Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6943

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
80786 ha za 06-929
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 80786 ha za 06-929

datum vonnis: 9 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X en

Y,

beiden wonende te L,

eiser in conventie,

verweerders in reconventie,

verder te noemen X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen Dexia,

advocaat: mr. H. Post te Helmond,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser.

Procesverloop

De bij tussenvonnis van 17 oktober 2007 bevolen comparitie van partijen is op

29 november 2007 gehouden, het daarvan opgemaakte procesverbaal bevindt zich bij de stukken.

Direct na de comparitie is de zaak naar de rol verwezen voor het wijzen van vonnis.

De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vordering van X

1. In het begin van 1999 is X benaderd door Spaar Select B.V. en heeft met Labouchère N.V., rechtsvoorganger van Dexia, een aandelenlease-overeenkomst genaamd Direct Rendement Effect nummer 25302100 d.d. 25 februari 1999 gesloten (productie 1 dagvaarding).

De looptijd was 180 maanden, de totaal overeengekomen lease-som bedroeg € 19.028,70 en de maandelijkse renteverplichting € 68,59. Betreffende dat laatste voldeed X

83 termijnen oftewel € 5.692,97.

2. Aan het einde van de leaseovereenkomst diende X € 6.638,02 te voldoen eventueel te verrekenen met de verkoopopbrengst van de geleasede aandelen.

Zodra X alles betaald zou hebben, wat hij krachtens de leaseovereenkomst verschuldigd was of zou worden, zou hij automatisch en van rechtswege eigenaar worden van die aandelen.

3. X heeft tot begin 2006 termijnen voldaan, maar vanwege (dreigende) restschuldverplichtingen bij brief van 15 juni 2006 Dexia aansprakelijk gesteld, de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en Dexia gesommeerd tot terugbetaling van zijn inleg (productie 2 dagvaarding).

4. De echtgenote van X, Y, heeft eveneens bij brief van

15 juni 2006 de overeenkomst Direct Rendement Effect buitengerechtelijk vernietigd ex artikelen 1:88 en 89 BW (productie 3 dagvaarding).

5. Dexia heeft vervolgens de aandelen verkocht en X aangeslagen voor de restschuld ad € 1.759,05 volgens eindafrekening d.d.18 juli 2006 (productie 5 dagvaarding).

6. X stelt dat de Overeenkomst op grond van bepalingen van de Wet Consumenten Krediet (WCK) nietig is en vordert op die grond:

I. Verklaring voor recht dat de Overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd is althans deze te vernietigen althans deze nietig is.

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen € 5.692,97 althans € 4.813,44.

III. Voornoemd bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf betalingsdatum der termijnen althans 1 juli 2006 althans de dag der dagvaarding.

IV. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

V. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7. Bij conclusie van repliek vermeerdert X zijn vordering met de (aangevulde) grond van een onrechtmatige daad van Dexia voorafgaande en ten tijde van het aangaan van de Direct Rendement Effect en de door Dexia geschonden normen van de WTe en daarop gebaseerde regelingen.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

8. De eerste overeenkomst Direct Rendement Effect d.d. 25 februari 1999 is afgesloten door bemiddeling van Spaar Select B.V., die aan X de brochure en aanvraagformulier ter beschikking hebben gesteld. Dat laatste is door de Bank ontvangen, naar aanleiding waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen.

9. Uit hoofde van de overeenkomst is aan X een bedrag van € 1.182,30 aan dividend uitgekeerd, waarvan € 88,83 is verrekend.

10. Aan het einde van de looptijd heeft Dexia de aandelen verkocht (productie 4 dagvaarding) staat nog een bedrag aan restschuld van € 1.759,05 open, welk bedrag zij in reconventie vordert.

11. Voor alles beroept Dexia zich erop dat X zich niet aan de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv heeft gehouden, betwist de toepasselijkheid van de WCK op deze overeenkomst, verzet zich tegen de gevorderde nietigverklaring.

De door X bij vermeerdering van eis opgevoerde nadere grondslagen acht Dexia ondeugdelijk onderbouwd en in de conclusie van antwoord reeds weerlegd.

12. Dexia is van mening dat aandelenleaseovereenkomsten als de onderhavige niet onder (de bepalingen van) huurkoop vallen en het beroep op vernietiging uit dien hoofde niet opgaat.

In reconventie

13. Dexia vordert het bedrag van € 7.549,26 aan nog openstaande restschuld zulks vermeerderd met contractuele althans wettelijke rente.

De beoordeling

In conventie

14. De hierboven onder (1) en (2) weergegeven overeenkomst Direct Rendement Effect van 25 februari 1999 staat tussen partijen vast.

Dit geldt tevens voor de door X betaalde inleg ad € 5.692,97, het door hem ontvangen dividend ad € 1.182,30 waarvan € 88,83 is verrekend en de na afloop van de overeenkomst voor hem gebleven restschuld ad € 1.759,05.

15. De rechtbank handhaaft haar eerder in aandelenleasezaken als de onderhavige ingenomen standpunt dat de bepalingen van de Wet op het Consumentenkrediet ten deze toepasselijk zijn.

16. Wet op het consumentenkrediet (WCK)

16.1 In de WCK wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1WCK).

16.2 De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia X een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover X periodiek rente diende te betalen en welk bedrag X aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

16.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

16.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van X, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan X kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

16.5 De hiertegenover staande opvatting, die volgt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

16.6 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-Cosar (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte.

16.7 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

16.8 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

16.9 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

17.1 Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

17.2 Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan X en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van X, waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van X komen. Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van X, nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts dient Dexia de door X betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug te betalen, evenzo X aan Dexia het door hem ontvangen dividend.

17.3 In casu is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom.

Gelet hierop, in het licht van artikel 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van `som van de restschuld ad € 1.759,05, voor X verrekend met de door hem betaalde (rente)termijnen ad € 5.692,97 respectievelijk ontvangen en aan hem uitgekeerd dividend ad € 1.093,47, dienen te dragen.

Dit betekent dat in conventie dat de door X gevorderde hoofdsom tot een bedrag van (€5.692,97 - € 1.759,05) : 2 = € 1.966,96 - € 1.093,47 = € 873,49, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2006 zal worden toegewezen.

18. De overige gronden c.q. weren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomst geen bespreking.

19. Waar partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

In reconventie

20. Gezien het in conventie overwogene wordt aan die vordering van Dexia niet meer toegekomen en wordt deze afgewezen met compensatie van de proceskosten.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Verklaart voor recht dat de overeenkomst Direct Rendement Effect nummer 25302100 d.d. 25 februari 1999 nietig is.

II. Veroordeelt Dexia tot betaling aan X van een bedrag van € 873,49 (achthonderddrieenzeventig EURO negenenveertig eurocent) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2006 tot aan de dag der voldoening.

III. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

IV. Verklaart het vonnis onder (II.) uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VI. Wijst af de vordering van Dexia.

VII. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.