Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BC0904

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
74660 ha za 06-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 74660 ha za 06-11

datum vonnis: 24 oktober 2007 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te Oldenzaal,

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

verder te noemen X,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

verder te noemen Dexia,

procureur: mr. J. Vestering.

Procesverloop

X heeft bij inleidende dagvaarding van 28 oktober 2005 Dexia gedagvaard. Na een akte van schorsing zijdens Dexia is de procedure middels een akte tot hervatting van 2 mei 2007 voortgezet en heeft Dexia een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie genomen. X heeft vervolgens een conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie en akte vermeerdering van eis en Dexia een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie tevens houdende antwoordakte vermeerdering van eis.

Na een conclusie van dupliek in reconventie zijdens X hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

De vordering van X

1. In mei 1998 is X benaderd door Hoevelaken Advies B.V. en heeft met Labouchere N.V., rechtsvoorganger van Dexia, een aandelenlease-overeenkomst genaamd Triple Effect nummer 51006566 d.d. 8 mei 1998 gesloten (productie 2 dagvaarding).

De looptijd was 36 maanden, de totaal overeengekomen lease-som bedroeg f 59.631,24 en de maandelijkse renteverplichting f 295,54. Betreffende dat laatste voldeed X 36 termijnen oftewel € 4.827,96.

2. Na ommekomst van de looptijd van 36 maanden bleek een restschuld te zijn ontstaan en heeft X een verlengde overeenkomst Triple effect Maandbetaling nummer 51006566 d.d. 8 mei 2001 gesloten (productie 3 dagvaarding).

De looptijd was wederom 36 maanden, de totaal overeengekomen lease-som € 29.900,95 en de maandelijkse renteverplichting € 213,04. Deze zijn alle door X voldaan en bedroegen totaal € 7.669,44.

3. Na ommekomst van deze termijnen per mei 2004 heeft Dexia de aandelen verkocht en X aangeslagen voor de restschuld ad € 8.139,36 volgens eindafrekening d.d.7 mei 2004 (productie 4 dagvaarding).

Hierop heeft X ter afbetaling 13 termijnen van € 166,15 = € 2.159,95 in totaal voldaan.

4. X heeft bij brief van 31 augustus 2005 (productie 5 dagvaarding) Dexia aansprakelijk gesteld, de Overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en vernietigd en Dexia gesommeerd de betaalde bedragen der inleg en restschuld te restitueren.

5. Dexia heeft X bij het BKR te Tiel voor wat betreft het niet-voldoen der restschuld aangemeld.

6. X stelt dat de Overeenkomst op grond van bepalingen van de Wet Consumenten Krediet (WCK) nietig is en vordert op die grond:

I. Verklaring voor recht dat de Overeenkomst nietig is.

II. Dexia te veroordelen aan X te voldoen € 10.587,67.

III. Voornoemd bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf betalingsdatum der termijnen althans 31 augustus 2005 althans de dag der dagvaarding.

IV. Dexia te bevelen op straffe ener dwangsom het BKR op te dragen de A-notering op naam van X ongedaan te maken.

V. Dexia te veroordelen in de proceskosten.

VI. Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7. Bij conclusie van repliek vermeerdert X zijn vordering met de (aangevulde) grond van een onrechtmatige daad van Dexia voorafgaande en ten tijde van het aangaan van de Triple Effect en de door Dexia geschonden normen van de WTe en daarop gebaseerde regelingen respectievelijk vermeerdert hij op grond van een nadere berekening het bedrag onder II. tot € 10.920,57.

Het verweer van Dexia

8. De eerste overeenkomst Triple effect d.d. 18 mei 1998 is afgesloten door bemiddeling van Hoevelaken Advies B.V., die aan X de brochure en aanvraagformulier ter beschikking hebben gesteld. Dat laatste is door de Bank ontvangen, naar aanleiding waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen.

9. Vanwege de tijdens de looptijd dezer overeenkomst sterk gedaalde beurskoersen heeft Dexia tegen het einde aan X een proforma berekening van de restschuld gezonden met een keuzeformulier met drie opties:

(1) De overeenkomst verlengen met minimaal een jaar en maximaal drie jaar;

(2) de aandelen overnemen;

(3) de overeenkomst beëindigen.

X heeft gekozen voor optie (1) en zodoende is de tweede overeenkomst d.d. 8 mei 2001 tot stand gekomen.

10. Na het verlopen van de laatste looptijd heeft Dexia de aandelen verkocht (productie 4 dagvaarding) en een afbetalingsregeling voor de restschuld ad € 8.139,36 van € 166,19 per maand met X getroffen, die hij maar gedeeltelijk is nagekomen.

Volgens Dexia staat met verrekening van door X ontvangen dividenden nog een bedrag aan restschuld van € 7.669,38 open, welk bedrag zij in reconventie vordert.

11. Voor alles beroept Dexia zich erop dat X zich niet aan de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv heeft gehouden, betwist de toepasselijkheid van de WCK op deze overeenkomst, verzet zich tegen de gevorderde nietigverklaring en stelt niet te kunnen voldoen aan het gevorderde betreffende de BKR.

De door X bij vermeerdering van eis opgevoerde nadere grondslagen acht Dexia ondeugdelijk onderbouwd en in de conclusie van antwoord reeds weerlegd.

12. Ten aanzien van de financiële kant stelt Dexia de volgende betalingen van X te hebben ontvangen:

Overeenkomst I:

Termijn 1 t/m 36: 36 x € 134,11 = € 4.827,96

Overeenkomst II:

Termijn 37 t/m 49: 13 x € 213,04 = € 2.769,52

Termijn 50 t/m 71: 22 x € 138,95 = € 3.056,90

Afbetalingsregeling:

Termijn 74 t/m 87: 14 x € 166,19 = € 2.326,66

In totaal voldeed X volgens Dexia derhalve € 12.981,04.

Dexia stelt als volgt van X te vorderen te hebben:

Restschuld: € 8.139,36

Betaald: € 469,98

Verrekend: € 120,12

Totaal vordering € 7.549,26.

Dexia stelt dat van de hierboven vermelde afbetaling(en) een bedrag van € 469,98 in mindering op de restschuld strekt, de rest was rentebetaling.

In reconventie

13. Dexia vordert het bedrag van € 7.549,26 aan nog openstaande restschuld zulks vermeerderd met contractuele althans wettelijke rente.

De beoordeling

In conventie

14. De hierboven onder (1) en (2) weergegeven overeenkomsten Triple Effect van 8 mei 1998 en 8 mei 2001 staan tussen partijen vast.

Wel verschillen partijen enigszins van mening hoeveel (termijnen) X in de loop der tijden heeft voldaan, gezien het feit dat X de weergave van Dexia’s administratie in onder punt 62 t/m 65 (CvR) niet heeft weersproken of met betalingsbewijzen heeft weerlegd, gaat de rechtbank bij de verdere beoordeling van die opstelling en daaruit blijkende gegevens uit.

15. Voor de beoordeling van de vorderingen gaat de rechtbank uitsluitend uit van de tweede overeenkomst Triple Effect van 8 mei 2001.

Zulks omdat na ommekomst van de looptijd van de eerste overeenkomst d.d. 8 mei 1998 X op basis van een keuze(formulier) uit drie opties die van een verlenging heeft gekozen, waarmede niet alleen die eerste overeenkomst als afgesloten dient te worden beschouwd, maar bovenal omdat (de totaal overeengekomen lease-som van f 59.631,24 van) die eerste overeenkomst gezien het alstoen geldende plafond van de WCK (f 50.000,--) niet onder de bepalingen van die wet viel, maar de tweede vanwege het inmiddels opgetrokken plafond (tot € 40.840,--) wel.

Gezien de belangen die de WCK beoogt te beschermen is de tweede overeenkomst Triple Effect d.d. 8 mei 2001 als een zelfstandige overeenkomst te zien.

16. Wet op het consumentenkrediet (WCK)

16.1 In de Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever een of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1WCK).

16.2 De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia X een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover X periodiek rente diende te betalen en welk bedrag X aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

16.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

16.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van X, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan X kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

16.5 De hiertegenover staande opvatting, die volgt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

16.6 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-Cosar (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte.

16.7 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987,

19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

16.8 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

16.9 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

17.1 Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

17.2 Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan X en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van X, waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van X komen. Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van X, nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts dient Dexia de door X betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug te betalen.

17.3 In casu is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom. Gelet hierop, in het licht van artikel 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van de restschuld ad € 8.139,36, voor X verminderd met de door hem betaalde rentetermijnen ad € 12.981,04, dienen te dragen.

Dit betekent dat in conventie dat de door X gevorderde hoofdsom tot een bedrag van € 8.911,36, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2005 zal worden toegewezen.

18. Het gevorderde bevel aan de BKR is als onmogelijk voor Dexia, niet toewijsbaar.

19. De overige gronden c.q. weren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomst geen bespreking.

20. Waar partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

In reconventie

21. Gezien het in conventie overwogene wordt aan die vordering van Dexia niet meer toegekomen en wordt deze afgewezen met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Verklaart voor recht dat de overeenkomst Triple Effect nummer 51006566 d.d. 8 mei 2001 nietig is.

II. Veroordeelt Dexia tot betaling aan X van een bedrag van € 8.911,36 (achtduizendnegenhonderdenelf EURO zesendertig eurocent) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2005 tot aan de dag der voldoening.

III. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

IV. Verklaart het vonnis onder (II.) uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VI. Wijst af de vordering van Dexia.

VII. Veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van X gevallen en tot op deze uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 768,-- aan salaris voor de procureur, op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de griffier van dit gerecht.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en op 24 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.