Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2008:BC1180

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
08/710180-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is werkzaam als huisarts en heeft als zodanig ook jarenlang als huisarts van zijn moeder gefungeerd. De moeder van verdachte werd op 25 februari 2005 met ernstige gezondheidsklachten opgenomen in een verpleeghuis en is daar enkele dagen later in het bijzijn van verdachte overleden. Verdachte werd verweten dat hij eigenhandig - zonder overleg met verpleeghuisarts én zonder registratie van zijn medische handelingen - zijn moeder verdovende en spierverlammende stoffen (morfine, Dormicum, pethidine) had toegediend als gevolg waarvan zij zou zijn overleden. De tenlastelegging luidde dat verdachte opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zijn moeder van het leven heeft beroofd. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de dood van de vrouw door toediening van medicijnen is veroorzaakt. Evenmin is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte de bedoeling had het leven van zijn moeder te beëindigen, in plaats van de symptomen te bestrijden en het leed te verzachten. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van al het ten laste gelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer : 08/710180-05

Uitspraak d.d.: 4 januari 2008

STRAFVONNIS

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafza¬ken, rechtdoende

in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonadres],

terechtstaande ter zake dat,

hij op of omstreeks 1 maart 2005,

in de gemeente Haaksbergen, althans in het arrondissement Almelo,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zijn moeder M.D.C. T. van

het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig

overleg, genoemde vrouw meermalen, althans eenmaal (telkens) injecties,

en/althans medicijnen, bevattende morfine en/of Dormicum en/of pethidine,

althans een verdovende en/of een spierverlammende stof toegediend

tengevolge waarvan voornoemde vrouw is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 01 maart 2005 te Haaksbergen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten

rade zijn moeder M.D.C. W-T van het leven te beroven, met dat opzet en al dan

niet na kalm beraad en rustig overleg genoemde vrouw meermalen, althans

eenmaal (telkens) injecties, en/althans medicijnen, bevattende morfine en/of

Dormicum en/of pethidine, althans een verdovende en/of een spierverlammende

stof toegediend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard behoort te worden omdat de vervolging van verdachte getuigt van volstrekte willekeur, hetgeen in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve van een behoorlijke procesorde. De raadsman heeft in dat verband onder meer gewezen op “de zaak Vencken” waarin vonnis is gewezen door de rechtbank Breda d.d. 10-11-2004 (LJN: AR5394). In deze zaak, aldus de raadsman, is de verdachte onder vergelijkbare omstandigheden vrijgesproken, welke vrijspraak het hof Den Bosch bij arrest van 19-07-2005 (LJN: AU0211) heeft bevestigd.

De rechtbank overweegt daaromtrent.

Voorop staat dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter is. Slechts indien een vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van een goede procesorde, kan er sprake zijn van verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Omdat de belangenafweging omtrent al dan niet vervolgen expliciet aan het openbaar ministerie is toebedeeld, kan de toetsing van de vervolgingsbeslissing door de rechter slechts marginaal zijn; beoordeeld wordt slechts of het openbaar ministerie, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing is kunnen komen. Met inachtneming van dit uitgangspunt overweegt de rechtbank met betrekking tot het door de raadsman gevoerde niet ontvankelijkheidsverweer in het bijzonder het volgende.

Uit het vooronderzoek blijkt dat:

• verdachte heeft verklaard sedert 20 jaar de huisarts van zijn moeder te zijn;

• verdachtes moeder op 25 februari 2005 is opgenomen in het verpleeghuis “het Wiedenbroek” te Haaksbergen;

• er met de verpleeghuisarts overleg is geweest over behandeling en medicatie van verdachtes moeder;

• verdachte meende dat hij ook in het verpleeghuis als behandelend arts van zijn moeder kon optreden;

• verdachte in afwijking van de met de verpleeghuisarts gemaakte afspraken en zonder voorafgaand overleg met de verpleeghuisarts, aan zijn moeder het slaapmiddel dormicum heeft toegediend;

• verdachte enkele uren voordat zijn moeder overleed de zuurstoftoediening heeft beëindigd (eveneens zonder voorafgaand overleg met de verpleeghuisarts);

• verdachte er op heeft aangedrongen zelf de overlijdensakte van zijn moeder in te vullen;

• de verpleeghuisarts geen verklaring van een natuurlijke dood heeft willen afgeven;

• er in de kamer van de moeder van verdachte twee lege ampullen pethidine zijn gevonden, een middel dat in het verpleeghuis niet voorhanden was en ook niet was voorgeschreven door de arts van het verpleeghuis, terwijl verdachte tegenover de politie heeft verklaard nooit pethidine toe te zullen dienen aan patiënten die terminaal zijn, omdat je er erg misselijk van wordt en ook tegenover de rechter-commissaris heeft ontkend pethidine aan zijn moeder te hebben toegediend. (Verdachte heeft eerst op de terechtzitting van 18 april 2006 verklaard zijn moeder pethidine te hebben toegediend, omdat hij geen morfine bij zich had);

• in de auto van verdachte een leeg medicijndoosje dat volgens het etiket gevuld is geweest met twee (2) stuks injectie dormicum vijf (5) milligram en een verpakking inhoudende een lege ampul morfine zijn aangetroffen;

• verdachte zijn handelingen op geen enkele wijze schriftelijk heeft vastgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende feiten en omstandigheden voorhanden waren op grond waarvan het openbaar ministerie kon concluderen dat er sprake was van een verdenking van een dusdanig ernstig strafbaar feit dat het, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing kon komen. Van volstrekte willekeur, strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en derhalve van een behoorlijke procesorde, is dan ook geen sprake.

De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat de dood van de moeder van verdachte door de in de tenlastelegging weergegeven toediening van medicijnen is veroorzaakt. Ten aanzien van die toediening is de rechtbank er, gelet op de inhoud van de deskundigenrapporten en de verklaring van verdachte, niet van overtuigd dat – gezien zowel de aard van de middelen als de dosering ervan – het verdachtes bedoeling is geweest het leven van zijn moeder te beëindigen in plaats van de bij zijn moeder waargenomen symptomen te bestrijden.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem primair is ten laste gelegd.

De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte subsidiair is tenlastegelegd.

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte opzet op de dood van zijn moeder had toen hij haar morfine, dormicum en pethidine toediende.

De moeder van verdachte was een patiënt die in de stervensfase verkeerde. Zij had na een langdurig ziekbed te kampen met ernstige ademhalingsproblemen. Zij had onder meer zuchtige longen en een dubbelzijdige longontsteking; haar overlijden was nabij. Besloten was om haar nog slechts palliatieve zorg te verlenen. In dat kader werd haar morfine toegediend.

De verdachte heeft zijn moeder op de bewuste dag, toen na toediening van de met de verpleeghuisarts afgesproken hoeveelheid morfine, er geen vermindering van lijden

waar te nemen was, morfine bijgespoten en ook dormicum en pethidine toegediend.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van een excessieve medicatie, laat staan van een medicatie die zodanig excessief was dat uit het enkele feit van de toediening daarvan reeds het bestaan van een op de dood van zijn moeder gericht opzet zou kunnen worden afgeleid. De toegediende medicatie kan qua aard, hoeveelheid en combinatie passen bij hetgeen verdachte heeft verklaard namelijk dat hij met zijn handelen slechts symptomen heeft bestreden en heeft beoogd leed te verzachten en te sederen. Hetgeen de getuigen, in het bijzonder de verpleegkundigen, hebben gehoord, gezien en beschreven is daarmee niet onverenigbaar.

Ook van het bestaan van voorwaardelijk opzet op de dood van zijn moeder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals

hier de dood - is volgens vaste jurisprudentie aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis

toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregel aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van

de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is

verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-

indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Met betrekking tot de omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt:

op 1 maart 2005 is verdachte door de verpleeghuisarts gebeld met de mededeling dat het slecht ging met zijn moeder en dat het niet meer lang kon duren: zijn moeder was stervende.

Op instigatie van de verpleeghuisarts is besloten de reguliere medicatie te stoppen. Er werd afgezien van alle behandelingen met uitzondering van wat nodig was voor pijnbestrijding.

Om 14.00 uur die dag werd met de toediening van morfine begonnen. Verdachte heeft voorts aan zijn moeder die dag om 18.00 uur naar hij heeft verklaard 2 x 2cc (5 mg) dormicum toegediend. Ook heeft hij haar pethidine toegediend.

Gelet op de schriftelijke rapportages van onder meer Zuurmond en Uges past op zich zelf de toediening van morfine, dormicum, en pethidine, zijnde een vervangend middel voor morfine,

ook in combinatie met elkaar, in een gebruikelijk medisch beleid van pijnbestrijding. Het gebruik van deze middelen brengt echter met zich dat het leven van de patiënt kan worden

verkort.

Uitgangspunt bij de verdere beoordeling dient te zijn of de verdachte, uitgaande van de conditie van zijn moeder de te verwachten levensduur en de ten aanzien van haar afgesproken

behandeling, met zijn handelingen een zodanige verkorting van de levensduur willens en wetens heeft aanvaard dat geoordeeld moet worden dat bij zijn handelen de verkorting van het

leven voorop stond. Het is immers maatschappelijk aanvaard dat pijnbestrijding plaatsvindt in omstandigheden als hiervoor weergegeven ook door middel van sederen, zelfs indien dit,

zoals vaak het geval zal zijn, als neveneffect er toe leidt dat de patiënt eerder komt te overlijden. De enkele kans op eerder overlijden is onder deze omstandigheden niet voldoende

om voorwaardelijk opzet op het doden aan te nemen.

Gelet op genoemde rapportages is de rechtbank van oordeel dat uit de door de verdachte aan zijn moeder toegediende hoeveelheden morfine, dormicum en pethidine, in het licht van de

afgesproken behandeling, de te verwachten levensduur en de lichamelijke conditie, niet blijkt dat verdachte het voorwaardelijk opzet had op de dood van zijn moeder.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem subsidiair is ten laste gelegd.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn strafvervolging;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd;

Spreekt hem daarvan vrij;

Heft op het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. Rikken, voorzitter,

mrs. Stoové en Teekman, rechters,

in tegenwoordigheid van Groot, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank voornoemd,

op 4 januari 2008.