eventuele) consequenties van (voortzetting van) een dergelijke overeenkomst, maar aan haar drie mogelijkheden werden geboden, te weten: verkoop van de aandelen met verrekening van de opbrengst, overname van de aandelen c.q. het sluiten van een verlengde overeenkomst.

f. Ter comparitie is door Dexia, geadstrueerd met cijfers, gesteld dat na afloop van de eerste door X gesloten Triple Effect voor haar een positief saldo van € 3.065,-- resulteerde, hetgeen niet door haar is weersproken of anderszins weerlegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dienvolgens voor X geen sprake geweest van een dwangpositie, die haar noopte tot het kiezen voor een verlenging, zij heeft met de keuze voor verlenging ingezet op de komst van betere tijden met achteraf voor haar negatief resultaat.

g. De conclusie is dat ook ten aanzien van de verlengde Triple Effect-overeenkomst in het door X gestelde geen grondslag kan worden gevonden voor een onrecht-matige daad van (Hoevelaken Advies of) Dexia.

19. De vordering van X zal worden afgewezen en zij zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

In reconventie

20. Onder verwijzing naar het hiervoor in conventie overwogene staat tussen partijen vast de overeenkomst(en) Triple Effect, de daaruit ten laste van X voortgevloeide restschuld van € 14.707,72.

Tegen de verschuldigdheid ervan is door X geen verder verweer gevoerd dan dat deze vordering zich diende op te lossen in een restitutieformule.

21. Nu van toepassing van een restitutieformule in deze zaak geen sprake is, kan de vordering van Dexia niet dienovereenkomstig worden opgelost.

Bij gebreke van ander verweer is de vordering van Dexia als zodanig toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

Ook in reconventie zal X als in het ongelijk gesteld in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank rechtdoende:

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en

tot op deze uitspraak begroot op € 300,-- aan griffierechten en € 1.356,-- aan salaris

voor de procureur.

In reconventie:

III. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen een bedrag van € 14.707,72

(veertienduizendzevenhonderdenzeven EURO 72/100) vermeerderd met wettelijk rente

vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der voldoening.

IV. Veroordeelt X in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en

tot op deze uitspraak begroot op nihil aan griffierechten en € 678,-- aan salaris voor de

procureur.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In conventie en reconventie:

VI. Verklaart van het dictum in conventie punt II. en in reconventie punt III. en IV.

uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van der Veer en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.