Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BC0109

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
06 / 684 WW44 V1 A
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 16 mei 2005, waarbij onder gegrondverklaring van de bezwaren van eiser [eiser A] alsnog binnenplanse vrijstelling en een bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een kap op een garage ten behoeve van twee extra slaapkamers, in rechte in stand kan blijven.

Rechtsopvolging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 684 WW44 V1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser A] en [eiser B],

beiden wonende te [woonplaats], eisers,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Losser,

verweerder.

Derde belanghebbende: [vergunninghouder], wonende te [woonplaats], vergunninghouder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 16 mei 2006.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 24 november 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] naar aanleiding van diens aanvraag van 24 oktober 2005 een bouwvergunning verleend voor een vergroting van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats], bestaande uit het plaatsen van een kap op de garage ten behoeve van twee extra slaapkamers.

Tegen dit besluit heeft eiser [eiser A] op 19 december 2005 een bezwaarschrift ingediend. Eiser [eiser A] is op 16 februari 2006 omtrent zijn bezwaren gehoord door de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Losser. Deze commissie heeft op diezelfde datum advies uitgebracht aan verweerder en heeft daarbij geadviseerd de bezwaren van eiser [eiser A] gegrond te verklaren, het besluit van 24 november 2005 te herroepen en een nieuw besluit op de aanvraag om een bouwvergunning te nemen met inachtneming van hetgeen in het advies is overwogen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder op de daarin vervatte gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, besloten om af te wijken van het advies van de bezwarencommissie en het bezwaar van eiser [eiser A] ambtshalve gegrond te verklaren en het besluit van 24 november 2005 te herroepen. In plaats daarvan heeft verweerder met toepassing van artikel 3, lid C, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Imenhof 1999” alsnog vrijstelling verleend van het bepaalde in artikel 3, lid B, sub 2, onder e, van de planvoorschriften en aan [vergunninghouder] de gevraagde bouwvergunning voor de bouw van een kap op een garage op het perceel [adres] te [woonplaats] verleend.

Blijkens het door hem ingediende beroepschrift kan eiser [eiser A] zich niet met dit besluit verenigen.

Vergunninghouder [vergunninghouder] heeft bij brief van 14 juni 2006 aan de rechtbank meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen. Hij heeft bij schrijven van 27 juni 2006 enkele stukken overgelegd.

Verweerder heeft op 26 juni 2006 een verweerschrift ingediend.

Eiser [eiser A] heeft de woning aan de [adres eiser] per 7 juli 2006 verkocht aan zijn schoonzoon [eiser B] (hierna te noemen: [eiser B]). Eiser [eiser A] woont thans aan de [adres eiser A] te [woonplaats].

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 7 maart 2007. Gebleken is dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. De rechtbank heeft daarom het onderzoek heropend ten einde [eiser B] alsnog in de gelegenheid te stellen als eisende partij deel te nemen aan het geding.

Aarts heeft bij schrijven van 5 april 2007 meegedeeld als eisende partij aan het geding deel te willen nemen en heeft daarbij de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding hiervan op 27 april 2007 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het beroep is opnieuw behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 8 augustus 2007. De rechtbank heeft het onderzoek wederom heropend nadat was gebleken dat eiser [eiser B] geen uitnodiging voor de behandeling ter zitting van 8 augustus 2007 is gestuurd, terwijl eveneens is verzuimd eiser [eiser B] afschriften te sturen van de door de andere partijen in dit geding over en weer gevoerde correspondentie. Laatstbedoelde stukken zijn op 9 augustus 2007 alsnog in afschrift aan eiser [eiser B] toegezonden.

Partijen hebben de rechtbank desgevraagd toestemming gegeven het beroep af te doen met achterwege laten van een hernieuwd onderzoek ter zitting.

3. Overwegingen

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de gedingstukken thans een voldoende grondslag om in dit geschil een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt derhalve, na verkregen toestemming van partijen, dat een behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en sluit het onderzoek.

De rechtbank stelt vast dat eiser [eiser A] zijn woning aan de [adres eiser] te [woonplaats] per 7 juli 2006 heeft verkocht aan eiser [eiser B] en sindsdien woonachtig is aan de [adres eiser A] te [woonplaats]. Gelet op deze verhuizing kan eiser [eiser A] niet langer op grond van het zicht- of nabijheidscriterium als belanghebbende bij de aan vergunninghouder [vergunninghouder] verleende vrijstelling en bouwvergunning worden aangemerkt. Ook overigens is niet gebleken dat eiser [eiser A] nog een processueel belang heeft bij het onderhavige beroep. Het beroep van eiser [eiser A] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het vervallen van procesbelang.

Onder omstandigheden staat in het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bestuursrechtelijke rechtsgang open voor een rechtsopvolger onder bijzondere titel, die treedt in het belang van de geadresseerde. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 5 juni 2002 (nr. 200101484/1), 11 juni 2003 (nr. 200205217/1) en 3 maart 2004 (nr. 200304595/1). Voor het op grond van rechtsopvolging onder bijzondere titel kunnen overnemen van door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming kan aanleiding bestaan in die gevallen waarin zonder deze overname de rechtsbescherming als gevolg van de rechtsopvolging verloren zou gaan (ABRvS 27 november 2002, nr. 200002427/1). Die situatie doet zich hier voor nu eiser [eiser A] door de verkoop van zijn woning niet langer als belanghebbende kan worden aangemerkt en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep. Hiermee zouden de door eiser [eiser A] opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming verloren gaan.

De rechtbank heeft hierin aanleiding gevonden [eiser B] de mogelijkheid te bieden als eisende partij deel te nemen aan het geding en aldus de door eiser [eiser A] opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming over te nemen. [eiser B] heeft bij schrijven van 5 april 2007 aan de rechtbank meegedeeld van die mogelijkheid gebruik te willen maken en heeft daarbij de gronden van het beroep aangevuld. [eiser B] is daarmee in de belangen getreden van eiser [eiser A].

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 16 mei 2005, waarbij onder gegrondverklaring van de bezwaren van eiser [eiser A] alsnog binnenplanse vrijstelling en een bouwvergunning zijn verleend voor de bouw van een kap op een garage ten behoeve van twee extra slaapkamers, in rechte in stand kan blijven.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet wordt bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders te verlenen bouwvergunning.

Artikel 44 van de Woningwet bepaalt dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening, of zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Het betreft hier een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Als geen van de onder a tot en met e bedoelde situaties zich voordoet, moet de bouwvergunning worden verleend.

De hiervoor onder a, b, d en e genoemde weigeringsgronden doen zich in dit geval niet voor. Derhalve komt te dezen alleen betekenis toe aan de vraag of het bestreden besluit voldoet aan het bepaalde onder c, te weten of het bouwen in strijd is met het vigerende bestemmingsplan of met de eisen die krachtens dat plan zijn gesteld.

Ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Imenhof 1999” geldt voor het perceel J.S. Bachstraat 16 te Losser de bestemming “Woonhuizen A (Wh-A)”. Volgens artikel 3 lid A van de planvoorschriften behorende bij genoemd bestemmingsplan is deze grond bestemd voor woonhuizen met daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven.

Op grond van de bouwvoorschriften opgenomen in artikel 3 lid B, aanhef en onder sub 1e, van de planvoorschriften geldt voor woonhuizen dat de afstand van een vrijstaand woonhuis, respectievelijk een blok woonhuizen, tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 3 meter dient te bedragen. Voor vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen geldt ingevolge artikel 3 lid B, aanhef en onder sub 2d, van de planvoorschriften dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 1 meter dient te bedragen, tenzij het bijgebouw in de perceelsgrens wordt gebouwd.

Artikel 3 lid B, aanhef en onder sub 2e, van de planvoorschriften bepaalt dat de afstand van een bijgebouw tot de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan ten minste 4 meter bedraagt.

In de begripsbepalingen van artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat zowel functioneel als qua vorm bepalend is voor de materiële inhoud van de bestemming. Onder bijgebouw wordt verstaan een gebouw dat een functionele eenheid vormt met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw.

Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid C, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3 lid B, aanhef en onder sub 2e, voor vermindering van de voorgeschreven afstand tot 0 meter.

Gelet op wat eiser [eiser B] in beroep heeft aangevoerd spitst het geschil zich met name toe op de vraag of de kap op de garage van de woning [adres] te [woonplaats] ten behoeve van twee extra slaapkamers als een uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel van een bijgebouw dient te worden aangemerkt. Eiser [eiser B] stelt zich op het standpunt dat het bij het onderhavige bouwplan niet gaat om een bijgebouw, maar dat de kap op de garage met daarin twee slaapkamers moet worden aangemerkt als een uitbreiding van het hoofdgebouw nu er vanuit het hoofdgebouw een doorbraak is gemaakt naar de slaapkamers. Nu het hoofdgebouw door de verbouwing op de erfscheidingsgrens staat, is het bouwplan volgens eiser [eiser B] in strijd met het bestemmingsplan.

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit en het verweerschrift op het standpunt dat de bouwaanvraag moet worden getoetst aan de definities van hoofd- en bijgebouw in artikel 1, aanhef en onder o en p van de planvoorschriften, nu deze begrippen daarin voldoende zijn omschreven. Uit de omschrijving van het begrip bijgebouw blijkt volgens verweerder dat een dergelijk bouwwerk aan twee criteria moet voldoen: het bijgebouw moet een functionele eenheid vormen met het hoofdgebouw en het kan door de vorm worden onderscheiden van het hoofdgebouw. Naar de mening van verweerder heeft het eerste criterium betrekking op het gebruik en het tweede op de bouwkundige verschijningsvorm.

Verweerder is van mening dat de nieuwe slaapkamers in functioneel opzicht nauw aansluiten bij de woning, het hoofdgebouw. De slaapkamers zijn door middel van de overloop op de eerste verdieping verbonden met de bestaande slaapkamers en de douche en voorzien in een gebruiksfunctie die gelijk is aan de bestaande slaapkamers in het hoofdgebouw. Gelet hierop vormt het bijgebouw volgens verweerder wat betreft het gebruik een functionele eenheid met de woning.

Wat betreft de vorm stelt verweerder zich op het standpunt dat de kap op de garage zich in bouwkundig opzicht onderscheid van de woning c.q. het hoofdgebouw omdat de kap anders dan de woning een bouwlaag op de bestaande bouwlaag (de garage) betreft. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de kap in verhouding tot de bestaande woning is de kap qua vorm niet bepalend voor de materiële inhoud van de bestemming omdat de kap lager is en een kleinere oppervlakte heeft dan de woning. Daarom voldoet het bouwplan naar de mening van verweerder meer aan de omschrijving van het begrip bijgebouw dan aan het begrip hoofdgebouw.

Samenvattend stelt verweerder zich op het standpunt dat gelet op de begripsomschrijving van zowel een hoofd- als een bijgebouw in onderlinge samenhang bezien, sprake is van uitbreiding van een bijgebouw. Op grond hiervan hoeft volgens verweerder de bouwaanvraag niet meer te worden getoetst aan de in de jurisprudentie ontwikkelde omschrijving van het begrip aanbouw. Het feit dat die omschrijving niet overeenkomt met de omschrijving in het bestemmingsplan doet daaraan niet af, aldus verweerder.

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat de nieuwe slaapkamers in de kap op de garage door middel van een doorbraak naar de overloop verbonden met de slaapkamers en de badkamer op de eerste verdieping van de woning. Nu de nieuwe slaapkamers voorzien in dezelfde gebruiksfunctie als de slaapkamers in de woning vormt de kap naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het gebruik een functionele eenheid met het hoofdgebouw.

Waar het de vorm van de kap betreft onderscheidt deze zich van het hoofdgebouw. Immers de kap is op de eerste bouwlaag gebouwd en is mede daardoor aanmerkelijk lager dan het dak van de woning c.q. het hoofdgebouw. Gelet op de definitie van een bijgebouw in artikel 1 van de planvoorschriften stelt verweerder zich daarom terecht op het standpunt dat het bouwplan betrekking heeft op de uitbreiding van een bijgebouw. Het bouwplan voorziet immers in het bouwen van een ruimte die een functionele eenheid vormt met het hoofdgebouw en die door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw, zodat sprake is van uitbreiding van een bijgebouw.

Gelet op het bepaalde in artikel 3 lid B, aanhef en onder sub 2d, van de planvoorschriften dient de afstand van het bijgebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 1 meter te bedragen, tenzij het bijgebouw in de perceelsgrens wordt gebouwd. Nu het bouwplan de uitbreiding van een bijgebouw betreft, is het bouwen van een kap op de bestaande in de perceelsgrens gebouwde garage niet in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder kon en mocht de gevraagde bouwvergunning dan ook niet weigeren wegens strijd met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Het beroep van eiser [eiser B] is dan ook ongegrond.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep van eiser [eiser A] niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep van eiser [eiser B] ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gegeven door mr. R.J. Jue, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007.

Afschrift verzonden op

PA