Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6942

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
74292 ha za 06-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 74292 ha za 06-8

datum vonnis: 9 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X en Y,

echtelieden,

wonende te O,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

procureur: mr. J. Vestering,

advocaat: mr. H. Post te Helmond.

Het procesverloop

1. De bij tussenvonnis van 14 november 2007 bevolen comparitie van partijen is op

18 december 2007 gehouden, het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Na afloop van de comparitie is de zaak naar de rol verwezen voor het wijzen van vonnis.

De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vordering (kort samengevat)

2. Door tussenkomst van Bernsen Fianciële Diensten VOF, een cliëntenremisier van Bank Labouchere (rechtsvoorgangster van Dexia), heeft X in november 2000 een offerte genaamd Prognose Triple Effect ontvangen (productie 2 dagvaarding).

Dit resulteerde in het op 7 december 2000 door X afsluiten van een Triple Effect Maandbetaling onder nummer 51786925 (productie 1 dagvaarding).

3. Het aankoopbedrag van de (achterliggende) aandelen bedroeg € 19.545,30, de totaal te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomsten € 4.101,12, zodat het totaal van de overeengekomen leasesom bedroeg € 23.646,42.

Op het Triple Effect diende X gedurende de looptijd van 36 maanden maandelijks een bedrag van € 113,92 bij vooruitbetaling te voldoen.

4. Verdere voorwaarden (voor zover van belang):

2. Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van

36 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden.

......

6. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze leaseovereenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.

5. Na afloop van de overeenkomst bleek er een restschuld te bestaan en heeft X noodgedwongen moeten kiezen voor verlenging van de overeenkomst, hetgeen hij onder protest heeft gedaan (productie 4, 5 en 6 dagvaarding).

Bij brief van 10 januari 2005 (productie 7 dagvaarding) heeft X Dexia aansprakelijk gesteld, bij brief van zijn raadsman van 28 februari 2005 zulks wederom, de Triple Effect overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van zijn ingelegde gelden, zulks -subsidiair- met inachtname van een billijkheidscorrectie, uitgaande van een berekende restschuld per 27 september 2005 van € 9.338,64, waarvoor Dexia X bij het BKR heeft doen registreren.

6. Het voorgaande baseert X onder meer op de schending door Dexia van bepalingen van de Wet op het Consumentenkrediet dan wel de te zijnen aanzien in acht te nemen zorgplicht bij het aangaan van die overeenkomsten respectievelijk het onrechtmatig optreden van (de medewerker van) Bernsen als clientenremisier.

7. X vordert:

I. Voor recht te verklaren dat de Triple Effect ontbonden althans vernietigd is

althans deze te ontbinden c.q. te vernietigen.

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting een bedrag ad

€ 30.466,64.

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden betalingen zijn verricht althans de dag dat Dexia in verzuim verkeert

(18 november 2002) tot aan de dag der betaling althans vanaf datum dagvaarding.

IV. Verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en

deswege schadeplichtig is.

V. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VI. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

8. Bij repliek stelt X dat de restschuld niet € 9.338,64 edoch € 10.184,54 bedraagt en vermindert dienovereenkomstig zijn subsidiaire vordering. X stelt slechts € 435,09 aan dividenden ontvangen te hebben.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

9. Dexia stelt dat de aandelenleaseovereenkomst Triple Effect is afgesloten via de assurantietussenpersoon Bernsen B.V. die X ter zake heeft geïnformeerd en geadviseerd (aan de hand van Prognose Triple Effect).

Na getoonde interesse van X heeft Bernsen hem een aanvraagformulier verschaft en de Bank heeft die door X ondertekend retour ontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomst aan Bernsen verstuurd.

Dexia stelt aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

10. Voor deze overeenkomst wordt niet voorzien in aflossing van de aankoopsom en diende X uit hoofde van deze overeenkomsten gedurende de looptijd een maandelijks bedrag, bestaande uit rente over de aankoopsom van de portefeuille, aan de Bank te voldoen.

Volledigheidshalve wijst de Bank erop dat hierbij na het verstrijken van de looptijd van deze overeenkomst een zogenaamde restschuld kan ontstaan in geval van te zeer gedaalde aandelenkoersen. Ook in het geval deze overeenkomst tussentijds wordt beëindigd, hetgeen in casu het geval is geweest, bestaat de mogelijkheid dat X nog een bedrag verschuldigd is; bij gedwongen verkoop van de aan de overeenkomst ten grondslag liggende aandelen op 18 oktober 2005 is een negatief resultaat van € 10.184,54 (productie 5 CvA) ontstaan, welk bedrag Dexia in reconventie vordert.

Voorts heeft X uit hoofde van de overeenkomst een bedrag van € 763,15 aan dividend uitgekeerd gekregen, dat hij nalaat in zijn vordering te betrekken.

11. Dexia doet voor alles een beroep op het niet inachtnemen door X in de dagvaarding van de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv.

12. Ten aanzien van het optreden van Bernsen als effectenbemiddelaar zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellings-regeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995 zulks vanwege de omstandigheid dat Bernsen niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht, maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en/of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomst leidt: niet de overeenkomst zelf is strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

13. Naar aanleiding van de door X gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomsten duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat, maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van

NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden. Ter zake van de BKR-notering stelt Dexia niet bij machte te zijn tot doorhaling daarvan.

14. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door hem genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

Bij conclusie van dupliek brengt Dexia het bedrag van door X ontvangen dividend

-wegens verrekening van het overige- terug tot € 435,09.

In reconventie

15. Dexia vordert veroordeling van X tot betaling van de restschuld groot

€ 10.184,54 vermeerderd met de contractuele althans de wettelijke rente.

Het verweer van X hiertegen beperkt zich tot de stelling dat deze vordering afstuit op de conventie en de opmerking dat de restschuld zich oplost in de toe te passen restitutieformule.

De beoordeling

In conventie

16. De overeenkomst Triple Effect staat tussen partijen vast evenals het feit dat X daarop € 5.755,22 heeft voldaan, een bedrag van € 435,09 aan dividend heeft ontvangen en die overeenkomst na éénmalige verlenging inmiddels (tussentijds) is beëindigd.

De restschuld van X uit dien hoofde bedraagt € 10.184,54.

Wet op het Consumentenkrediet(WCK)

17. De rechtbank handhaaft haar in eerdere vonnissen gegeven oordeel dat op aandelen-leaseovereenkomsten als de onderhavige de bepalingen van de WCK van toepassing zijn, maar constateert tegelijkertijd dat de totaal overeengekomen leasesom meer bedraagt dan het op 7 december 2000 geldende beschermingsplafond dier wet ad € 22.652,-- en de WCK uit dien hoofde toepassing mist.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Bernsen/Dexia

18. Ten aanzien van de overeenkomst is de gestelde onrechtmatige daad als grondslag voor de vordering van X te bezien:

a. Bernsen is een zogenaamde cliëntenremisier en is als zodanig weliswaar aan te merken als een effectenbemiddelaar als bedoeld in artikel 1 sub b Wte, maar is op grond van

artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van de vergunningplicht. De belangrijkste van die voorwaarden is dat zij haar activiteiten beperkt tot het aanbrengen van klanten bij de in dat artikel genoemde instellingen.

b. Dat Dexia een instelling als bedoeld in artikel 12 van het Vrijstellingsbesluit is, staat niet ter discussie. Nagegaan moet derhalve slechts worden of Bernsen zich beperkt heeft tot het aanbrengen van X als klant bij Dexia of dat Bernsen verdere, voor een cliëntenremisier ontoelaatbare bemoeienis met de zaak gehad heeft. Daarvoor is het nodig om vast te stellen wat er onder aanbrengen wordt verstaan.

c. Een wettelijke definitie van het begrip aanbrengen in het kader van de Wte en de daarop gegronde regelgeving bestaat niet. Wel wordt er op haar website (www.afm.nl) een uiteenzetting van het begrip gegeven door de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daar is, voor zover hier van belang, te lezen: Cliëntenremisiers mogen alleen cliënten aanbrengen bij effecteninstellingen die een vergunning hebben van de AFM. Cliëntenremisiers mogen bijvoorbeeld geen vermogensbeheer verrichten, orders van cliënten doorgeven of geld van cliënten onder zich houden. Daarnaast mogen zij geen cliënten aanbrengen bij andere cliëntenremisiers. Cliëntenremisiers mogen wel cliënten uitleggen wat een aandeel of een obligatie is. Echter zij mogen niet een specifiek aandeel, obligatie, effectenleaseproduct etc. beroeps- of bedrijfsmatig adviseren.

d. Uitgaande van deze uitleg -en de rechtbank gaat bij gebrek aan een andere gezaghebbende uitleg van deze uitleg, die zij ook onderschrijft, uit- was het aan Bernsen toegestaan om X te informeren mits die informatie beperkt was tot kenmerken van beleggingscategorieën en om hem door te verwijzen naar Dexia, maar niet om X te adviseren.

e. Een andere voorwaarde is dat de cliëntenremisier zich houdt aan enkele specifieke gedragsregels die voortvloeien uit het Bte en dan hoofdzakelijk uit artikel 24 daarvan en uit de NR, in dit geval de NR 99. Dat zijn, voor zover in deze specifieke zaak van belang, dat hij handelt in het belang van de cliënt en de adequate functionering van de effectenmarkten, in het belang van de cliënt kennis neemt van diens financiële positie, ervaring en beleggingsdoelstelling voor zover dat redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van zijn diensten, de cliënt de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van de door hem aangeboden diensten en de effecten waarop die diensten betrekking hebben en een verbod op het zogenaamde “cold calling” i.e. een verbod om hen die nog geen cliënt zijn telefonisch of persoonlijk te benaderen anders dan in het geval de betrokkenen daar vooraf schriftelijk dan wel telefonisch mee heeft ingestemd dan wel in het contact slechts wordt aangeboden om schriftelijke of elektronische informatie te verschaffen.

f. Op grond van de op dit punt ongenoegzaam weersproken gebleven stellingen van X moet worden aangenomen dat Bernsen het cold calling-verbod niet heeft overtreden maar zich niet, althans volstrekt onvoldoende, verdiept heeft in de beleggingsdoelstellingen van X, diens financiële positie, beleggingsdoelstelling(en) en beleggingservaring en aldus ook niet in diens belang gehandeld heeft.

g. Met betrekking tot het tot stand komen van het contact met Bernsen is door X ter comparitie medegedeeld, dat hij door Bernsen als zijn vaste adviseur tot het aangaan van deze overeenkomst is geadviseerd en mitsdien niet van “cold calling” kan worden gesproken.

h. Met betrekking tot hetgeen verricht is door Bernsen om zich een beeld te vormen van X, diens financiële positie, beleggingsdoelstellingen en beleggingservaring, is door X gesteld dat hij, X, aan Bernsen naar aanleiding van diens enthousiaste verhalen over het product verteld heeft dat (ook) hij meer wilde sparen.

Schriftelijke productinformatie van Bernsen, zegt hij -behoudens de Prognose Triple Effect- niet gekregen te hebben, voorts dat hem nooit duidelijk is geweest dat hij een lening heeft aangegaan, dat hij daar niet op gewezen is, dat hij dat uit de tekst van de overeenkomst niet heeft kunnen opmaken, dat over een maandbedrag, leasen, koersdaling en over een restschuld nooit gesproken is, dat ook nooit aan de orde is geweest dat hij alles kon kwijtraken.

i. Deze onder h weergegeven stellingen van X zijn weliswaar, naar uit de overgelegde producties en dan met name de Prognose Triple Effect en het aanvraagformulier aandelenlease van 4 oktober 2000 (productie 3 CvA) en de overeenkomst Triple Effect moet worden afgeleid, niet allemaal juist maar niettemin kan er de conclusie uitgetrokken worden dat X, ook na aanvankelijke aarzeling, niet begrepen heeft wat hem is voorgehouden alsmede dat ook de voorlichting tekortgeschoten is.

Onjuist is immers dat er niet over leasen gesproken is, want de door X ondertekende overeenkomst is een lease-overeenkomst, evenals dat X niet uit de overeenkomst had kunnen opmaken dat er sprake van een lening was, want er is immers sprake van rente in de overeenkomst, dat over een maandbedrag niet gesproken is, want dat maandbedrag is naast de looptijd in de overeenkomst vermeld.

Dat de voorlichting tekortgeschoten is blijkt genoegzaam uit het feit dat Bernsen, naar onweersproken gesteld is, in de vooraf aan X verstrekte informatie er kennelijk geen aandacht aan het break-evenrendement geschonken is en de omstandigheid dat X, die geen/onvoldoende beleggingservaring had, van de hele opzet kennelijk niets begrepen heeft zoals uit zijn persoonlijke statements die bij de stukken zijn gevoegd blijkt.

Dat er voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst concreet gewezen is op de mogelijkheid van verlies is gesteld noch gebleken. In ieder geval blijkt daarvan niets uit het door Dexia overgelegde aanvraagformulier Triple Effect (productie 3 CvA).

j. Uit die overgelegde productie, het aanvraagformulier van 4 oktober 2000 van Bernsen dat voorafgegaan is aan de overeenkomst Triple Effect van 7 december 2000 blijkt dat er toen al een keuze is gemaakt voor deze beleggingsconstructie.

Op dat formulier afkomstig van Bernsen, diens adviseursnummer 0884 en de handtekening van X, is namelijk vermeld dat X gekozen heeft voor Triple Effect met onder meer een maandbetaling van € 113,45.

De rechtbank leidt ook daaruit en uit het feit dat er geen daaraan voorafgaande correspondentie tussen X en Labouchère is overgelegd, af dat Bernsen degene is die geadviseerd heeft over de wijze van beleggen en tot welk bedrag.

Dat levert een handelen in strijd met de Vrijstellingsregeling op, immers is meer dan aanbrengen en is als beroeps- of bedrijfsmatig adviseren aan te merken.

k. De conclusie tot zover is dat Bernsen in haar relatie tot X niet alleen onrechtmatig gehandeld heeft door te handelen in strijd met de voorschriften van de Vrijstellingsregeling en daarmee in strijd met artikel 7 Wte, maar zich ook niet gedragen heeft als een goed opdrachtnemer overeenkomstig de bepalingen van titel 7 :7 BW, immers niet gehandeld heeft als een redelijk handelend bekwaam vakgenoot dient te handelen, hetgeen, naast een contractuele tekortkoming ook weer als onrechtmatig handelen is aan te merken. Bernsen is daarmee aansprakelijk voor de door X als gevolg van haar onrechtmatig handelen opgekomen schade.

19. Daarmee komt de rechtbank toe aan de aansprakelijkheid van Dexia, zowel voor zover die een gevolg is van haar eigen gedragingen als op grond van het bepaalde in artikel 6:76 BW voor gedragingen van Bernsen.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen:

a. De rechtbank stelt voorop dat tussenpersonen -en dus ook cliëntenremisiers- een belangrijke instrument voor financiële instellingen zijn om hun producten in de markt te (kunnen) zetten. Dat legt op de instelling die van de diensten van een cliëntenremisier gebruik maakt en hem doorgaans -zoals dat ook in dit geval kennelijk is gebeurd nu op dit punt niets anders is gesteld of gebleken- ook middels de toekenning van provisie betaalt, een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de selectie van de tussenpersoon van wie hij cliënten en opdrachten accepteert.

b. Een en ander blijkt ook uit het bepaalde in artikel 41 NR 99 dat de effecteninstelling onder andere gebiedt om zich met betrekking tot de onder i, ii en iii van dat artikel genoemde effecteninstellingen te onthouden van een aantal zaken waaronder het verrichten van effectentransacties voor deze instellingen. Bernsen zou, indien zij zich aan de voor haar geldende regels had gehouden weliswaar niet tot één van die categorieën behoord hebben, maar nu zij zich niet aan die regels gehouden heeft, behoort zij daar wel toe en is zij met name aan te merken als een effecteninstelling die niet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte (categorie i).

c. De vraag is nu of Dexia voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het aanvaarden van X als klant, c.q. het contracteren met X op basis van wat door Bernsen aan haar omtrent X en hetgeen de inhoud van de door X gewenste overeenkomst(en) met haar geweest zou zijn, is medegedeeld en die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.

Het aanvraagformulier d.d. 4 oktober 2000, waarop Dexia zich beroept, geeft geen informatie omtrent de financiële positie van X, noch omtrent diens beleggingservaring of beleggingsdoelstelling.

Op dit van Bernsen afkomstige aanvraagformulier Triple Effect, in de tijd voorafgaand aan de overeenkomst Triple Effect is keuze gemaakt voor een maandbetaling van € 113,45 en dienvolgens bijbehorende kredietsom. Daaraan kan alleen verboden advisering door Bernsen, die dat formulier heeft ingevuld en van zijn naam en adviseursnummer (0884) voorzien heeft, ten grondslag gelegen hebben.

Dexia had dat kunnen en moeten onderkennen en zich van contracteren met X op basis van die adviezen moeten onthouden.

Door dat na te laten en aldus te handelen in strijd met artikel 41 NR 99 is de overeenkomst tussen X en Dexia nietig, immers ligt aan artikel 41 NR 99 dezelfde gedachte ten grondslag als aan artikel 7 Wte, namelijk een adequate werking van de financiële markten en de positie van de belegger. Daarnaast heeft Dexia ook onrechtmatig jegens X gehandeld en is zij daardoor ook aansprakelijk voor de door X als gevolg van het complex van onrechtmatige handelingen geleden schade.

d. Los van bovenstaande kan tevens geconcludeerd worden dat Dexia door aldus te handelen -en naar mag worden aangenomen aan Bernsen provisie te betalen- gebruik heeft gemaakt van de hulp van Bernsen bij het tot stand brengen van de overeenkomst met X en daarmee tevens voor de gedragingen van Bernsen aansprakelijk is.

De vordering, voor zover toewijsbaar, is dienvolgens ook tegen Dexia toewijsbaar.

20. Gelet op de conclusies dat de overeenkomst Triple Effect op deze gronden nietig is, is het gevolg daarvan dat de rechtsgrond(en) die ten grondslag lag(en) aan de wederzijds verrichte prestaties met terugwerkende kracht daaraan is (zijn) ontvallen.

Beide partijen dienen financieel hersteld te worden in de toestand waarin zij zich ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bevonden. Dat betekent dat de aandelen voor rekening van Dexia blijven, Dexia in beginsel al niets meer te vorderen had van X en hetgeen door X aan haar betaald is in beginsel als onverschuldigd aan hem terug moet betalen. Het onderdeel I van de vordering van X is derhalve in zoverre in principe toewijsbaar.

21. Met betrekking tot onderdeel II wordt daarbij overwogen dat het zoals door X zelf reeds in zijn dagvaarding onder ogen gezien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan omdat aannemelijk is dat de nietigheid van die overeenkomst niet door hem zou zijn ingeroepen als de waarde van de aandelen gestegen was.

De rechtbank vindt daarin aanleiding om op de voet van het bepaalde in artikel 6:278 lid 2 BW te bepalen dat het door X aan Dexia betaalde verminderd met de helft van de restschuld, zulks onder aftrek van door hem ontvangen dividend, door Dexia aan X moet worden terugbetaald

Toegewezen wordt derhalve:

€ 5.755,22 minus € 5.092,27 (€10.184,54:2) = € 662,95.

22. Door Dexia is nog een beroep op eigen schuld van X gedaan. De rechtbank onderschrijft de stelling van Dexia dat de schade mede aan X moet worden toegerekend, immers heeft hij zich zonder enige beleggingservaring, zonder voldoende schriftelijke informatie vooraf en zonder voldoende onderzoek naar het aangeboden product te hebben gedaan in een voor hem duister avontuur gestort.

23. Toch verbindt de rechtbank daar niet de door Dexia gewenste consequenties aan. Dexia is zo ernstig tekortgeschoten in haar de jegens X betamende zorg dat de rechtbank daarin aanleiding vindt om de schade met toepassing van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101, eerste lid BW over de partijen te verdelen als onder 21 hierboven overwogen .

24. Hetgeen partijen verder verdeeld houdt, behoeft gelet op bovenstaande geen bespreking.

Ook niet de door X gevorderde bevel van doorhaling door Dexia van zijn BKR-notering, waar hij niet althans onvoldoende heeft weerlegd de stelling van Dexia daartoe niet bij machte te zijn.

25. Als ieder gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, dient elke partij de eigen kosten van het geding te dragen.

In reconventie

26. Gezien hetgeen hiervoor in conventie is overwogen en toegewezen, wordt de reconventionele vordering van Dexia afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

RECHTDOENDE

In conventie:

I. Verklaart voor recht dat de tussen partijen d.d. 7 december 2000 gesloten overeenkomst

Triple Effect met het nummer 51786925 nietig is.

II. Veroordeelt Dexia om aan X te betalen een bedrag van € 662,95

(zeshonderdtweeenzestig euro en vijfennegentig eurocent) vermeerderd met de

wettelijke rente hierover van 28 februari 2005 tot de dag van betaling.

III. Verklaart de restschuld van X vervallen.

IV. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

V. Verklaart het onderdeel II van het dictum van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VII. Wijst af de vordering van Dexia tegen X.

VIII. Veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van X gevallen en tot op deze

uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 384,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van der Veer en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.