Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB8777

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
67402 / HA ZA 04-995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid arrestant voor mishandeling politie-agent en toekenning smartegeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 67402 / HA ZA 04-995

Vonnis van 19 september 2007

in de zaak van

X,

wonende te Sittard,

eiser,

procureur mr. E.M.M. van de Loo,

advocaat mr. G.A.E.M. van Zinnicq Bergmann te Soest,

tegen

Y,

wonende te Enschede,

gedaagde,

procureur mr. J.B.A. Kalk.

Partijen zullen hierna X en Y genoemd worden.

Het procesverloop

De rechtbank heeft in deze zaak een tussenvonnis gewezen op 31 januari 2007. Zij neemt hier over hetgeen zij in dat tussenvonnis over het procesverloop heeft overwogen. In genoemd tussenvonnis heeft de rechtbank X een viertal bewijsopdrachten gegeven. X heeft daarop een akte overlegging producties genomen, waarbij 5 producties zijn overgelegd en heeft zichzelf als partij-getuige doen horen. Van dit getuigenverhoor is proces-verbaal opgesteld, dat zich bij de stukken bevindt. X heeft vervolgens afgezien van voortzetting van de enquête. Y heeft hierna gedesisteerd van contra-enquête.

Beide partijen hebben vervolgens geconcludeerd na getuigenverhoor.

Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen zij in het tussenvonnis van 31 januari 2007 heeft overwogen en beslist.

2. In genoemd tussenvonnis heeft de rechtbank X in de gelegenheid gesteld:

I. te bewijzen dat hij daadwerkelijk reiskosten, zoals door hem gevorderd, heeft gehad, in die zin dat de door hem gemaakte kosten niet zijn vergoed door zijn werkgever;

II. te bewijzen dat sprake is geweest van kledingschade, welke niet is vergoed door zijn werkgever;

III. nader bewijs bij te brengen van de door hem gestelde ongevalsgevolgen;

IV. te bewijzen dat door hem buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die redelijk zijn en redelijkerwijs noodzakelijk zijn (geweest) om betaling te krijgen.

3. Zoals blijkt uit het procesverloop heeft X na het tussenvonnis van 31 januari 2007 op 15 mei 2007 een akte overlegging producties genomen, waarbij als producties zijn overgelegd:

- brief van drs. A.C. Meijboom van 26 maart 2007 (productie 8);

- brief van drs. G.J. Westerveld van 3 mei 2007 (productie 9);

- brief van drs. D. Been van 10 mei 2007 (productie 10);

- verklaring van KLPD van 11 mei 2007 (productie 11);

- overzicht van de door X gemaakte buitengerechtelijke kosten (productie 12).

Voorts heeft hij zichzelf als partij-getuige doen horen.

4. Met betrekking tot de hiervoor in rechtsoverweging 2. onder I. en II. weergegeven bewijsopdrachten overweegt de rechtbank als volgt:

4.1 Uit de door X als productie 11 overgelegde verklaring van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), opgesteld en getekend door de heer B van schadezaken, blijkt dat de door X gevorderde reiskosten en kledingschade niet door de werkgever zijn vergoed.

4.2 X heeft daaromtrent -zakelijk weergegeven- verklaard:

- dat de inhoud van die brief juist is;

- dat het kledingbudget voor reguliere slijtage en vervanging van overhemden, broeken, sokken en dergelijke is en dat dit budget normaliter niet wordt aangewend voor schade veroorzaakt door toedoen van incidenten;

- dat in het laatste geval een schaderapport wordt opgemaakt en de betreffende kledingstukken, buiten het kledingbudget om, vervangen worden op kosten van de werkgever;

- niet te weten waarom dat in zijn geval niet is gebeurd;

- dat hij geen schadeformulier heeft ingevuld;

- dat de reiskosten door hem privé zijn gedragen en niet zijn gedeclareerd bij de dienst;

- dat hij niet wist of hij deze kosten kon declareren en hij ook weinig ruchtbaarheid heeft gegeven aan het feit dat hij onder behandeling stond;

- dat hij steeds op zijn vrije dagen naar Amsterdam en Voerendaal is gegaan en dan niet van zijn werk hoefde te verzuimen, hetgeen te maken had met de werkdruk en waarbij meegespeeld zal hebben dat hij er niet mee te koop heeft gelopen;

- dat hij de exacte reden niet meer weet.

4.3 De rechtbank overweegt dat uit deze verklaringen, in onderlinge samenhang beoordeeld, blijkt dat de gevorderde reiskosten en kledingschade niet door de werkgever van X zijn vergoed, zodat X in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. De hiervoor in rechtsoverweging 2. onder I. en II. weergegeven bewijsopdrachten zijn door de rechtbank geformuleerd teneinde te voorkomen dat Y tweemaal tot vergoeding van de gevorderde reiskosten en kledingschade zou kunnen worden aangesproken. Van een schadebeperkingsplicht van X is in strikte zin in deze geen sprake; immers indien X de reiskosten en kledingschade wel bij zijn werkgever zou hebben ingediend en deze tot vergoeding ervan zou zijn overgegaan, zou de werkgever op basis van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren voor de uitbetaalde bedragen verhaal hebben kunnen nemen op Y. De rechtbank zal dan ook komen tot toewijzing van de door X gevorderde bedragen van € 250,-- uit hoofde van reiskosten en € 25,50 uit hoofde van kledingschade. In de rechtsoverwegingen 4.4.1 en 4.4.2 van het tussenvonnis van 31 januari 2007 heeft de rechtbank reeds overwogen dat zij het gevorderde ziekenhuisdaggeld van € 23,-- en de gevorderde overwerk- en onregelmatigstoeslag van

€ 27,28, zal toewijzen. Het door X gevorderde bedrag van € 325,-- uit hoofde van materiële schade wordt daarmee integraal toegewezen.

5. Met betrekking tot de hiervoor in rechtsoverweging 2. onder IV. weergegeven bewijsopdracht overweegt de rechtbank dat X ter gelegenheid van het gehouden getuigenverhoor -zakelijk weergegeven- heeft verklaard dat alle kosten van zijn advocaat, zoals blijkend uit de als productie 12 overgelegde urenspecificatie, zijn vergoed door de KLPD. X heeft bij conclusie na getuigenverhoor andermaal gesteld dat de kosten van rechtsbijstand zijn vergoed door de werkgever, zodat X de kosten niet zelf heeft gedragen. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

6. Met betrekking tot de hiervoor in rechtsoverweging 2. onder III. weergegeven bewijsopdracht overweegt de rechtbank als volgt:

6.1 In rechtsoverweging 4.5 van het tussenvonnis van 31 januari 2007 heeft de rechtbank met betrekking tot de door X gestelde psychische schade overwogen dat de brief van mevrouw drs. G.J. Westerveld van 13 april 2003 de rechtbank voorshands onvoldoende inzicht verschaft in de ernst en aard van de ongevalsgevolgen en dat niet duidelijk is geworden of X thans nog restverschijnselen ondervindt. Ingevolge de aan hem gegeven bewijsopdracht heeft X bij akte overlegging producties van 15 mei 2007 overgelegd de hiervoor in rechtsoverweging 3. genoemde brieven van drs. A.C. Meijboom van 26 maart 2007 (productie 8), van drs. G.J. Westerveld van 3 mei 2007 (productie 9) en van drs. D. Been van 10 mei 2007 (productie 10). De rechtbank overweegt dat uit de brieven van drs. Meijboom en drs. Westerveld niets valt af te leiden omtrent de huidige toestand van X en eventuele restverschijnselen. Mevrouw drs. D. Been, GZ-psycholoog BIG/Gedragstherapeut verklaart daaromtrent evenwel het volgende:

“(…)

Sinds 2 mei jl. is de heer P.M. X bij mij in behandeling gekomen, in opdracht van Directe Opvang en Nazorg, D.O.e.N.bv.

Cliënt meldde zich met verschillende klachten. Hij heeft last van herbelevingen van een incident die hij in 2003 heeft meegemaakt. Tevens slaapt hij slecht, wordt overspoeld door emoties, is overmatig waakzaam en heeft last van geïrriteerdheid. De aanleiding van de klachten is de confrontatie met zaken die hij voor de rechtszaak moest regelen en die in verband staan met bovengenoemd incident.

Cliënt is eerder reeds in behandeling geweest en dacht dat hij het gebeuren had verwerkt, maar dit bleek niet het geval. Doorvraag leerde dat cliënt ten tijde van de vorige behandeling ander werk is gaan uitvoeren, omdat hij zich op straat niet meer veilig voelde. In de meldkamer waar hij nu werkt, vermijdt hij incidenten die hem doen denken aan het incident dat hij zelf mee heeft gemaakt. Collega’s nemen het dan van hem over. Ook nare verhalen die hij in zijn privéleven hoort, gaat hij uit de weg. Hetzelfde geldt voor situaties die voor cliënt onveilig voelen.

Indien er sprake is van vergaande vermijding is, kan er een afname ontstaan van herbelevingsklachten. De klachten lijken dan verdwenen, maar deze zijn dan nog wel latent aanwezig. De afgelopen jaren lijkt er sprake te zijn geweest van een Partiele Posttraumatische Stress-Stoornis.

Nu cliënt in een situatie is beland die hij niet uit de weg kan gaan, wordt hij weer geconfronteerd met gevoelens die hij steeds heeft vermeden. Deze lijken te hebben geleid tot de terugkeer van de herbelevingsklachten. Op dit moment kan derhalve de diagnose Post Traumatische Stress-Stoornis met chronisch verloop (PTSS) worden gesteld.

(…)”

6.2 X heeft daaromtrent -zakelijk weergegeven- verklaard:

- dat het op dit moment redelijk goed met hem gaat;

- dat nu de zaak speelt een en ander echter weer boven komt en dat hij daar last van heeft;

- dat hij ook weer onder behandeling is bij psychologenpraktijk Been, op advies van de maatschappelijk werker van de KLPD;

- dat de bevindingen van Been juist zijn;

- dat hij niet continu last heeft van de weergegeven klachten, maar dat wanneer zich situaties voordoen de klachten weer de kop opsteken, hetgeen zich zowel in de werksfeer als in de privésfeer kan voordoen;

- dat mevrouw Westerveld weliswaar heeft aangegeven dat hij op 31 augustus 2004 klachtenvrij was, maar dat het feitelijk is zoals mevrouw Been schrijft dat, als je niet meer in bepaalde situaties komt en deze vermijdt, de klachten naar de achtergrond verdwijnen, maar dat als er dan weer iets gebeurt, het allemaal weer oplaait;

- dat hij voorheen werkzaam was bij de dienst spoorwegpolitie, onderdeel basispolitiezorg en dat hij sinds 19 januari 2004 werkzaam is bij de meldkamer, welke overgang direct met het incident te maken heeft en dat hij zelf naar een andere dienst wilde;

- dat hij in opdracht van de Directe Opvang en Nazorg in behandeling is gekomen bij mevrouw Been;

- dat hij inderdaad last heeft van stress, slaapstoornissen en herbelevingen;

- dat als hij als centralist op de meldkamer een urgentieaanvraag of alarmoproep van een collega binnenkrijgt die in een soortgelijke situatie terecht is gekomen als waarin hij heeft verkeerd, hij merkt dat er allerlei beelden naar voren komen en dan niet zo kan functioneren als dat zou moeten;

- dat hij met collega’s om die reden de afspraak heeft gemaakt dat zij de zaak overnemen als die bij hem is binnengekomen.

6.3 De rechtbank overweegt dat uit het bepaalde in artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat een verklaring van een partij-getuige omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De rechtbank is van oordeel dat van dat laatste sprake is. Zo is door mevrouw drs. G.J. Westerveld in haar brief van 13 april 2003 gesteld dat er bij X sprake was van een posttraumatische stress-stoornis, chronisch, naar aanleiding van het incident op 5 maart 2003 en hoewel mevrouw Westerveld in haar brief van 3 mei 2007 heeft aangegeven dat X ten tijde van de outtake op 31 augustus 2004 klachtenvrij was, in die zin dat er toen geen sprake meer was van een posttraumatische stress-stoornis, heeft zij vervolgens aangegeven geen uitspraken te kunnen doen over de huidige toestand van betrokkene. Datzelfde geldt voor mevrouw drs. Meijboom, zoals hiervoor reeds is overwogen. Mevrouw drs. D. Been doet daaromtrent evenwel wel uitspraken, zoals hiervoor door de rechtbank geciteerd. De rechtbank overweegt dat de schriftelijke verklaringen van de hiervoor genoemde deskundigen in samenhang met de getuigenverklaring van X, waartegenover geen tegenbewijs staat, haar tot het oordeel hebben gebracht dat X naast lichamelijk letsel ook psychisch letsel heeft opgelopen door het incident dat op 5 maart 2003 heeft plaatsgevonden, zodat zij X geslaagd acht in de op hem rustende bewijsopdracht, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2. onder III. van dit vonnis.

6.4 Met een beroep op de in de ANWB smartengeld-gids onder de nummers 244, 246, 255, 258, 261, 266, 267, 269, 273 en 282 genoemde uitspraken heeft X betoogd dat het door hem uit hoofde van immateriële schade gevorderde bedrag van € 10.000,--, minus het reeds toegewezen bedrag van € 500,--, gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt dat de door X genoemde gevallen geen van alle goed vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. De rechtbank is van oordeel dat, mede gezien het feit dat het voorval zich in de beroepsuitoefening heeft voorgedaan, vergelijking met de volgende zaken meer in de rede ligt:

smartengeld-gids 2006, nummers 704, 708 en 721 en waarbij respectievelijk bedragen van (geïndexeerd) € 2.060,--, € 3.535,-- en € 4.946,-- zijn toegewezen. Zonder de ernst van het X overkomen incident te willen bagatelliseren is de rechtbank van oordeel dat de zaak met nummer 740 in de smartengeld-gids 2006, waarin tevens sprake was van mishandeling van een politieagent en waarbij (geïndexeerd) een bedrag van € 22.326,-- is toegewezen, niet voor vergelijking in aanmerking komt, vanwege de ernst van de mishandeling en het daaruit voortvloeiende letsel in die betreffende zaak.

Ingevolge het voorgaande zal de rechtbank, in achtgenomen het feit dat als voorschot op de immateriële schade reeds een bedrag van € 500,-- aan X is toegewezen, toewijzen een bedrag van € 4.500,-- uit hoofde van immateriële schade. De rechtbank overweegt daarbij dat de door Y gestelde geringe draagkracht geen reden is voor matiging van het toe te wijzen bedrag.

Zoals hiervoor is overwogen zal de rechtbank uit hoofde van materiële schade het gevorderde bedrag van € 325,-- toewijzen, zodat in totaal zal worden toegewezen een bedrag van € 4.825,--, waarbij X onbetwist heeft gesteld dat wettelijke rente dient te worden berekend vanaf de dag der dagvaarding, zodat de rechtbank dit tevens zal toewijzen.

7. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Y worden veroordeeld in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van X begroot op € 361,40

(€ 70,40 kosten dagvaarding en € 291,-- griffierecht) wegens verschotten en op

€ 1.344,-- (3,5 punten x tarief I) wegens salaris van zijn procureur.

De beslissing

De rechtbank

I. Veroordeelt Y om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan X te voldoen een bedrag van € 4.825,-- (zegge: vierduizend achthonderd vijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

II. Veroordeelt Y in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van X begroot op € 361,40 wegens verschotten en op € 1.344,-- wegens salaris van zijn procureur.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 19 september 2007.