Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BC4383

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-11-2007
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
76568 ha za 06-206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76568 ha za 06-206

datum vonnis: 7 november 2007 (mlj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X en

X-Y,

beiden wonende te ,

eisers in conventie, gedaagden in reconventie,

verder te noemen X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

verder te noemen Dexia,

procureur: mr. J. Vestering,

Procesverloop

X heeft Dexia bij inleidende dagvaarding van 2 februari 2006 gedagvaard. Na schorsing is de procedure hervat middels akte van X van 11 april 2007.

Dexia heeft vervolgens een conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie genomen.

X heeft een conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering van eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie.

Na conclusie van dupliek in reconventie hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vordering (kort samengevat)

1. Tussen X en Labouchere N.V., een rechtsvoorganger van Dexia, is rechtstreeks - na bemiddeling door medewerkers van Pensioenpartners B.V. - een overeenkomst genaamd “AEX Plus Effect Maandbetaling”onder nummer 39287793 gedateerd 12 december 2000 (productie 2 dagvaarding).

2. Deze overeenkomst hield in het leasen van een aantal Labouchere AEX Plus Certificaten met een totale hoofdsom van € 12.765,35, daarover te betalen rente tijdens de looptijd van de lease-overeenkomst van € 19.905,85, derhalve een totaal overeengekomen leasesom van

€ 32.671,20.

3. Verdere voorwaarden:

2. Deze leaseovereenkomst wordt aangegaan voor een ononderbroken periode van 240 maanden, te rekenen vanaf de dagtekening van deze overeenkomst.

3. Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de restant-hoofdsom. Bij beëindiging binnen deze 60 maanden is lessee naast betaling of verrekening van de restant-hoofdsom tevens de nog niet verstreken maandtermijnen t/m de 60e maand verschuldigd, waarbij over deze maandtermijnen een korting wordt verleend van 50%.

4. De lease-som bedraagt het totaal van 240 gelijke termijnen van zegge € 136,13/ f 299,99

(....). De eerste maandtermijn dient te worden voldaan op of omstreeks de 1e van de maand volgend op de dagtekening van deze overeenkomst en daarna telkens op of omstreeks de 1e van de daarop volgende maand.

4. In voornoemde zin heeft X in totaal 60 termijnen á € 136,13 betaald, totaal een bedrag van € 8.167,80.

5. X heeft bij brief aan Dexia van 5 december 2005 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze overeenkomst te beëindigen. Om die reden is voor X een restschuld aan Dexia ontstaan van € 1.172,63 (zie voor de eindafrekening bijlage 3 bij de dagvaarding), welk bedrag tot op heden niet door X aan Dexia is voldaan.

6. Bij brief van 4 januari 2006 heeft X Dexia aansprakelijk doen stellen, de lease-overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd tot restitutie van de inleg over te gaan.

7. Zulks baseert X op zodanig tekortschieten van Dexia in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, dat X gerechtigd is de lease-overeenkomst te ontbinden; tevens beroept X zich op de bepalingen van de Wet Consumenten Krediet (WCK), met name het ontbreken van de vereiste vergunning ex artikel 9 van die wet en dienvolgens nietigheid van de lease-overeenkomst. Ook wordt door X de grondslag van onrechtmatig handelen in stelling gebracht.

8. X vordert:

Primair:

I. Een verklaring voor recht dat de lease-overeenkomst nietig is;

II. Dexia te veroordelen tot betaling van € 7.581,48;

III. Het bedrag sub II te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag dat de betreffende

deelbetalingen zijn gedaan althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de betaling;

IV. Dexia te bevelen op straffe van een direct opeisbare dwangsom groot € 500,-- per dag te

verbeuren voor elke dag dat Dexia na 3 dagen na betekening van het vonnis nalaat aan

dit bevel te voldoen, het BKR op te dragen de A-notering op naam van X

ongedaan te maken.

En subsidiair:

V. Te verklaren voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en

dat Dexia om die reden schadeplichtig is;

VI. Dexia te veroordelen tot betaling van € 6.125,85 (te weten 75% van € 8.167,80);

VII. Het bedrag sub VI te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag dat de

deelbetalingen zijn gedaan althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de betaling;

VIII.Te verklaren voor recht dat de restschuld van X is vervallen verklaard,

althans die schuld vervallen te verklaren;

IX. Dexia te bevelen op straffe van een direct opeisbare dwangsom groot € 500,-- per dag te

verbeuren voor elke dag dat Dexia na 3 dagen na betekening van het vonnis nalaat aan

dit bevel te voldoen, het BKR op te dragen de A-notering op naam van X

ongedaan te maken.

Primaire en subsidiair:

X. Met veroordeling van Dexia in de gedingkosten en met uitvoerbaarheid bij voorraad.

9. Bij conclusie van repliek heeft X zijn eis gewijzigd in die zin dat voormelde primaire en subsidiaire vorderingen thans als zijnde alternatief worden voorgesteld.

10. Dexia heeft geconcludeerd tot afwijzing van het in conventie gevorderde onder aanvoering van de volgende (kort samengevatte) verweren.

11. X is door Pensioen Partners B.V. geïnformeerd en geadviseerd nadat X interesse had getoond over effectenlease-producten. X is toen door Pensioen Partners B.V. een aanvraagformulier verschaft betreffende het product AEX Plus Effect Maandbetaling. De rechtsvoorganger van Dexia heeft dat formulier door X ondertekend terug ontvangen. Daarop is de hier aan de orde zijnde overeenkomst gesloten.

12. Uit hoofde van de overeenkomst diende X gedurende 240 maanden maandelijks een bedrag van € 136,13 bestaande uit rente over en aflossing van de aankoopsom van de portefeuille aan de Bank te voldoen.

13. X heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de overeenkomst na 60 maanden te beëindigen onder betaling van de restant-hoofdsom. De overeenkomst is namelijk beëindigd per 9 januari 2006. De opbrengst van de waarden was echter niet toereikend om de lening te voldoen. De bank heeft vervolgens de eindafrekening gemaakt die bij de dagvaarding is gevoegd. X heeft echter tot op heden de eindafrekening -

€ 1.172,63 - niet voldaan, dit ondanks sommatie.

14. Voor alles stelt Dexia dat X in strijd handelt met zijn substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv, aangezien hij verzuimt de van Dexia bekende verweren in de dagvaarding op te nemen. Voorts betwist Dexia dat deze lease-overeenkomst onder het bereik van de WCK valt, de bancaire zorgplicht op grond van de NR 99 niet voor deze overeenkomst geldt en –zoal aan te nemen- het causale verband tussen verwijten op laatste punt en het door X geleden beleggingsnadeel ontbreekt. Voor zover al tot toekenning van enige schade(vergoeding) aan X kan worden toegekomen, betwist Dexia de omvang van die gestelde schade, en beroept zich op eigen schuld van X in de zin van artikel 6:101 BW. Wat betreft de BKR-notering stelt Dexia slechts tot enige mededeling en niet tot wijziging of doorhaling van die registratie gehouden (en veroordeeld) kan worden.

In reconventie

15. Dexia vordert veroordeling van X tot betaling van € 1.172,63 met de contractuele rente ad 0,96% althans de wettelijke rente.

16. X heeft geconcludeerd tot afwijzing van de reconventionele vordering. Dit onder aanvoering van hetgeen in conventie is aangevoerd. Het onbetaald gebleven bedrag van de restschuld lost zich naar zeggen van X op in de door de rechtbank in conventie toe te passen restitutieformule.

De beoordeling

In conventie

17. De overeenkomst AEX Plus Effect Maandbetaling onder nummer 39287793, op 12 december 2000 gesloten, staat tussen partijen vast. Dat geldt ook voor totaal overeengekomen leasesom van € 32.671,20 de looptijd van 240 maanden, de maandelijkse verplichting van X tot betaling van € 136,13 en verdere voorwaarden als hiervoor onder (3) weergegeven.

18. Eveneens staat vast dat X 60 termijnen ad € 136,13 = € 8.167,80 aan de Bank heeft voldaan, zomede dat partijen deze overeenkomst per 9 januari 2006 hebben beëindigd en toen nog een restschuld voor X resteerde van € 1.172,63, welk bedrag tot op heden niet aan Dexia is voldaan.

WCK

19. De rechtbank acht de WCK op deze AEX Plus Effect Maandbetaling niet van toepassing vanwege overschrijding door de overeengekomen totale leasesom van het op 12 december 2000 geldende grensbedrag van deze wet van € 22.652,- (= NLG 50.000,-).

Zorgplicht; onrechtmatige daad

20. Anders dan X ziet de rechtbank de overeenkomst AEX Plus Effect Maandbetaling niet als een beleggingsovereenkomst. Immers - zoals duidelijk uit deze overeenkomst blijkt - is het voor- of nadeel uitsluitend gerelateerd aan de eindkoers ten opzichte van de beginkoers van Labouchere AEX Plus Certificaten als factor ten opzichte van de (geleasde) hoofdsom. De rechtbank kwalificeert dit als een eenvoudige kansovereenkomst zonder zelfstandig beleggingskarakter, ten aanzien waarvan niet enige en ten deze relevante zorgplicht, als bijvoorbeeld voortvloeiende uit NR 99, voor Dexia en/of Pensioenpartners B.V. heeft te gelden.

BKR

21. De vordering die ziet op het opdragen aan het BKR om de A-notering op naam van X ongedaan te maken, dient afgewezen te worden. Dexia heeft bij conclusie van antwoord op – naar het oordeel van de rechtbank - goede grond betwist dat zij het in haar macht heeft om opdracht te geven aan BKR om de A-notering op de naam van X door te halen. Bij repliek is op dat standpunt door X ook niet meer gereageerd.

22. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank in conventie tot het oordeel dat de gevorderde ontbinding, vernietiging en/of onrechtmatige daad en de daarop gegronde respectievelijk van afgeleide vorderingen van X allen afgewezen dienen te worden met veroordeling van X als in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van Dexia.

In reconventie

23. De vordering in reconventie uit hoofde van de per 9 januari 2006 bestaande restschuld ad € 1.172,63 is in principe toewijsbaar, de opeisbaarheid is als zodanig ook niet door X bestreden en de wettelijke rente is naar het oordeel van de rechtbank daarover verschuldigd vanaf 2 februari 2006, zijnde de datum van de inleidende dagvaarding waaruit blijkt dat X in verzuim is met de betaling van dit bedrag. Een ingebrekestelling was daartoe dan ook niet meer vereist. Niet is vast komen te staan dat hier bij de eindafrekening een contractuele rente van toepassing is.

24. Als in het ongelijk gesteld, dient X de aan de zijde van Dexia in reconventie gevallen gedingkosten te dragen.

De beslissing

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia gevallen

en tot op deze uitspraak begroot op € 291,-- aan verschotten en € 768,-- aan salaris

voor de procureur.

III. Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

IV. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen een bedrag van € 1.172,63

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2006 tot aan de dag

der voldoening.

V. Veroordeelt X voorts in de kosten van de procedure aan de zijde van

Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 768,-- aan salaris

voor de procureur.

VI. Verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J.Koopmans en op 7 november 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.