Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BC1233

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
06 / 1190 WIA N1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 1190 WIA N1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

1. [werkgever] Holding B.V.,

gevestigd te Ommen, eiseres,

vertegenwoordigd door de heer H. van der Meij, als beleidsmedewerker P&O werkzaam bij eiseres;

2. [eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: de heer H. van der Meij, voornoemd,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Amsterdam, locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 augustus 2006.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Op 17 januari 2006 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij besluit van 13 maart 2006 heeft verweerder besloten eiser geen uitkering toe te kennen per 20 maart 2006.

Tegen dit besluit heeft eiser op 18 april 2006 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Eiser en eiseres kunnen zich blijkens het (gezamenlijke) beroepschrift van 27 september 2006 niet met dit besluit verenigen.

Het beroep is behandeld op de openbare zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank van 24 mei 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door M. Otten, eveneens werkzaam bij eiseres. Eiseres is verschenen bij vertegenwoordigers H. van der Meij en M. Otten. Verweerder is verschenen bij gemachtigde T. van der Weert, medewerker bezwaar en beroep in dienst van verweerder.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op nieuwe medische informatie van eiser en eiseres.

Vervolgens hebben partijen verschillende stukken in het geding gebracht. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

De zaak is behandeld op de openbare zitting van de meervoudige kamer van 13 november 2007. Aan de zijde van eiser en eiseres zijn dezelfde personen verschenen als op de eerste zitting. Namens verweerder waren aanwezig D.H. Harbers en J.P. Voogd, respectievelijk medewerker bezwaar en beroep en bezwaarverzekeringsarts in dienst van verweerder.

3. Overwegingen

Het geschil

1.1 Eiser en eiseres keren zich tegen het besluit van verweerder van 18 augustus 2006. Verweerder heeft daarin zijn besluit van 13 maart 2006 onder gewijzigde motivering gehandhaafd in die zin, dat eiser in staat wordt geacht zijn eigen werk te verrichten. Eisers mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt derhalve met ingang van 20 maart 2006 minder dan 35%.

1.2 Eiser en eiseres hebben hiertegen, kort gezegd, aangevoerd dat eiser meer beperkingen kent dan verweerder heeft aangenomen. De geduide functies kunnen door eiser alleen worden verricht na toepassing van zodanige voorzieningen, dat het accepteren van die toepassing in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd. Het besluit is volgens eiser onvoldoende gemotiveerd. Ten slotte had eisers WAO-uitkering nooit in 1989 mogen worden ingetrokken.

1.3 De rechtbank zal zo nodig de gronden van het bestreden besluit en van het beroep hierna uitgebreider weergeven.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

2.1 Naar het oordeel van de rechtbank dient het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2 Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

2.3 In deze zaak heeft eiser bij brief van 18 april 2006 een bezwaar ingediend tegen het besluit van 13 maart 2006, waarin hem is medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Bij beroepschrift van 27 september 2006 heeft eiseres zowel als werkgever als gemachtigde van eiser te kennen gegeven zich niet met het bestreden besluit te kunnen verenigen. Eiseres heeft dus geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar te maken. Voor zover door eiseres is betoogd dat het bezwaarschrift van 18 april 2006 een gezamenlijk bezwaarschrift is en dat dit bezwaarschrift abusievelijk alleen door eiser is ondertekend, volgt de rechtbank dit betoog niet. Uit het bezwaarschrift van 18 april 2006 is op geen enkele wijze op te maken dat dit mede door dan wel namens eiseres is ingediend. Dat eiseres door verweerder als belanghebbende is betrokken bij de voortgang van de bezwaarprocedure van eiser en dat eiseres in de persoon van de heer H. van der Meij het woord namens eiser heeft gevoerd bij de hoorzitting van 13 juni 2006 kan evenmin afdoen aan de conclusie dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 13 maart 2006. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen het besluit van 13 maart 2006.

Beoordeling van het geschil

3. Voor zover eiser heeft willen betogen dat zijn WAO-uitkering ten onrechte per 1 januari 1989 is ingetrokken, merkt de rechtbank op dat, wat hier ook van zij, dit nu niet ter beoordeling staat. Het had op de weg van eiser gelegen om destijds rechtsmiddelen aan te wenden tegen het besluit inzake de intrekking van zijn WAO-uitkering als hij het niet eens was met dit besluit. Hier is alleen in geschil of eiser met ingang van 20 maart 2006 zijn eigen werk (weer) kan verrichten.

4. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze is uitgevoerd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de primaire verzekeringsarts, de heer J.W. Zadelhoff, zowel een lichamelijk als psychisch onderzoek heeft verricht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts een anamnese afgenomen en een dossierstudie verricht. Uit de aanvullende rapportage van 9 maart 2006 blijkt dat de verzekeringsarts telefonisch overleg heeft gevoerd met dr. J.A. Smit, internist. De door dr. Smit verstrekte informatie is door de verzekeringsarts bij zijn beoordeling betrokken. De bezwaarverzekeringsarts, de heer D.W. Seyfert, heeft eiser gezien en gesproken tijdens de hoorzitting op 13 juni 2006. Daarnaast heeft hij een dossierstudie verricht. Tevens heeft hij informatie bij dr. G.J. Molijn, uroloog, en dr. J.A. Smit, internist, ingewonnen. De ontvangen informatie van Molijn en Houwerzijl, internist (die bij afwezigheid van dr. Smit heeft gereageerd) heeft de bezwaarverzekeringsarts bij zijn beoordeling betrokken. Van een onvoldoende of onzorgvuldig medisch onderzoek is in dit geval dan ook geen sprake.

5.1 De rechtbank heeft geen twijfel aan de juistheid van de zienswijze van de (bezwaar-) verzekeringsarts ten aanzien van de beperkingen die eiser als gevolg van zijn klachten ondervindt.

5.2 Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts eiser beperkt heeft geacht op de items “Tillen en dragen” en “Frequent zware lasten hanteren tijdens het werk” vanwege een onvoldoende ingestelde hypertensie die tot een verdikking van de hartspier heeft geleid. Een door de beperkte nierfunctie veroorzaakte hypertensie is niet reversibel en frequent zwaar tillen en dragen zou de belasting voor het hart- en vaatstelsel verder verhogen, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

5.3 Over de klachten van chronische vermoeidheid overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 27 juli 2006 gemotiveerd heeft aangegeven waarom deze klachten niet tot (aanvullende) beperkingen leiden. Seyfert zet uiteen dat er sprake is van geobjectiveerde lichamelijke stoornissen, namelijk een chronische nierinsufficiëntie zonder klinische verschijnselen bij éénnierigheid. Deze stoornis kan echter de vermoeidheid niet verklaren, zoals ook blijkt uit de informatie van Houwerzijl waarover Seyfert op dat moment beschikte.

5.4 Hetgeen nadien bekend is geworden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan dit oordeel. Houwerzijl heeft in een brief van 15 mei 2007 uiteengezet dat een gebrek aan fosfaten in het lichaam van eiser als verklaring voor de vermoeidheid is overwogen, maar dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat deze hypofosfataemie waarschijnlijk niet is gerelateerd aan de vermoeidheid.

5.5 Voor zover Houwerzijl de diagnose chronische-vermoeidheidssyndroom heeft gesteld, is dit gebeurd bij ontstentenis van een andere oorzaak die kan dienen ter verklaring van de klachten van eiser. In dit verband moet worden vastgesteld dat die diagnosestelling uitsluitend berust op het subjectieve klachtenpatroon van eiser. Alle beschikbare medische gegevens, zowel die van verzekeringsgeneeskundige aard als die afkomstig van de behandelend sector, in ogenschouw nemend, constateert de rechtbank dat bij eiser geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf van artikel 18, eerste lid, van de WAO, zou dienen te worden aangenomen dat op 20 maart 2006 sprake is van meer, andere of zwaardere op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid dan die, welke door verweerder reeds in aanmerking zijn genomen. De rechtbank overweegt dat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat in eisers geval sprake zou (kunnen) zijn van het bijzondere geval waarin een toereikende objectieve vaststelling van ongeschiktheid tot werken niet geheel valt uit te sluiten om reden dat bij de onafhankelijk, medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet geheel duidelijk, of verschillen zij zelfs tot op zekere hoogte van mening omtrent het antwoord op die vraag, aan welke ziekte of gebrek precies die ongeschiktheid valt toe te schrijven.

6.1 Dit oordeel wordt niet anders doordat eiser zich heeft beroepen op het verzekeringsgeneeskundige protocol Chronische-vermoeidheidssyndroom dat op12 april 2007 door de Gezondheidsraad is aangeboden aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

6.2 De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 18, elfde lid, van de WAO de verzekeringsarts bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid zo veel mogelijk gebruikmaakt van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen. Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder i, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten wordt bij de beoordeling van chronische-vermoeidheidssyndroom met ingang van 1 januari 2008 gebruik gemaakt van het hier bedoelde protocol van de Gezondheidsraad.

6.3 De rechtbank stelt vast dat zowel op de datum in geding 20 maart 2006 als ten tijde van het bestreden besluit van 18 augustus 2006 gebruik van het protocol Chronische-vermoeidheidssyndroom nog niet was voorgeschreven. De rechtbank ziet geen reden vooruitlopend op de inwerkingtreding ervan al aan het protocol te toetsen. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat dit protocol onder verzekeringsartsen op weerstand stuit voor zover het gevolg daarvan zou zijn dat bij de constatering van een chronische-vermoeidheidssyndroom meer of andere beperkingen zouden moeten worden aangenomen dan op dit moment geschiedt. Over de toepassing van het protocol vindt volgens verweerder nog discussie plaats. De rechtbank concludeert dan ook dat het protocol niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming is met de huidige verzekeringsgeneeskundige inzichten. Aangezien de beoordeling van eiser voldoet aan de maatstaven van de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep zoals uiteengezet in rechtsoverweging 5.5, ziet de rechtbank af van nadere toetsing aan het protocol.

7.1 Uit het rapport van bezwaarverzekeringsarts Seyfert van 27 juli 2006 blijkt dat deze, uitgaande van de kenmerken van de functiebelasting uit de probleemanalyse van 6 mei 2004, heeft beoordeeld of eiser gezien zijn beperkingen op de items “Tillen en dragen” en “Frequent zware lasten hanteren tijdens het werk”, geschikt is voor zijn eigen werk. Hij komt (vooralsnog) tot de conclusie dat deze aspecten niet of ten minste niet in belangrijke mate aan de orde zijn in de functie. De bezwaarverzekeringsarts heeft uit oogpunt van zorgvuldigheid het werk van eiser ten aanzien van frequent zware lasten hanteren door de (bezwaar)arbeidsdeskundige laten beoordelen. De bezwaararbeidsdeskundige, M. van Wijngaarden, is in haar rapportage van 9 augustus 2006 tot de conclusie gekomen dat eiser geschikt is voor zijn eigen maatgevende werk.

7.2 De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige niet te volgen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bezwaararbeidsdeskundige op 7 augustus 2006 een werkplekonderzoek heeft verricht en een gesprek heeft gevoerd met de heer Rijssemus, chef/bedrijfsleider van [bedrijf] te Delden. In eerdergenoemde rapportage is de functiebelasting van het eigen werk van eiser opgenomen en is mede aandacht geschonken aan eisers beperkingen ten aanzien van tillen en dragen. Ook heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 8 augustus 2006 overleg gevoerd met de bezwaarverzekeringsarts over de geschiktheid voor het eigen werk. Hierbij is tevens aandacht geschonken aan de concentratie en de statische belasting in de functie. De bezwaarverzekeringsarts acht eiser ook gezien deze aspecten in staat tot het verrichten van de maatgevende arbeid. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit toereikend is.

8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen reden.

4. Beslissing

De rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.E. van Wees, mr. R.J. Jue en mr. A.M.S. Kuipers in tegenwoordigheid van mr. I.A.M. Booijink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007.

Afschrift verzonden op

PA