Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC3843

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
74683 ha za 06-15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 74683 ha za 06-15

datum vonnis: 16 januari 2008 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

Y,

wonende te Enschede (O),

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

verder te noemen: Y,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen: Dexia,

procureur: mr. E.M.M. van de Loo.

Procesverloop

1. Y heeft Dexia bij inleidende dagvaarding van 21 oktober 2005 gedagvaard. Na een akte van schorsing van Dexia, is de procedure middels een akte tot hervatting d.d.

4 april 2007 hervat en heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen.

Na een conclusie van repliek tevens houdende conclusie van antwoord in conventie tevens akte vermeerdering van eis zijdens Y en een conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie (tevens antwoordakte vermeerdering eis) van Dexia, gevolgd door een conclusie van dupliek van Y, hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie en in reconventie:

Feiten (kort samengevat)

2. In 1998, 2000 en 2001 is Y middels brochures, advertenties (krant en telefoon) in contact gekomen met Legio Lease, een rechtsvoorgangster van Dexia.

3. Als gevolg daarvan sloot Y vier aandelenlease-overeenkomsten:

in 1998 een “Koersleasen” en “Parelplan”, in 2000 een “Beleggen met Bonus” en in 2001 een “WinstVerDriedubbelaar” (productie 2, 3, 4 en 5 dagvaarding).

4. Op de overeenkomst “Koersleasen” onder nummer 42000108 d.d. 30 juni 1998 met een voor de duur van 120 maanden totaal overeengekomen leasesom van f 30.651,12 betaalde Y 80 termijnen van € 67,41 = € 5.392,80.

5. Op de overeenkomst “Parelplan” onder nummer 4400687 d.d. 3 juli 1998 met een voor de duur van 60 maanden overeengekomen totale lease-som van f 11.192,76 betaalde Y aan een bedrag van € 1.815,01 ineens en 21 termijnen van € 19,73 nadien. In totaal € 2.229,34.

6. Op de overeenkomst “Beleggen met Bonus” onder nummer 90184089 d.d.

12 december 2000 met een voor de duur van 36 maanden overeengekomen lease-som van

€ 7.301,48 betaalde Y een bedrag van € 1.872,72 ineens aan en nadien over de periode december 2003 tot en met februari 2005 15 termijnen van € 32,82. In totaal

€ 2.365,02.

7. Op de overeenkomst “WinstVerDriedubbelaar” onder nummer 75042785 d.d.

27 maart 2001 met een voor de duur van 36 maanden overeengekomen totale lease-som van € 5.020,56 betaalde Y 36 termijnen van € 24,19 = € 870,84 en voldeed Y de na afloop gebleven restschuld van € 1.494,55 (productie 8 dagvaarding), oftewel in totaal

€ 2.365,39.

8. Bij brief van 4 april 2005 zijn namens Y de aandelenleaseovereenkomsten buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd, is Dexia aansprakelijk gesteld en gesommeerd de inleg van Y te restitueren (productie 6 dagvaarding).

9. In oktober 2005 heeft Dexia de aandelen van de overige leaseovereenkomsten verkocht en Y voor de restschulden aangeslagen (productie 9, 10 en 11 dagvaarding):

- Parelplan ad € 1.598,34;

- Koersleasen ad € 1.144,39;

- Beleggen met Bonus ad € 2.734,18.

10. Y is door Dexia vanwege het niet-voldoen van voormelde restschulden bij het BKR te Tiel gemeld en aldaar geregistreerd met een z.g. A-codering.

De vordering van Y

11. Y vordert inclusief de bij repliek vermeerderde eis:

I. Verklaring voor recht dat de overeenkomsten ontbonden zijn althans die te ontbinden

subsidiair die nietig zijn respectievelijk Dexia onrechtmatig jegens Y heeft

gehandeld en Dexia deswege schadeplichtig is.

II. Dexia te veroordelen tot voldoening aan Y van € 12.352,55 althans € 8.866,81.

III. Voornoemd bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagen dat de

onderscheiden deelbetalingen zijn verricht althans Dexia in verzuim verkeert

(15 mei 2005) althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der betaling.

IV. Dexia te veroordelen op straffe ener dwangsom het BKR op te dragen de A-notering van

Y ongedaan te maken.

V. Voor recht te verklaren dat de restschulden van Y als genoemd in de dagvaarding

vervallen zijn.

VI. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VII. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

12. Y baseert de vorderingen op het niet inachtnemen door Dexia van haar zorgplicht ingevolge de Wet Toezicht Effectenverkeer (WTE) respectievelijk de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet (WCK).

Het verweer (kort samengevat)

13. Omtrent de aandelenleaseovereenkomsten is Y door Legio Lease op diens verzoek in voldoende mate geïnformeerd en geadviseerd aan de hand van de brochures, toelichtende brief, aanvraagformulieren en (concept)overeenkomsten.

Ten aanzien van de vier litigieuze aandelenleaseovereenkomsten voegt Dexia toe dat Y de overeenkomst “Parelplan” bij overeenkomst van 7 juli 2003 en “Beleggen met Bonus” bij overeenkomst d.d. 15 december 2003 heeft verlengd en eerst na beëindiging in 2005 de restschulden zijn ontstaan.

14. Verder wijst Dexia erop dat Y behalve de reeds genoemde overeenkomsten daarvoor nog vier -inmiddels geëindigde- aandelenleaseovereenkomsten heeft gesloten:

a. De “WinstVerDriedubbelaar” onder nummer 72005714 d..d. 22 november 1996

(productie 5 CvA) die per 21 november 2001 geëindigd is met een uitkering aan Y

van € 4.815,46.

b. De “WinstVerDriedubbelaar” onder nummer 73008182 d.d. 2 mei 1997 (productie 6

CvA) die per 2 mei 2002 is geëindigd met een uitkering aan Y van € 857,31.

c. De “Beleggen met Korting” onder nummer 90017476 d.d. 11 december 1997 (productie 7

CvA), die per 11 december 2000 is geëindigd met een uitbetaling aan Y van een

bedrag van € 1.920,57, naast € 764,51 aan dividend.

d. De “WinstverDriedubbelaar” onder nummer 74056947 d.d. 26 maart 1998 (productie 8

CvA) die per 26 maart 2001 is geëindigd met een uitbetaling van € 1,18 aan Y.

Dexia stelt dat Y door het sluiten c.q. de wijze van eindigen van deze vier overeenkomsten niet alleen op de hoogte was/moet zijn geweest van de “ins en outs” van de nadien door hem gesloten aandelenleaseovereenkomsten, maar hij tevens ten onrechte nalaat de voordelig voor hem afgelopen overeenkomsten althans de daaruit voortgevloeide voordelen in zijn vordering te verdisconteren.

15. De WCK acht Dexia op deze overeenkomsten niet van toepassing en aan haar zorgplicht (in de zin van NR99 voor zover al van toepassing) zegt zij onder meer middels het vorenstaande en de informatie bij het BKR te hebben voldaan.

16. Voor alles stelt Dexia dat Y handelt in strijd met diens substantiëringsverplichting ex artikel 111 lid 3 Rv, aangezien verzuimd alle bekende verweren in de dagvaarding op te nemen.

Voorts betwist Dexia het causaal verband van de gestelde schade c.q. de hoogte ervan, onder meer vanwege het feit dat aan Y een bedrag van € 588,06 en € 95,07 aan dividend is uitgekeerd, verder sprake is van eigen schuld van Y en wettelijke rente eerst verschuldigd kan zijn vanaf verzuim.

Betreffende de A-codering bij het BKR te Tiel stelt Dexia niet bij machte te zijn tot het doen doorhalen ervan.

Dexia concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing van de vorderingen van Y.

17. Bij repliek stelt Y ten aanzien van de vier laatstgenoemde, niet door hem in de vordering betrokken overeenkomsten dat deze weliswaar met een uitbetaling aan hem geëindigd zijn, doch gezien het door hem voordien betaalde niet van een voordelige afloop kan worden gesproken.

Reconventie

18. Onder verwijzing naar het in conventie gestelde vordert Dexia van Y betaling van de totaal gebleven restschulden van € 5.476,91 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 oktober 2005 althans 18 juli 2007 (conclusiedatum) en buitengerechtelijke incassokosten.

Het verweer van Y dienaangaande beperkt zich tot de stelling dat die vordering afstuit op het in conventie gestelde en het bedrag der restschuld zich oplost in de toe te passen restitutieformule.

De beoordeling

19. De vier litigieuze aandelenleaseovereenkomsten “Koersleasen”, “Parelplan”, “Beleggen met Bonus” en “WinstverDriedubbelaar” genummerd 42000108, 4400687, 90184089 en 75042785 staan tussen partijen vast evenals de totaal per overeenkomst overeengekomen en hierboven genoemde leasesommen, het feit dat Y in totaal op alle overeenkomsten

€ 12.352,55 aan lease(=rente)termijnen heeft voldaan en hem € 683,13 aan dividend is uitgekeerd.

Voorts dat na tussentijdse beëindiging van de overeenkomsten door Y per overeenkomst per 7 oktober 2005 de in reconventie gevorderde restschulden van totaal

€ 5.476,91 zijn gebleven.

WCK

20. De rechtbank handhaaft haar in eerdere uitspraken ingenomen standpunt dat de WCK op zich op aandelenleaseovereenkomsten als de onderhavige van toepassing is.

Voor de beoordeling van de toepasselijkheid in deze zaak neemt de rechtbank de vier overeenkomsten wat betreft de overeengekomen leasesommen tezamen, waar die overeenkomsten (nagenoeg) identiek zijn, dezelfde opbouw aan systeem en bedragen kent en nagenoeg tegelijkertijd althans in een kort tijdsbestek na elkaar, zijn gesloten.

Het totaal dezer leasesommen overtreft dan het tot 1 februari 2000 geldende plafondbedrag van de WCK ad € 22.652,--, zodat de WCK om die reden toepassing mist.

Zorgplicht/onrechtmatige daad

21. Waar Y in 1998, 2000 en 2001 op eigen initiatief de vier aandelenlease-overeenkomsten heeft gesloten, na in de jaren 1996 en 1997 al vier eerdere aandelenleaseovereenkomsten te zijn aangegaan, hem daaraan voorafgaand brochures zijn verstrekt en hem concept-overeenkomsten zijn gestuurd, die hij in redelijke rust en niet onder druk van (het bezoek van) enige op provisie beluste tussenpersoon heeft (kunnen) bestuderen en ondertekenen, trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat het Y in voldoende mate duidelijk is geweest wat de litigieuze aandelenleaseovereenkomsten inhielden.

Door Y wordt de facto ook niet gesteld dat het door hem ontvangen informatie-materiaal ondeugdelijk is, zijn kritiek beperkt zich tot het punt dat onvoldoende is gewezen op risico’s die samenhangen met beleggen in aandelen: namelijk dat bij een waardedaling die restschuld niet geheel wordt voldaan en er dus bijbetaald moet worden respectievelijk na afloop van een (eerste) contract hij met een “enorme” schuld wordt geconfronteerd.

22. De rechtbank is van oordeel dat deze kritiek onvoldoende hout snijdt.

In de in het geding gebrachte documentatie wordt voldoende duidelijk gewezen op de mogelijkheid van minder goede afloop en de mogelijkheid van verlengen “in afwachting betere tijden”.

Daarnaast verhoudt die kritiek zich evenmin met het feit dat Y eerder al vier aandelenleaseovereenkomsten had gesloten respectievelijk twee van de litigieuze overeenkomsten in 2003 zonder enig voorbehoud heeft verlengd en bij die gelegenheid het risico op een (verdere) restschuld uitdrukkelijk heeft geaccepteerd na keuze uit verdere opties als verkoop van de aandelen met verrekening van de opbrengst of het zelf overnemen van de aandelen.

23. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot enig verder onderzoek naar de door Y, desondanks gestelde onrechtmatige daad, vanwege het niet in acht nemen van enige zorgplicht of het honoreren van enig bewijsaanbod van Y in dat kader.

24. De conclusie is dan ook dat ten aanzien van de vier litigieuze aandelenleaseovereen-komsten in het door Y gestelde geen grondslag kan worden gevonden voor een onrechtmatige daad van Dexia.

De vordering in conventie van Y zal worden afgewezen en hij zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.

In reconventie

25. Onder verwijzing naar het hiervoor in conventie overwogene staan tussen partijen vast de vier aandelenleaseovereenkomsten en de daaruit voor Y voortgevloeide restschulden van in totaal € 5.476,91.

Daartegen is door Y geen verder verweer gevoerd dan dat deze zou afstuiten op het in conventie gestelde en het bedrag zich zou oplossen in een toe te passen restitutieformule.

Nu daarvan in deze zaak geen sprake is, is de vordering van Dexia ter zake bij gebreke aan enig ander verweer als zodanig toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente vanaf

18 juli 2007 (conclusiedatum).

Ook in reconventie zal Y als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van Y tegen Dexia.

II. Veroordeelt Y in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze

uitspraak begroot op € 294,-- aan griffierechten en € 904,-- aan salaris voor de procureur.

In reconventie:

III. Veroordeelt Y om aan Dexia te betalen een bedrag van € 5.476,91

(vijfduizendvierhonderdzesenzeventig EURO 91/100) vermeerderd met wettelijke rente

vanaf 18 juli 2007 tot aan de dag der voldoening.

IV. Veroordeelt Y in de proceskosten aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze

uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 384,-- aan salaris voor de procureur.

V. Verklaart dit vonnis wat betreft punt III en de kostenveroordelingen onder II en IV

uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 16 januari 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.