Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BH1937

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
72574 / HA ZA 05-717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Factoring-dienstverlening; vertegenwoordiging; onverschuldigde betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 72574 / HA ZA 05-717

datum vonnis: 21 maart 2007 (m)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. de onderlinge waarborgmaatschappij

Onderlinge Waarborgmaatschappij

MENZIS ZORGVERZEKERAAR U.A.,

statutair gevestigd te Zwolle,

als rechtsopvolger onder algemene titel van

de onderlinge waarborgmaatschappij

Onderlinge Waarborgmaatschappij

AMICON ZORGVERZEKERAAR ZIEKENFONDS U.A.,

statutair gevestigd te Wageningen,

2. de onderlinge waarborgmaatschappij

Onderlinge Waarborgmaatschappij

MENZIS PARTICULIER U.A.,

statutair gevestigd te Zwolle,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

procureur mr. T.J. van Drooge,

advocaat voorheen mr. J.J. van der Helm, thans mr. W.I. Wisman te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DFA SERVICE B.V.,

statutair gevestigd te Meppel,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. E.M.M. van de Loo,

advocaten mr. C.N. Peijster en mr. M. Spiegel te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Amicon en DFA genoemd worden.

1. Het verdere procesverloop

1.1. Het verder procesverloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis d.d. 28 juni 2006;

- de brief van de advocaat van DFA d.d. 7 september 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 9 oktober 2006;

- akte houdende een productie;

- antwoordakte.

1.2. Partijen hebben vonnis gevraagd, welk vonnis is bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

in conventie en in reconventie:

2.1. De rechtbank neemt hier over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar vonnis van 28 juni 2006.

Verjaring

2.2. Op grond van artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

Op grond van artikel 3:317 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

2.3. De rechtbank is van oordeel dat de brief van Amicon d.d. 18 oktober 2002, productie 4 bij dagvaarding, een duidelijke mededeling behelst, waaruit blijkt dat Amicon ondubbelzinnig haar recht op terugbetaling voorbehoudt. De rechtbank is van oordeel dat door deze brief de verjaring is gestuit en dat er in casu geen sprake is van verjaring.

Vertegenwoordiging

2.4. Uit artikel 4 lid 1 van de tussen partijen geldende overeenkomst van 6 januari 1999, hierna te noemen ‘de overeenkomst’, blijkt dat DFA zich jegens Amicon tot de volgende werkzaamheden verplichtte:

1. het aanbieden van factoring-dienstverlening aan tandartsen in het primaire werkgebied van Amicon; deze dienstverlening bestaat uit het volledig overnemen door DFA van alle dan wel een gedeelte van de vorderingen op patiënten van de individuele tandarts;

2. het geautomatiseerd aanleveren van tandartsdeclaraties aan Amicon voor wat betreft de verzekerde verrichtingen;

3. het met de tandarts afrekenen van de verzekerde verrichtingen voor zover DFA deze bedragen heeft ontvangen van Amicon;

4. de financiële afhandeling van de onverzekerde verrichtingen vindt plaats tussen DFA en de tandarts.

2.5. Op grond van dit artikel is de rechtbank van oordeel dat DFA voor wat betreft het betalingsverkeer tussen de tandartsen en Amicon, voor zover het ging om verzekerde verrichtingen, als onmiddellijk vertegenwoordiger fungeerde. De tandarts werd pas betaald als DFA het geld van Amicon had ontvangen. Dat DFA pro se overeenkomsten sloot met tandartsen doet daaraan niet af, in dat geval was immers sprake van een andere geldstroom, namelijk de geldstroom tussen de patiënt en de tandarts voor niet verzekerde tandartsverrichtingen.

Onverschuldigde betaling

2.6. Artikel 6:203 BW bepaalt dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.

2.7. Op basis van artikel 5 lid 6 van de overeenkomst verstrekte Amicon in die gevallen dat zij niet aan de verplichtingen, genoemd in lid 4 (Amicon diende op grond van dit artikellid het te vergoeden bedrag met betrekking tot de verzekerde verrichtingen af te rekenen door storting van het verschuldigde bedrag), kon voldoen, een voorschot aan DFA ter grootte van de ingediende declaratie waarvoor de verplichting niet werd nagekomen.

Het was blijkens lid 6 van de overeenkomst, de bedoeling dat dit voorschot met de eerstvolgende declaratie tussen Amicon en DFA, en vervolgens tussen DFA en de tandarts werd verrekend.

Op grond van deze afspraken is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van onverschuldigde betaling, voor zover Amicon conform artikel 5 lid 6 van de overeenkomst betalingen verrichtte aan DFA. Er was derhalve een rechtsgrond voor de voorschotbetalingen door Amicon aan DFA aanwezig.

Amicon heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van declaraties die ten onrechte tweemaal zijn bevoorschot. In dat geval is er sprake van onverschuldigde betaling. Mocht DFA het ten onrechte door Amicon aan DFA uitgekeerde bedrag aan de tandarts hebben uitbetaald, heeft Amicon een vorderingsrecht op die tandarts en niet op DFA, tenzij de verkeerde uitbetaling door toedoen van DFA heeft plaatsgevonden. Dit laatste zal dan door Amicon bewezen moeten worden.

Het zogenaamde “generaal pardon”

2.8. Tussen partijen staat vast dat het zogenaamde “generaal pardon” inhield dat Amicon ervan afzag de nog niet verrekende voorschotten die de tandartsen van Amicon hadden ontvangen voor verrichtingen die de tandartsen gedurende de periode van januari tot december 2000 hadden gedeclareerd, te verrekenen.

2.9. De overeenkomst tussen partijen heeft tot en met 31 december 2001 geduurd. De door Amicon tegen DFA ingestelde vordering heeft derhalve betrekking op de periode van 1 december 2000 tot en met 31 december 2001.

Uitleg overeenkomst, toerekenbare tekortkoming

2.10. Amicon stelt dat DFA tekortgeschoten is jegens haar in de nakoming van de overeenkomst. Volgens Amicon diende DFA de declaraties van de tandartsen te splitsen in verzekerde en in niet-verzekerde verrichtingen. DFA betwist dat. Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of DFA te kort geschoten is in de nakoming van de overeenkomst, dient de overeenkomst te worden uitgelegd.

In artikel 4 lid 1 van de overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat DFA voor wat betreft de verzekerde verrichtingen de tandartsdeclaraties geautomatiseerd aan Amicon diende aan te leveren.

In artikel 5 lid 2 zijn partijen overeengekomen dat DFA voor elke tandarts een declaratie conform de overeengekomen lay-out van verzekerde en onverzekerde verrichtingen bij Amicon aanlevert met betrekking tot Amicon-ziekenfondsverzekerden.

Amicon heeft bij dagvaarding gesteld dat het bij deze zaak gaat om de groep van ziekenfondsverzekerden die in aanvulling op de ziekenfondsverzekering hebben gekozen voor een aanvullende verzekering (en dus niet om de groep van verzekerden die een integrale particuliere verzekering hebben gesloten omdat zij niet als ziekenfondsverzekerden zijn aan te merken).

2.11. Het staat tussen partijen vast dat Amicon de partij was die moest toetsen of er sprake was van een aanvullende verzekering en of in dat geval de maximale vergoeding voor een bepaalde verrichting in een bepaald jaar was bereikt.

De vraag die in deze procedure beantwoord dient te worden is of DFA te kort is geschoten jegens Amicon bij de uitvoering van de overeenkomst door de tandartsdeclaraties niet conform de overeengekomen lay-out aan Amicon aan te leveren.

2.12. Op grond van artikel 5 lid 6 van de overeenkomst diende het door Amicon betaalde voorschot met de eerstvolgende declaratie tussen Amicon en DFA, en vervolgens tussen DFA en de tandarts verrekend te worden.

Op grond van artikel 5 lid 4 van de overeenkomst diende Amicon het te vergoeden bedrag met betrekking tot de verzekerde verrichtingen te berekenen.

Omdat DFA als onmiddellijk vertegenwoordiger voor Amicon optrad, is de rechtbank van oordeel dat het debiteurenrisico, dat ontstaat op het moment dat er sprake is van onterechte betalingen door Amicon aan DFA en vervolgens aan de tandarts, voor rekening van Amicon komt.

DFA diende op basis van de overeenkomst met de tandarts te verrekenen, maar als DFA jegens de tandarts een beroep doet op verrekening en de tandarts vervolgens niet verrekent c.q. terugbetaalt, komt dat voor rekening en risico van Amicon en niet voor DFA. In dat geval heeft Amicon een vorderingsrecht op de desbetreffende tandarts en niet op DFA.

Mocht echter de onterechte uitbetaling door toedoen van DFA door Amicon zijn verricht, is er mogelijk een vorderingsrecht van Amicon op DFA op grond van toerekenbare tekortkoming. Amicon zal moeten bewijzen dat Amicon door toedoen van DFA niet heeft kunnen verrekenen met de tandartsen.

2.13. De rechtbank overweegt dat partijen van mening verschillen over de betekenis van hetgeen is opgenomen in de overeenkomst.

2.14. De vraag hoe in de overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Haviltex-criterium).

2.15. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken zou hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang.

2.16. Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast draagt van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

2.17. De rechtbank zal op basis van het Haviltex-criterium en artikel 150 Rv.

Amicon in de gelegenheid stellen te bewijzen dat DFA jegens haar toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Amicon zal onder meer moeten bewijzen dat:

• DFA te kort is geschoten jegens Amicon bij de uitvoering van de overeenkomst door de tandartsdeclaraties niet conform de overeengekomen lay-out aan Amicon aan te leveren;

• Amicon door toedoen van DFA tandartsen ten onrechte dubbel bevoorschot heeft;

• Amicon door toedoen van DFA niet heeft kunnen verrekenen met de tandartsen.

2.18. De rechtbank zal verder iedere beslissing aanhouden.

3. De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie:

3.1. Draagt Amicon op om te bewijzen als daartoe overwogen in r.o. 2.17.

3.2. Bepaalt dat indien Amicon bewijs wenst te leveren door middel van getuigen deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. Margadant, die tot rechter-commissaris wordt benoemd.

3.3. Verwijst de zaak naar de civiele rolzitting van deze rechtbank van

11 april 2007 voor dagbepaling enquête en draagt Amicon op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en het aantal te horen getuigen.

3.4. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant, mr. J.S. de Jong en

mr. J.H. van der Veer en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 21 maart 2007.?