Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC6918

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
76888 ha za 06-275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76888 ha za 06-275

datum vonnis: 9 januari 2008 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te ,

eiseres,

verder te noemen: X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur: mr. J. Vestering,

Het procesverloop

1. X heeft gevorderd conform de inleidende dagvaarding. Dexia heeft vervolgens een akte uitlating schorsing en X een akte hervatting procedure in het geding gebracht. Nadien heeft Dexia een conclusie van antwoord genomen. X heeft vervolgens een conclusie van repliek tevens houdende akte vermeerdering van eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek. Tot slot is nog door X bij akte gereageerd op de bij dupliek in het geding gebrachte producties. Daarna hebben partijen vonnis verzocht.

Waarvan kan worden uitgegaan

2. X heeft in de periode van 1998 tot en met 2000 bij de naamloze vennootschap Labouchere N.V. (toen handelend onder de naam “Legio Lease”; rechtsvoorganger van Dexia), in totaal drie “Bank Labouchere-producten” afgenomen. Het betreft hier de volgende aandelenleaseproducten:

- Overeenkomst 1: een op 18 april 1998 voor de duur van 180 maanden afgesloten overeenkomst Spaarleasen met het nummer 36010803 (zie bijlage 1 bij de conclusie van eis). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt Hfl. 90.513,00. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopsom van Hfl. 37.950,- aan X aandelen ABN AMRO, Aegon, Aegon, FortisAmev en ING heeft geleased. De overeenkomst is zo samengesteld dat X gedurende 180 maanden maandelijks Hfl. 502,85 aan rente (in totaal Hfl. 52.562,50) en aflossing over de aankoopsom dient te betalen, waarna geen restschuld resteert. In totaal zijn door X op deze overeenkomst 74 termijnen van € 228,18 betaald, en dus in totaal € 16.885,32. Deze overeenkomst is tussentijds beëindigd. De eindafrekening hield een verplichting in van X om € 4.687,94 te betalen aan Dexia, aan welke verplichting X heeft voldaan. Dat bedrag is naar zeggen van Dexia gedeeltelijk verrekend met achterstallige termijnen.

- Overeenkomst 2: een op 9 december 1999 voor een periode van 60 maanden afgesloten overeenkomst Legio I.B.Plan met het nummer 13003873 (bijlage 6 bij conclusie van eis). De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 5.030,77. Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia voor een aankoopsom van € 3.201,37 aan X aandelen Ahold, ING en Kon.Olie heeft geleased. Op de overeenkomst betaalde X conform afspraak een bedrag van € 1.829,40 ineens. Na afloop van de looptijd van dit contract zijn de aandelen verkocht en heeft X de restschuld moeten betalen groot € 1.151,96 (zie bijlage 7 bij conclusie van eis).

- Overeenkomst 3: een op 29 november 2000 voor een periode van 36 maanden afgesloten overeenkomst Winstverdriedubbelaar met het nummer 29406641 (bijlage 10 bij de conclusie van eis). Deze overeenkomst voorzag er in dat Dexia (middels drie aankopen) voor een aankoopsom van uiteindelijk in totaal € 19.578,30 aan X aandelen Aegon, KPN en Wolt.Kluw. heeft geleased. De totaal overeengekomen leasesom bedraagt € 23.275,50. Conform deze afspraak heeft X een bedrag van € 3.697,20 (de termijnen 1 – 36) vooruit betaald. Ook deze overeenkomst is beëindigd. De restschuld ad € 13.821,52 is door X (weer onder protest) voldaan. Daarvan is een deel groot € 314,66 te veel betaald en teruggestort door Dexia.

3. Gesteld noch gebleken is dat aan X dividendbetalingen zijn gedaan.

4. Bij brief van 31 januari 2006 heeft X van deze drie overeenkomsten de nietigheid ingeroepen c.q. deze buitengerechtelijk ontbonden dan wel vernietigd, zich ter zake baserende op een niet in acht genomen zorgplicht althans op strijd met de bepalingen van de WCK respectievelijk het ontbreken van de benodigde vergunning ex artikel 9 van die wet.

5. X heeft een verklaring afgelegd zoals is bedoeld in artikel 7:908 BW en heeft daarmee te kennen gegeven dat hij niet aan de Duisenberg-regeling gebonden wil zijn.

De standpunten van partijen

6. X vordert (na wijziging/vermeerdering van eis bij conclusie van repliek):

I. voor recht te verklaren dat de genoemde drie overeenkomsten nietig zijn;

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen tegen bewijs van kwijting € 31.927,38.

III. voornoemd bedragen vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden deelbetalingen zijn verricht althans de dag dat Dexia in verzuim

verkeert (1 maart 2006) c.q. vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van

de betaling.

IV. Dexia te veroordelen in de proceskosten,

V. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7. Bij repliek vult X de grondslag van zijn vordering aan met de stelling dat Dexia jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het feit dat het optreden van Legio-Lease als zodanig is te kwalificeren en Dexia in het verlengde daarvan eveneens, zulks in de zin van meer vergelijkbare uitspraken van deze rechtbank en vermeerdert de eis (onder I.) bij wijze van alternatief, met verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en deswege schadeplichtig is, en met verklaring voor recht dat de restschulden van X zijn vervallenverklaard althans om deze vervallen te verklaren.

8. Dexia stelt aan haar zorgplicht ten opzichte van X te hebben voldaan. De overeenkomsten zijn aangegaan op een wijze die voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Wat door Dexia is aangevoerd over de wijze van totstandkoming van de drie overeenkomsten, wordt hierna bij de boordeling samengevat weergegeven.

9. Dexia doet voor alles een beroep op het niet inachtnemen door X in de dagvaarding van de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv.

10. Xs betwist Dexia hier de toepasselijkheid van de Wet Consumenten Krediet, stelt dat wettelijke rente in voorkomend geval eerst verschuldigd is vanaf het moment dat er verzuim aan de orde is, verzet zich tegen kostenveroordeling en concludeert tot afwijzing van de vordering van Sahin.

11. Naar aanleiding van de door X nader gestelde grondslag van onrechtmatige daad stelt Dexia dat alleen al de tekst van de overeenkomsten steeds duidelijk maakt dat het hier niet om een spaarvorm gaat maar over een geldlening, de door X ingeroepen bepalingen van NR 99 omtrent zorgplicht en schriftelijke informatieverschaffing op (het afsluiten van) deze overeenkomsten niet van toepassing zijn en overigens wel degelijk onderzoek naar diens financiële positie middels de BKR-registratie heeft plaatsgevonden.

12. Betreffende de schade wijst Dexia erop dat X niet door hem genoten fiscale of andere voordelen verdisconteert in zijn vordering zomede het causaal verband tussen de gevorderde schade en het onrechtmatig handelen ontbreekt.

De beoordeling

Wet Consumenten krediet

13. De rechtbank handhaaft haar standpunt dat de Wet op het Consumentenkrediet (hierna: WCK) op aandelenleaseovereenkomsten als deze van toepassing is als na te melden. De rechtbank oordeelt de WCK echter niet van toepassing op de overeenkomsten Spaarlease en Winstverdriedubbelaar omdat steeds sprake is van overschrijding (met respectievelijk als leasesom: Hfl. 90.513,00 en € 23.275,50) van het hier voor de toepassing van de WCK geldende “beschermingsplafond” van € 22.652,--. De andere overeenkomst Legio I.B.Plan zou in beginsel wel onder de bescherming van de WCK kunnen vallen omdat de leasesom onder dat plafond ligt. De rechtbank neemt dat echter niet aan, omdat het de tweede overeenkomst is die tussen (dezelfde) partijen in een relatief beperkt tijdsbestek is afgesloten. Het samenstel van deze overeenkomsten acht de rechtbank bepalend voor De WCK bescherming. Reden om te oordelen dat ook de overeenkomst Legio I.B.Plan onder de gestelde omstandigheden niet valt onder voormelde bescherming van de WCK.

Zorgplicht/onrechtmatige daad Dexia

14. Daarmee komt de rechtbank toe aan de aansprakelijkheid van Dexia.

15. Voor wat betreft de totstandkoming van de overeenkomst Spaarleasen is door Dexia het volgende aangevoerd:

a. X is door een call-center van Dexia telefonisch benaderd met de vraag of X informatie wenste te ontvangen over effectenlease. X toonde interesse, waarop naar haar een brochure is gezonden en telefonisch van haar toestemming is verkregen om opnieuw met haar telefonisch contact op te nemen.

b. Het tweede telefoongesprek vond circa 5 tot 7 dagen later plaats. Daarbij is haar de effectenlease-overeenkomst uitgelegd en werd haar interesse gepeild. Omdat zij een dergelijke overeenkomst wilde aangaan, zijn haar gegevens genoteerd.

c. In het derde telefoongesprek met Dexia werd geverifieerd of alle gegevens juist waren en of X nog vragen had.

d. Daarna is de interne acceptatieprocedure gevolgd met het resultaat dat met X kon worden gecontracteerd.

e. Vervolgens is de overeenkomst in tweevoud uitgewerkt en aan haar toegezonden tezamen met “de fiscale opinie”.

f. X heeft vervolgens in alle rust kunnen beslissen of zij de overeenkomst wenste aan te gaan. Zij heeft de toegezonden documentatie kunnen bestuderen en heeft desgewenst daarover vragen kunnen stellen via het gratis informatienummer van Dexia.

g. Daarna heeft X een exemplaar van de overeenkomst ondertekend aan Dexia doen toekomen.

16. Voor wat betreft de totstandkoming van zowel de overeenkomst Legio I.B.Plan als de overeenkomst Winstverdriedubbelaar is door Dexia het volgende aangevoerd:

aa. Uit de administratie van Dexia blijkt dat X (steeds) heeft gereageerd op een

mailing van Dexia, bestaande uit de brochures die zijn gevoegd als bijlage 4

en 5 bij de conclusie van antwoord.

bb. X heeft op die mailing (steeds) gereageerd door het ondertekenen en

retourneren van het aan die brochure bevestigde aanvraagformulier (zie bijlagen

6 en 7 bij de conclusie van antwoord).

cc. Uit die aldus ontvangen aanvraagformulieren bleek dat X geïnteresseerd

was in het betreffende product, te weten in achtereenvolgens Legio I.B.Plan en

in de Winstverdriedubbelaar.

dd. Vervolgens zijn haar (steeds) de overeenkomsten in tweevoud toegezonden,

met daarbij steeds “de fiscale opinies” en steeds een rekenvoorbeeld.

ee. X heeft vervolgens steeds in alle rust kunnen beslissen of zij de overeenkomst

wenste aan te gaan. Zij heeft de toegezonden documentatie kunnen bestuderen

en heeft desgewenst daarover vragen kunnen stellen via het gratis

informatienummer van Dexia.

ff. Daarna heeft X (steeds) een exemplaar van de overeenkomst ondertekend aan Dexia doen toekomen.

17. Door X is de aldus weergegeven gang van zaken erkend c.q. niet (gemotiveerd) weersproken. Haar is naar eigen zeggen de eerste keer toegestuurd de brochure “Spaarleasen, sparen met koers kracht”. Zij verklaart Xs (zie het statement dat is ingelast in de conclusie van repliek, alsmede de statement die als bijlage 21 is gevoegd bij die conclusie) dat ze begrepen had dat er aandelen zouden worden gekocht en dat ze inderdaad tijd heeft gehad om zich te beraden wat te doen. Het valt op dat X het in hoofdzaak alleen heeft over de eerste contacten met Dexia, en dus alleen over de totstandkoming van Spaarleasen. Zij verklaart niet inhoudelijk over alle latere vervolgcontacten met Dexia. Alleen zegt ze daarover dat die inderdaad steeds zijn ontstaan naar aanleiding van een mailing van Dexia.

18. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van Dexia anderszins moeite is gedaan om X te bewegen tot het aangaan van deze drie aandelenleaseovereenkomsten.

19. De rechtbank trekt uit bovenstaande vaststellingen de conclusie dat X steeds in (redelijke) rust en niet onder druk van enige op provisie beluste tussenpersoon, zelf tot het aangaan van de drie overeenkomsten is gekomen.

20. De rechtbank is Xs van oordeel dat het aan X steeds ter informatie toegezonden schriftelijk materiaal als geheel (inclusief deze overeenkomsten), niet als ondeugdelijk en misleidend kan worden betiteld. Daarin wordt onder meer voldoende duidelijk gemaakt dat steeds rente moet worden betaald en dat een hoofdsom resteert die moet worden afgelost uit de opbrengst van de te verkopen aandelen. Overigens is door X ook niet gesteld dat het door haar ontvangen informatiemateriaal op zich ondeugdelijk is. Immers beperkt X haar kritiek op die documentatie (in de conclusie van repliek in conventie onder “kern van de zaak”) tot het punt dat zij onvoldoende is gewezen op de risico’s die samenhangen met beleggen in aandelen; namelijk dat bij een waardedaling van de aandelen de restschuld niet geheel wordt voldaan en er dus bijbetaald moet worden.

21. De rechtbank is van oordeel dat deze kritiek onvoldoende hout snijdt. In de (in het geding gebrachte) documentatie wordt herhaald en voldoende duidelijk gewezen op de mogelijkheid van een minder goede afloop. Zo wordt in de (steeds) meegezonden “Fiscale opinie” uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van niet aftrekbare koersverliezen bij verkoop van de aandelenportefeuille. Ook wordt in andere documentatie erop gewezen dat beleggingsresultaten uit het verleden geen garantie zijn voor de toekomst en dat de mogelijkheid bestaat dat de aandelen aan het einde van overeengekomen periode minder opbrengen dan de aankoopprijs.

22. De rechtbank oordeelt dan ook geen aanleiding aanwezig tot enig verder onderzoek naar de door X desondanks gestelde onrechtmatige daad vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van X omtrent feitelijkheden in dat kader.

23. De vordering van X zal worden afgewezen en zij zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

24. De overige geschilpunten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van deze procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 710,- aan verschotten en € 904,-- aan salaris voor de procureur.

III. Verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.