Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC3988

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07 / 315 WWB AZ1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil de vraag of verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op goede gronden heeft ingetrokken en teruggevorderd. Daartoe moet worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, welke schending daaruit bestaat, zo heeft verweerder in zijn brief van 17 september 2007 omschreven, dat eiseres en [ex-echtgenoot] geen melding hebben gemaakt van criminele activiteiten en van de daaruit voortvloeiende inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 07 / 315 WWB AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiseres],

wonende te Oldenzaal, eiseres,

gemachtigde: mr. J.D. Onland, advocaat te Oldenzaal,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oldenzaal, verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 5 februari 2007.

2. Procesverloop

Bij het besluit van 12 februari 1999 heeft verweerder besloten de aan eiseres en haar toenmalige echtgenoot D. [ex-echtgenoot] (verder: [ex-echtgenoot] ) naar de norm voor gehuwden toegekende bijstandsuitkering met vanaf 1 januari 1998 in te trekken, omdat zij niet hebben voldaan aan de inlichtingenplicht en zij daardoor een te hoog bedrag aan bijstand hebben ontvangen over de periode van 1 januari 1998 tot 27 oktober 1998 (lees: 27 november 1998). Het over de genoemde periode ten onrechte ontvangen bedrag van f 24.371,08 bruto wordt van eiseres en haar toenmalige echtgenoot teruggevorderd.

Op 4 maart 1999 heeft eiseres bezwaar aangetekend tegen het besluit van 12 februari 1999. In verband met een - thans nog lopende - strafzaak tegen [ex-echtgenoot] is de behandeling van het bezwaarschrift van eiseres aangehouden. Tijdens een op 22 januari 2007 gehouden hoorzitting heeft eiseres haar bezwaren nader toegelicht.

Conform het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder bij het besluit van

5 februari 2007, verzonden op 9 februari 2007, het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 maart 1999 ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich blijkens het op 21 maart 2007 ingediende beroepschrift niet met dit besluit verenigen.

Verweerder heeft op 30 maart 2007 een verweerschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht.

Bij schrijven van 17 september 2007 heeft verweerder gereageerd op een brief van de rechtbank van 31 augustus 2007.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 11 januari 2008, waar eiseres is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door

M. Sijbrandij.

3. Overwegingen

Tussen partijen is in geschil de vraag of verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op goede gronden heeft ingetrokken en teruggevorderd. Daartoe moet worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, welke schending daaruit bestaat, zo heeft verweerder in zijn brief van 17 september 2007 omschreven, dat eiseres en [ex-echtgenoot] geen melding hebben gemaakt van criminele activiteiten en van de daaruit voortvloeiende inkomsten.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft besloten haar bijstandsuitkering te herzien en terug te vorderen op de grond dat [ex-echtgenoot] heeft gehandeld in verdovende middelen dan wel criminele activiteiten heeft ontplooid waarmee hij geacht wordt middelen te hebben verworven. Tot op heden is immers, aldus eiseres, nog niet vast komen te staan dat [ex-echtgenoot] in de onderhavige procedure criminele activiteiten heeft verricht, aangezien de strafrechtelijke procedure nog niet is afgerond en [ex-echtgenoot] dus nog steeds verdachte is. Volgens eiseres is derhalve niet komen vast te staan dat [ex-echtgenoot] criminele activiteiten heeft verricht waarmee hij inkomsten heeft verworven. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder bij het nemen van het oorspronkelijke, in bezwaar gehandhaafde, besluit van 12 februari 1999 bepaald niet zorgvuldig te werk is gegaan, nu dit besluit is genomen op basis van vermoedens, veronderstellingen en aannames. Eiseres stelt in dit verband voorts dat haar niet is gebleken van het bijzondere onderzoek op grond waarvan verweerder tot het bestreden besluit is gekomen. Volgens eiseres had verweerder de strafrechtelijke procedure kunnen afwachten alvorens een besluit tot terugvordering te nemen en staan de wettelijke bepalingen inzake verjaring van een vorderingen daaraan niet in de weg, nu verweerder de terugvordering veilig had kunnen stellen door handelingen te verrichten ter stuiting van een eventuele verjaringstermijn. Eiseres concludeert dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarvan in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt.

In het bestreden besluit heeft verweerder onder meer overwogen dat het opstarten van een justitieel onderzoek inzake handel in verdovende middelen, waarvan [ex-echtgenoot] verdacht werd/wordt, en de daarop volgende detentie van [ex-echtgenoot] , gevoegd bij de omstandigheid dat noch [ex-echtgenoot] noch eiseres een verklaring hebben willen afleggen met betrekking tot de rechtmatigheid van de periodieke bijstand en eventuele inkomsten, hem aanleiding hebben gegeven tot een zwaarwegend vermoeden dat het recht op bijstand gedurende de periode van 1 januari 1998 tot en met 26 november 1998 niet correct kon worden vastgesteld. Op basis hiervan heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over die periode ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht.

Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat het hiervoor bedoelde zwaarwegend vermoeden is gebaseerd op het bij verweerder bestaande zwaarwegend vermoeden dat [ex-echtgenoot] inkomsten heeft genoten uit criminele activiteiten. Daadwerkelijk onderzoek daarnaar heeft echter, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, niet plaatsgevonden. De sociale recherche heeft blijkens de rapportage van 9 februari 1999 ermee volstaan kennis te nemen van de op dat moment beschikbare gegevens uit het politieonderzoek en [ex-echtgenoot] en eiseres te horen. Op basis daarvan staat echter naar het oordeel van de rechtbank niet vast en is evenmin voldoende aannemelijk geworden dat er inkomsten uit criminele activiteiten zijn gegenereerd die bij verweerder gemeld hadden moeten worden.

De rechtbank is van oordeel dat het - naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres - op de weg van verweerder had gelegen nader onderzoek te laten verrichten naar een mogelijke schending van de inlichtingenplicht door eiseres, in het bijzonder naar mogelijke inkomsten uit criminele activiteiten, en zich niet slechts had mogen baseren op de (strafrechtelijke) verdenking van drugshandel. De rechtbank wijst er in dit verband nog op volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de rechtsvraag die in een strafzaak voorligt een andere is dan die in het bestuursrecht moet worden beantwoord en dat de bestuursrechter dan ook in het algemeen niet gebonden is aan het oordeel van de strafrechter. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 13 maart 2007, LJN BA0605 (gepubliceerd in JB 2007/108). Niet valt in te zien dat het enkele feit dat er een strafrechtelijk onderzoek loopt voor verweerder (lees: de sociale recherche) eraan in de weg staat zelf onderzoek te doen. Evenmin ziet de rechtbank in dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, de sociale recherche geen gebruik zou kunnen maken van gegevens uit het strafdossier. In ieder geval blijkt nergens uit dat de sociale recherche hangende bezwaar pogingen heeft ondernomen om die gegevens te verkrijgen. De rechtbank kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat verweerder in het onderhavige geval de op hem rustende onderzoeksplicht heeft geschonden en het bestreden besluit dus onzorgvuldig heeft voorbereid.

Zoals hiervoor al is overwogen, staat op basis van de beschikbare gegevens niet vast en is evenmin voldoende aannemelijk geworden dat er inkomsten uit criminele activiteiten zijn gegenereerd die bij verweerder gemeld hadden moeten worden. Dit brengt met zich dat er onvoldoende feitelijke grondslag is om aan te kunnen nemen dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat [ex-echtgenoot] in de in geding zijnde periode inkomsten uit handel in verdovende middelen heeft verworven. Het bij verweerder gerezen (zwaarwegend) vermoeden, gebaseerd op de jegens [ex-echtgenoot] gerezen verdenking, is hiervoor in ieder geval onvoldoende. De rechtbank tekent hierbij nog aan dat zij niet inziet dat eiseres bij verweerder melding zou moeten maken van inkomsten, waarvan slechts wordt vermoed dat die (uit criminele activiteiten) zijn verworven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerders standpunt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden onvoldoende is onderbouwd. Bij gebreke aan een deugdelijke onderbouwing van dat standpunt valt vooralsnog niet in te zien dat verweerder bevoegd was de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 januari 1998 tot 27 november 1998 in te trekken en terug te vorderen. Derhalve ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voor zover eiseres met haar ter zitting gedane verzoek om ook het primaire besluit van 12 februari 1999 te vernietigen, heeft beoogd de rechtbank te verzoeken om met gebruikmaking van haar bevoegdheid ex artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit te herroepen, ziet de rechtbank geen aanleiding om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Immers, na vernietiging van het bestreden besluit zal, gelet op het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, een volledige heroverweging van het primaire besluit moeten plaatsvinden, in het kader waarvan verweerder onderzoek zal kunnen (moeten) doen naar de mogelijke schending van de inlichtingenplicht door eiseres. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het niet opportuun het primaire besluit te herroepen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het gaat om de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à

€ 322,-- per punt) en reiskosten die eiseres heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting. Deze reiskosten wordt vastgesteld op € 8,-- (Oldenzaal - Almelo v.v.).

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten , die worden bepaald op € 652,--, door de gemeente Oldenzaal te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- verstaat dat de gemeente Oldenzaal aan eiseres het griffierecht ad € 39,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.

Afschrift verzonden op

PA