Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BC0909

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
76884 ha za 06-272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76884 ha za 06-272

datum vonnis: 24 oktober 2007 (pl)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X en

X,

beiden wonende te Enschede,

eisers in conventie, gedaagden in reconventie,

verder te noemen X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

verder te noemen Dexia,

procureur: mr. J. Vestering,

advocaat mr. H. Post te Helmond.

Procesverloop

X heeft Dexia bij inleidende dagvaarding van 17 februari 2006 gedagvaard. Na schorsing is de procedure hervat middels akte van X van 2 mei 2007.

Dexia heeft vervolgens een conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie genomen.

X heeft een conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte vermeerdering en vermindering eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie.

Na conclusie van dupliek in reconventie hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vordering (kort samengevat)

1. Tussen X en Labouchere N.V., een rechtsvoorganger van Dexia, is rechtstreeks –i.e. zonder bemiddeling door een tussenpersoon- een overeenkomst genaamd “WinstVer10dubbelaar”onder nummer 76101470, gedateerd 16 oktober 2000 (productie 2 dagvaarding).

2. Deze overeenkomst hield in het leasen van een aantal Legio WinstVer10Dubbelaar Certificaten met een totale hoofdsom van € 16.727,40, daarover te betalen rente tijdens de looptijd van de lease-overeenkomst van € 13.614,00, derhalve een totaal overeengekomen leasesom van € 30.341,40.

3. Verdere voorwaarden:

2. De leaseovereenkomst is aangegaan voor een ononderbroken periode van 120 maanden, te rekenen vanaf de dagtekening ...., behoudens tussentijdse opzegging conform het bepaalde in artikel 3.

3. Lessee kan deze lease-overeenkomst na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten beëindigen, onder betaling of verrekening van de hoofdsom.

4. De lease-som bedraagt:

a. Het totaal van 120 gelijke termijnen van zegge f 250,00 (€ 113,44)

De eerste maandtermijn dient te worden voldaan op of omstreeks de eerste dag van de

maand volgend op de dagtekening van deze lease-overeenkomst en daarna telkens op of

omstreeks de eerste van de daarop volgende maand.

b. Een bedrag van f 100,-- op of omstreeks de 199e maand.

c. Aan het einde van de lease-overeenkomst het restant van zegge: f 36.762,33 (€ 16.682,02).

.........

8. Bij beëindiging van deze lease-overeenkomst vanaf de 60e maand heeft lessee recht op

uitbetaling die gelijk is aan de waarde van de Certificaten op het moment van verzilvering,

minus de totale hoofdsom van deze lease-overeenkomst.

......

4. In voornoemde zin heeft X in totaal 62 termijnen á € 113,44 betaald, totaal een bedrag van € 7.033,22.

5. Bij brief van 11 oktober 2005 (productie 3 dagvaarding) gaf Dexia aan X te kennen dat de WinstVer10Dubbelaar boetevrij kon worden beëindigd en op dat moment een restschuld was ontstaan van € 4.836,70, waarop ingevolge artikel 9 der overeenkomst nog in mindering kon strekken 10% van de 60 termijnbetalingen, een bedrag van € 680,64; resterende aldus een restschuld van € 4.156,06.

6. Bij brief van 4 januari 2006 heeft X Dexia aansprakelijk doen stellen, de lease-overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en gesommeerd het bedrag der betaalde termijnen te restitueren. Zijn echtgenote Kooy heeft bij brief van 26 januari 2006 de WinstVer10Dubbelaar vernietigd met een beroep op de ontbrekende toestemming harerzijds in de zin van artikel 1:88 e.v. BW.

7. X baseert zijn na te melden vordering op het zodanig tekortschieten van Dexia in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht, dat X gerechtigd is de lease-overeenkomst te ontbinden; tevens beroept X zich op de bepalingen van de Wet Consumenten Krediet (WCK), met name het ontbreken van de vereiste vergunning ex artikel 9 van die wet en dienvolgens nietigheid van de lease-overeenkomst.

8. X vordert:

I. Verklaring voor recht dat de lease-overeenkomst buitengerechtelijk

vernietigd is c.q. die alsnog te vernietigen c.q. nietig te verklaren;

II. Dexia te veroordelen tot betaling van € 7.033,28 althans € 4.955,25;

III. Het bedrag sub II te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der tekortkoming,

althans vanaf de dag dat Dexia in verzuim verkeert (1 februari 2006) althans vanaf de dag

der dagvaarding tot aan de betaling;

IV. Dexia te bevelen op straffe ener direct opeisbare dwangsom groot € 500,-- per dag te

verbeuren voor iedere dag dat Dexia na 3 dagen na betekening van het vonnis nalaat aan

dit bevel te voldoen, het BKR op te dragen de A-notering op naam van X

ongedaan te maken;

V. Een en ander met kostenveroordeling van Dexia en uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

9. Bij conclusie van repliek vermeerdert X zijn eis met een aangevulde grondslag in de vorm van een onrechtmatige daad zijdens Dexia en voert subsidiair een vermindering van eis op vanwege herberekening na de door Dexia overgelegde eindafrekening tot een door Dexia terug te betalen bedrag ad € 4.750,61.

Het verweer van Dexia (kort samengevat)

10. Anders dan in de dagvaarding gesteld heeft X gereageerd op een mailing van de Bank (en is niet benaderd door het call center). Die mailing bestond uit onder meer een brochure betreffende de WinstVer10Dubbelaar. X heeft derhalve in alle rust van het nodige kunnen kennis nemen om vervolgens middels het ondertekenen van het aanvraagformulier respectievelijk de overeenkomst de WinstVer10Dubbelaar af te sluiten.

11. Uit hoofde van de overeenkomst diende X gedurende 120 maanden maandelijks een bedrag van € 113,44 bestaande uit rente over de aankoopsom van de portefeuille aan de Bank te voldoen.

Op of omstreeks de 119e maand moest X een bedrag van € 45,38 en aan het einde van de looptijd een bedrag van € 16.727,40 aan de Bank betalen.

12. De overeenkomst is wegens betalingsachterstand van X echter al per 11 juli 2006 tussentijds beëindigd. Volgens de opgemaakte eindafrekening (productie 4 CvA) bleef een restschuld van € 4.565,33, die Dexia in reconventie vordert.

13. Voor alles stelt Dexia dat X in strijd handelt met zijn substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv, aangezien hij verzuimt de van Dexia bekende verweren in de dagvaarding op te nemen.

14. Voorts betwist Dexia dat de WinstVer10Dubbelaar onder het bereik van de WCK valt, het toestemmingsvereiste ex artikel 1:88 e.v. BW op effectenleaseovereenkomsten van toepassing is, bovendien de mogelijkheid van een beroep daarop inmiddels verjaard, de bancaire zorgplicht op grond van de NR 99 niet voor deze WinstVer10Dubbelaar geldt en –zoal aan te nemen- het causale verband tussen verwijten op laatste punt en het door X geleden beleggingsnadeel ontbreekt.

Voor zover al tot toekenning van enige schade(vergoeding) aan X kan worden toegekomen, betwist Dexia de omvang van die gestelde schade, en beroept zich op eigen schuld van X in de zin van artikel 6:101 BW.

Wat betreft de BKR-notering stelt Dexia slechts tot enige mededeling en niet tot wijziging of doorhaling van die registratie gehouden (en veroordeeld) kan worden.

In reconventie

15. Dexia vordert veroordeling van X tot betaling van € 4.565,33 met de contractuele rente althans de wettelijke rente.

De beoordeling

In conventie

16. De overeenkomst WinstVer10Dubbelaar onder nummer 76101470 d.d. 16 oktober 2000 gesloten, staat tussen partijen vast.

Dat geldt ook voor totaal overeengekomen leasesom van € 30.341,40, de looptijd van 120 maanden, de maandelijkse verplichting van X tot betaling van € 113,44 en verdere voorwaarden als hiervoor onder (3) weergegeven.

17. Als onvoldoende weersproken staat eveneens vast dat X 62 termijnen

ad € 113,44 = € 7.033,22 aan de Bank heeft voldaan, zomede Dexia de WinstVer10Dubbelaar wegens betalingsachterstand per 11 juli 2006 heeft beëindigd en alstoen een restschuld voor X resteerde van € 4.565,33.

WCK

18. De rechtbank acht de WCK op deze WinstVer10Dubbelaar niet van toepassing vanwege overschrijding door de overeengekomen totale leasesom van het op 13 november 2000 geldende grensbedrag dezer wet van € 22.652,--.

artikel 1:88 e.v. BW

19. In een eerdere volstrekt vergelijkbare zaak (rechtbank Almelo 26 november 2003 LJN:AN 9138) heeft deze rechtbank al uitgemaakt dat leaseovereenkomsten als de onderhavige niet als huurkoop in de zin van deze bepalingen zijn te kwalificeren en derhalve het toestemmingsvereiste van de echtgenote Kooy niet geldt.

Zorgplicht; onrechtmatige daad

20. Anders dan X ziet de rechtbank de overeenkomst WinstVer10Dubbelaar niet als een beleggingsovereenkomst.

Immers –zoals duidelijk uit de overeenkomst WinstVer10Dubbelaar blijkt- is het voor- of nadeel uitsluitend gerelateerd aan de eindkoers ten opzichte van de beginkoers van WinstVer10Dubbelaar Certificaten als factor ten opzichte van de (geleasede) hoofdsom.

De rechtbank kwalificeert dit als een eenvoudige kansovereenkomst zonder zelfstandig beleggingskarakter, ten aanzien waarvan niet enige en ten deze relevante zorgplicht, als bijvoorbeeld voortvloeiende uit NR 99, voor Dexia heeft te gelden.

Dienvolgens kan X daarop niet enige vordering uit hoofde van onrechtmatige daad baseren.

Conclusie

21. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de gevorderde ontbinding, vernietiging en/of onrechtmatige daad en de daarop gegronde respectievelijk van afgeleide vorderingen van X allen afgewezen dienen te worden met veroordeling van X als in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van Dexia.

In reconventie

22. De vordering uit hoofde van de per 11 juli 2006 bestaande restschuld ad € 4.565,33 is in principe toewijsbaar, de opeisbaarheid is door X niet bestreden en de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 2 maart 2007 (productie 4 CvA).

23. Hoewel de door X ingeroepen restitutieformule dezer rechtbank ten deze niet (rechtstreeks) toepasbaar is, ziet de rechtbank toch aanleiding aan dit beroep tegemoet te komen middels het op diezelfde gronden terugbrengen van het in reconventie aan Dexia toe te wijzen bedrag tot dat van de openstaande som blijkend uit de door Dexia gerelateerde Duisenbergformule (punt 17 CvD) van 66,7% van de restschuld € 4.565,33 = € 1.520,25.

24. Als ieder gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, dient elke partij de eigen kosten van de procedure in reconventie te dragen.

De beslissing

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van X tegen Dexia.

II. Veroordeelt X in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia

gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 296,-- aan griffierechten en € 768,-- aan

salaris voor de procureur.

In reconventie:

III. Veroordeelt X om aan Dexia te betalen een bedrag van € 1.520,25

(éénduizendvijfhonderdtwintig EURO vijfentwintig eurocent) te vermeerderen met

wettelijke rente vanaf 2 maart 2007 tot aan de dag der voldoening.

IV. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In conventie en reconventie:

VI. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 24 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.