Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6941

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
79000 ha za 06-655
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 79000 ha za 06-655

datum vonnis: 9 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te H,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser,

advocaat: mr. H. Post te Helmond.

Het procesverloop

1. De bij tussenvonnis van 7 november 2007 bevolen comparitie van partijen is op

20 december 2007 gehouden, het daarvan opgemaakte procesverbaal bevindt zich bij de stukken.

Na afloop van die comparitie is de zaak naar de rol verwezen voor het wijzen van vonnis.

De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vordering (kort samengevat)

2. Nadat X in september 2000 op de markt in Enschede was benaderd door Fidak, een cliëntenremisier van Bank Labouchere (rechtsvoorgangster van Dexia), heeft X bewilligd in een afspraak met een medewerker van Fidak.

Dit resulteerde in het op 12 oktober 2000 door X afsluiten van een AEX Plus Effect Maandbetaling onder nummer 39284412 (dagvaarding productie 2).

3. Het totaal van de overeengekomen leasesom bedroeg € 27.228,00.

Op de AEX Plus Effect diende X gedurende de looptijd van 240 maanden maandelijks een bedrag van € 113,44 bij vooruitbetaling te voldoen.

4. Verdere voorwaarden (voor zover van belang):

2. Deze lease-overeenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van 240 maanden, te rekenen vanaf de aankoopdag van de waarden.

3. Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom op dat moment.

......

6. Zodra lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden.

5. X heeft 60 termijnen van € 113,44, in totaal € 6.806,40, voldaan en de overeenkomst per november 2005 beëindigd.

Vervolgens werd hij door Dexia aangeslagen voor een restschuld van € 2.314,61

(productie 3 dagvaarding).

Bij brief van 16 november 2005 (productie 4 dagvaarding) heeft X Dexia aansprakelijk gesteld, de AEX Plus Effect overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot terugbetaling van zijn ingelegde gelden, zulks -subsidiair- met inachtname van een billijkheidscorrectie.

6. Het voorgaande baseert X onder meer op de schending door Dexia van de te zijnen aanzien in acht te nemen zorgplicht bij het aangaan van die overeenkomsten respectievelijk het onrechtmatig optreden van (de medewerker van) Fidak als clientenremisier; tevens beroept X zich op de bepalingen van d Wet op het Consumentenkrediet(WCK) met name het ontbreken van de vereiste vergunning ex artikel 9 van die wet en dienvolgens nietigheid van de leaseovereenkomst.

7. X vordert:

I. Voor recht te verklaren dat de AEX Plus Effect nietig is.

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting een bedrag ad

€ 5.649,10.

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden betalingen zijn verricht althans de dag dat Dexia in verzuim verkeert

(15 december 2005) tot aan de dag der betaling althans vanaf datum dagvaarding.

IV. Dexia te bevelen op straffe ener dwangsom de A-notering bij BKR te Tiel ongedaan te

maken.

V. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VI. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

8. Bij repliek stelt X dat Fidak en/of Dexia jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld, legt zulks nader ten grondslag aan zijn vorderingen vordert ter zake daarvan tevens verklaring voor recht.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

9. Dexia stelt dat de aandelenleaseovereenkomst AEX Plus Effect is afgesloten via de assurantietussenpersoon Fidak die X terzake heeft geïnformeerd en geadviseerd.

Na getoonde interesse van X heeft Fidak hem een aanvraagformulier verschaft en de Bank heeft die door X ondertekend retourontvangen. Vervolgens heeft de Bank de overeenkomst aan Fidak verstuurd.

Dexia stelt aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan.

10. Voor deze overeenkomst wordt voorzien in aflossing van de aankoopsom en diende X uit hoofde van deze overeenkomsten gedurende de looptijd een maandelijks bedrag, bestaande uit rente en aflossing over de aankoopsom aan de Bank te voldoen.

Volledigheidshalve wijst de Bank erop dat hierbij na het verstrijken van de looptijd van deze overeenkomst geen zogenaamde restschuld kan ontstaan, ook niet in geval van te zeer gedaalde AEX. Slechts in het geval deze tussentijds wordt beëindigd, hetgeen in casu het geval is geweest, bestaat de mogelijkheid dat X nog een bedrag verschuldigd is; bij beëindiging van de aan de overeenkomst op 1 november 2005 is een negatief resultaat van

€ 2.314,61 ontstaan, welk bedrag Dexia in reconventie vordert.

11. Dexia doet voor alles een beroep op het niet inachtnemen door X in de dagvaarding van de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv.

12. Ten aanzien van het optreden van Fidak als effectenbemiddelaar zodanig dat die niet (meer) was vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 12 van de vrijstellings-regeling Wet Toezicht effectenverkeer 1995 zulks vanwege de omstandigheid dat Fidak niet enkel X als klant bij de Bank heeft aangebracht, maar zich ook heeft beziggehouden met advisering en/of aanbevelen van specifieke effectentransacties, stelt Dexia dat dit nog niet tot nietigheid van de overeenkomst leidt: niet de overeenkomst zelf is strijdig met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, hoogstens het handelen van de tussenpersoon.

13. Naar aanleiding van de door X gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomsten duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat, maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van

NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden.

14. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door hem genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

In reconventie

15. Dexia vordert veroordeling van X tot betaling van de restschuld groot € 2.314,61 vermeerderd met de contractuele althans de wettelijke rente.

X verweert zich daartegen met de stelling dat die vordering afstuit op de conventie en het bedrag dier vordering zich oplost in de toe te passen restitutieformule.

De beoordeling

In conventie

16. De overeenkomst AEX Plus Effect staat tussen partijen vast evenals het feit dat X daarop € 6.806,40 heeft voldaan en die overeenkomst inmiddels (tussentijds) is beëindigd.

De restschuld is door Dexia in de brief van 3 november 2005 juist berekend is op het bedrag van € 2.314,61.

Wet op het Consumentenkrediet (WCK)

17. De rechtbank handhaaft haar in eerdere uitspraken gegeven oordeel dat op contracten als de onderhavige de WCK van toepassing is, zij het dat de rechtbank in deze constateert dat de totaal overeengekomen leasesom meer bedraagt dan het op het moment van sluiten van dat contract geldende beschermingsplafond van die wet van € 22.652,-- en de WCK uit dien hoofde ten deze toepassing mist.

Zorgplicht/onrechtmatige daad/Fidak

18. Ten aanzien van de overeenkomst is deze gestelde onrechtmatige daad als grondslag voor de vordering van X te bezien.

19. Hoewel het AEX Plus Effect de uitmonstering heeft/lijkt te hebben van een z.g. aandelenleaseovereenkomst, is zulks naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.

De overeenkomst bestaat immers uit (het lenen c.q. sparen ter waarde van) een AEX-certificaat, waarvan gezien de op einddatum gestegen AEX-koers een navenante meerwaarde wordt uitgekeerd ( c.q. bij gedaalde AEX-koers wordt verloren), terwijl vanwege het feit dat het hier een aflossingsproduct betreft, op die einddatum geen restschuld bestaat.

De rechtbank kwalificeert dit als een kansovereenkomst gericht op mogelijke stijging van de AEX-index, waaraan geen zelfstandig beleggingskarakter is toe te kennen.

20. De rechtbank is voorts van oordeel dat de totale aan X gezonden informatie, waaronder de conceptovereenkomst, niet als ondeugdelijk of misleidend kan worden betiteld, met name is duidelijk dat sprake is van een geldlening, waarover rente moet worden betaald.

Beleggingsrisico’s, dus ook enige verplichting tot het wijzen erop, acht de rechtbank als hiervoor overwogen niet aanwezig, en de rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot enig verder onderzoek naar door X gestelde onrechtmatige daad vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader.

Conclusie

21. Niet is komen vast te staan dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld, terwijl, als daarvoor vastgesteld de WCK ten deze niet van toepassing is, zodat de vorderingen van X dienen te worden afgewezen en X als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt verwezen.

In reconventie

22. Gezien het hiervoor in conventie overwogene is geen verweer van X (meer) aan de orde en de reconventionele vordering van Dexia toewijsbaar, wettelijke rente acht de rechtbank verschuldigd vanaf 7 mei 2007, de dag van het instellen van de reconventionele eis. X wordt als in het ongelijk gesteld in de proceskosten veroordeeld.

RECHTDOENDE

In conventie:

I. Wijst af de vordering van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 296,-- aan griffierechten en € 1.152,-- aan salaris voor de procureur.

In reconventie:

III. Veroordeelt X om aan Dexia te voldoen een bedrag van € 2.314,61

(tweeduizenddriehonderdveertien euro 61/100) met wettelijk rente daarover vanaf

7 mei 2007 tot aan de dag der voldoening.

IV. Veroordeelt X in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze

uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 384,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van der Veer en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.