Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB8776

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
67402 / HA ZA 04-995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid arrestant voor mishandeling politie-agent en toekenning smartegeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 67402 / HA ZA 04-995

Vonnis van 31 januari 2007

in de zaak van

X,

wonende te Sittard,

eiser,

procureur mr. E.M.M. van de Loo,

advocaat mr. G.A.E.M. van Zinnicq Bergmann te Soest,

tegen

Y,

wonende te Enschede,

gedaagde,

procureur mr. J.B.A. Kalk.

Partijen zullen hierna X en Y genoemd worden.

Het procesverloop

X heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding, onder overlegging van 4 producties. Vervolgens heeft Y geconcludeerd voor antwoord, waarbij 1 productie is overgelegd. Hierna heeft X gerepliceerd, onder overlegging van 3 producties, waarna Y heeft gedupliceerd, onder overlegging van 2 producties. Vervolgens heeft Y zich bij brief van zijn raadsman van 4 mei 2005 tot de rechtbank gewend met de mededeling dat Y bij vonnis van deze rechtbank van 3 mei 2005 in staat van faillissement is verklaard en met de mededeling dat de onderhavige procedure van rechtswege dient te worden geschorst. X heeft zich hierna bij brief van zijn raadsman van 28 september 2006 tot de rechtbank gewend met de mededeling dat het faillissement van Y op 9 augustus 2006 is opgeheven en met het verzoek de zaak weer op de rol te doen plaatsen voor conclusie van repliek. De rechtbank heeft dit laatste aangemerkt als een kennelijke verschrijving en heeft de zaak verwezen naar de rolzitting van 4 oktober 2006 voor voortprocederen. Vervolgens heeft X op 15 november 2006 een akte vermeerdering van eis, tevens akte uitlating producties genomen, waarna Y nog een akte heeft genomen.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste overgelegde producties, het navolgende vast:

a. X is als hoofdagent werkzaam bij de Dienst Spoorwegpolitie met als standplaats Sittard.

b. Op woensdag 5 maart 2003 omstreeks 00.40 uur was X in de uitoefening van zijn functie, in uniform gekleed, samen met zijn collega R.J.A. Z -hierna te noemen: Z- betrokken bij de aanhouding van Y, welke aanhouding plaatsvond in station Eindhoven Centraal, ter zake van poging tot inbraak in het politiebureau van de spoorwegpolitie te Eindhoven.

c. Y is vervolgens overgebracht naar het politiebureau, al waar hij tijdelijk werd ingesloten in een daarvoor bestemde ophoudcel. Aldaar is hij onderworpen aan een veiligheidsfouillering.

d. Y heeft vervolgens de ruit van de ophoudcel eruit getrapt en/of geslagen en heeft zich hierdoor weten te bevrijden, waarna een handgemeen volgde tussen enerzijds Y en anderzijds X en Z.

e. Y is bij vonnis van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2004 veroordeeld wegens weerspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad ten aanzien van X. Y is voorts ter zake de vordering van X als benadeelde partij, veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,-- als voorschot immateriële schade, waarbij de politierechter heeft bepaald dat X als benadeelde partij in de vordering ter zake kosten diensthemd stomerij en overig deel immateriële schade niet ontvankelijk is.

2.1 X vordert samengevat - zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Y tot betaling van EUR 11.976,12, vermeerderd met rente en kosten. Bij akte vermeerdering van eis heeft X als aanvullende schadevergoeding een bedrag van € 1.000,-- gevorderd.

2.2 X stelt daartoe onder meer het volgende.

2.2.1 Het vonnis van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2004 levert dwingend bewijs op dat Y onrechtmatig jegens X heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de door X ter zake geleden schade.

2.2.2 X heeft ten gevolge van de gedragingen van Y zowel materiële als immateriële schade geleden.

2.2.3 De materiële schade bestaat uit de door de arbeidsongeschiktheid misgelopen overwerk- en onregelmatigheidstoeslag, waarbij X stelt dat hij ten gevolge van genoemde gebeurtenis gedurende twee dagen arbeidsongeschikt is geweest, waardoor hij overwerk- en onregelmatigheidstoeslag ten bedrage van € 27,28 heeft misgelopen. X stelt dat blijkens de overgelegde declaratiestaat hij voor zowel 5 als 6 maart 2003 was ingeroosterd van 16.00 uur tot 24.00 uur, respectievelijk van 14.00 uur tot 22.00 uur. Als gevolg van zijn ziekmelding heeft hij 15 uur lichte onregelmatigheidstoeslag en 1 uur hogere onregelmatigheidstoeslag gederfd.

Voorts is als gevolg van de worsteling met Y de kleding van X beschadigd; zijn dienstoverhemd is gescheurd en zijn broek diende bij de stomerij te worden gebracht, hetgeen een schade oplevert van € 25,50 (dienstoverhemd ad € 18,-- en stomerijkosten ad € 7,50). X krijgt weliswaar van rijkswege kleding ter beschikking gesteld, doch dit is de kleding bestemd voor dagelijks gebruik tijdens het werk, waarvoor bovendien nog eens een maximum budget geldt. Van X kan niet worden verlangd dat hij zijn persoonlijk budget aanwendt ter delging van de door Y toegebrachte schade. Bovendien vallen de stomerijkosten buiten het budget en zijn deze door X zelf betaald.

X heeft voorts als gevolg van het optreden van Y een nacht ter observatie in het ziekenhuis moeten doorbrengen, mede vanwege het vermoeden dat zijn milt gescheurd was. X bleek gekneusde ribben, borst- en rugspieren te hebben opgelopen. X vordert uit hoofde van ziekenhuisdaggeld een bedrag van € 23,-- en stelt dat hij bovendien de nodige (reis)kosten heeft moeten maken ter zake van het ziekenhuisverblijf en de behandelingen in verband met de post-traumatische stressstoornis, uit hoofde waarvan hij een bedrag van € 250,-- vordert. Van X kan niet worden verlangd dat hij per openbaar vervoer zou hebben gereisd om de schade en kosten te beperken, dit in verband met het grote tijdsverschil tussen het reizen per auto en per openbaar vervoer. In totaal vordert X derhalve een bedrag van € 325,-- uit hoofde van materiële schade.

2.2.4 X heeft voorts tengevolge van het optreden van Y immateriële schade geleden. Het gebeurde was voor X een traumatische gebeurtenis die bij hem een hevige emotionele reactie teweeg heeft gebracht en hem is blijven achtervolgen. X heeft zich naar aanleiding van het voorval onder behandeling moeten stellen van een psycholoog. Deze heeft bij X een chronische post-traumatische stress stoornis (PTSS) geconstateerd.

X vordert uit hoofde van immateriële schade een bedrag van € 10.000,--.

Als voorschot op genoemde schade heeft X een bedrag van € 500,-- toegewezen gekregen, zodat een immateriële schade van € 9.500,-- resteert.

2.2.5 Uit hoofde van buitengerechtelijke incassokosten vordert X een bedrag van € 1.051,50, zijnde 15% van de hoofdsom, zulks overeenkomstig het NovA-tarief.

2.2.6 X heeft, zoals blijkt uit rechtsoverweging 2.1, bij akte zijn eis vermeerderd, waarbij hij stelt dat de uitlatingen van Y, gedaan bij conclusie van dupliek, dermate beledigend, defamerend, stigmatiserend en grievend tegenover X zijn dat dit tot nog verdere schade aan de zijde van X leidt.

2.2.7 X biedt bewijs aan van al zijn stellingen door alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen.

3.1 Y betwist de stellingen van X, waartoe hij onder meer het volgende stelt.

3.1.1 Y is door X geprovoceerd, als gevolg waarvan hij in blinde woede is ontstoken. Hij is, nadat hij uit de ophoudcel was gebroken, hardhandig aangepakt door X en Z. Y heeft zich, al liggend op de grond, verweerd en het is zeer wel mogelijk dat hij X en/of Z daarbij heeft geraakt. Er was echter geenszins sprake van een levensbedreigende situatie voor X. Gelet op de gang van zaken acht Y een schadevergoeding voor X niet aan de orde. Voor zover Y al aansprakelijk is te houden voor enige schade, quod non, dan is een aanzienlijk gedeelte daarvan te kwalificeren als eigen schuld aan de zijde van X. Agenten worden getraind in het omgaan met geweld. In dit licht is de vordering van X, vooral ten aanzien van het immateriële gedeelte, zwaar overtrokken.

3.1.2 Ten aanzien van de door X gevorderde materiële schade merkt Y het volgende op.

Uit de door X overgelegde productie blijkt dat hij op 5 en 6 maart 2003 was ingeroosterd en dat hij zich op deze dagen ziek heeft gemeld. In zoverre is de stelling goed onderbouwd. De stelling dat hij als gevolg van zijn ziekte 15 uur lichte en 1 uur hogere onregelmatigheidstoeslag derft is echter niet met nadere stukken onderbouwd. De vordering dient op dat punt te worden afgewezen.

De door X gevorderde reiskosten ad € 250,-- zijn niet nader onderbouwd, noch aangetoond. Het is niet duidelijk of de gevorderde reiskosten alleen betrekking hebben op de reiskilometers per auto tussen Sittard en Voerendaal, dan wel tevens op de reiskosten van Sittard naar Amsterdam op 13 mei 2003 en 3 juni 2003. In het kader van de schadebeperkingsplicht had X, beschikkend over een OV-jaarkaart, per openbaar vervoer dienen te reizen. X had bovendien naar een ander ziekenhuis dan het AMC te Amsterdam kunnen gaan.

Y is wel bereid om het gevorderde ziekenhuisdaggeld ad € 23,-- te voldoen.

Het is Y niet duidelijk geworden waarom X een nieuw dienstoverhemd claimt. Schade voortvloeiend uit dienstongevallen worden nimmer op de werknemer afgewenteld. Overigens heeft X geen enkel bewijs ter zake kledingschade in deze procedure getoond.

3.1.3 Y stelt dat de vordering van X ter zake de immateriële schade onvoldoende door X is onderbouwd. Niet alleen kunnen de overgelegde stukken de buitensporig hoge vordering niet dragen, ook geven zij weinig tot geen inzicht in de beperkingen die X heeft gehad in zijn werk, zijn thuissituatie, de ernst van de klachten en dergelijke. Een enkele -zeer summiere- verklaring van een psycholoog, die X niet zelf heeft behandeld doch slechts een psychodiagnostisch onderzoek heeft uitgevoerd, kan bezwaarlijk als basis dienen voor een immateriële schadevergoeding zoals door X gevorderd.

3.1.4 Met betrekking tot de door X gevorderde buitengerechtelijke kosten stelt Y dat aansluiting dient te worden gezocht bij rapport Voorwerk II, hetgeen impliceert dat de buitengerechtelijke kosten maximaal € 780,-- bedragen. X vordert ook kosten die verband houden met het opstellen en indienen van het voegingsformulier voor de zitting van de politierechter. Y stelt dat, nu X deze kosten niet in de strafzaak heeft gevorderd, hij deze omissie thans niet kan herstellen. Bovendien is het zo dat buitengerechtelijke kosten betreffen de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Alleen al daarom vallen de kosten van het opstellen en indienen van een voegingsformulier buiten het kader van de buitengerechtelijke kosten. De overige door X genoemde buitengerechtelijke werkzaamheden leiden niet tot de conclusie dat een bedrag van ruim € 1.000,-- een redelijk bedrag is ter zake in redelijkheid gemaakte kosten. Het ligt op de weg van X om de dubbele redelijkheid daarvan aan te tonen.

3.1.5 Y betwist tot betaling van een hogere schadevergoeding dan het bedrag van € 500,--, waartoe hij door de politierechter is veroordeeld, gehouden te zijn.

3.1.6 Voor het geval de rechtbank zou besluiten de vordering van X (gedeeltelijk) toe te wijzen, beroept Y zich op zijn uiterst geringe draagkracht, waarbij hij stelt dat hem per maand resteert een bedrag van € 38,07.

3.1.7 Met betrekking tot de eisvermeerdering heeft Y gesteld dat X deze op generlei wijze heeft onderbouwd en daarvoor geen bewijs heeft aangedragen, weshalve ook de vermeerdering van eis dient te worden afgewezen.

3.2 Y concludeert tot afwijzing van de vorderingen van X, dan wel tot niet-ontvankelijk verklaring, zulks onder compensatie van de proceskosten.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1 Krachtens artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.)levert een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Nu Y als juist heeft erkend dat hij bij vonnis van de politierechter te

’s - Hertogenbosch d.d. 30 januari 2004 is veroordeeld ter zake van wederspannigheid welke enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad ten aanzien van X, is daarmee sprake van dwingend bewijs van dat feit, in de hiervoor bedoelde zin. De aansprakelijkheid van Y voor de door X geleden schade is daarmee in beginsel gegeven. Y heeft, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 3.1.1., gesteld dat hij evenwel door X is geprovoceerd, als gevolg waarvan hij in blinde woede is ontstoken en dat, voor zover Y al aansprakelijk is te houden voor enige schade, quod non, dan een aanzienlijk gedeelte daarvan te kwalificeren is als eigen schuld aan de zijde van X.

De rechtbank overweegt dat artikel 6:101 lid 1 Burgerlijk Wetboek als volgt luidt:

“ Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.”

De rechtbank is van oordeel dat, zelfs in het geval de door Y gestelde provocatie door X zou komen vast te staan, dit geenszins de disproportionele reactie van Y, onder meer bestaand uit het eruit trappen en/of slaan van de ruit van de ophoudcel en het daarna in gevecht gaan met de agenten X en Z, rechtvaardigt.

Y heeft erkend dat hij bij de politie Twente als verzetpleger bekend staat en tevens dat hij in blinde woede is ontstoken. De rechtbank is van oordeel dat van een vermindering van de schadevergoedingsplicht op grond van eigen schuld geen sprake kan zijn, althans dat de vergoedingsplicht geheel in stand dient te blijven, nu de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de omstandigheden van het geval eist. De rechtbank laat daarbij zwaar wegen dat Y X, in zijn functie van hoofdagent bij de Dienst Spoorwegpolitie, te lijf is gegaan.

4.2 Vast is komen te staan dat X zich, als benadeelde partij, ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding, heeft gevoegd in het strafproces en dat de politierechter te ’s-Hertogenbosch Y heeft veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,-- als voorschot immateriële schade, waarbij de politierechter heeft bepaald dat X als benadeelde partij in de vordering ter zake kosten diensthemd stomerij en overig deel immateriële schade niet ontvankelijk is.

Voor de vordering van een benadeelde partij in het strafproces geldt het eenvoudscriterium als ontvankelijkheidsvereiste, zoals volgt uit artikel 361 lid 3 Wetboek van Strafvordering. De strafrechter kan ambtshalve de vordering splitsen en het deel van de vordering dat niet eenvoudig van aard is niet-ontvankelijk verklaren, zodat dit deel alsnog bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend (MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 345, nr. 3, p. 12).

De strafrechter kan ook een deel van de vordering als voorschot toewijzen, hoewel deze kwalificatie niet noodzakelijk is voor de mogelijkheid van de benadeelde partij om het restant van haar vordering aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Toewijzing door de rechter van (een deel van) de vordering als voorschot moet volgens de Hoge Raad worden gezien als strekkend tot vergoeding van een gedeelte van de schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde feit en die eenvoudig van aard is.

(HR 9 maart 2002, NJ 2002, 497).

Gelet op het voorgaande laat het feit dat de politierechter te ’s-Hertogenbosch Y reeds heeft veroordeeld tot betaling van een voorschot immateriële schade en X ter zake het overige niet-ontvankelijk heeft verklaard,onverlet de mogelijkheid van X het resterende deel van zijn vordering aan deze rechtbank voor te leggen.

4.3 Blijkens het hiervoor opgenomen procesverloop is de door X bij inleidende dagvaarding d.d. 1 november 2004 aanhangig gemaakte procedure door het op 3 mei 2005 door deze rechtbank uitgesproken faillissement van Y van rechtswege geschorst. Op de door X ingestelde vordering is het bepaalde in artikel 26 Faillissementswet (Fw.) van toepassing, nu sprake is van een vordering die voor de uitspraak van het faillissement is ontstaan. Artikel 29 Fw. regelt het geval dat deze rechtsvorderingen tijdens de faillietverklaring aanhangig zijn. Deze vorderingen worden na de faillietverklaring geschorst en alleen voortgezet als de verificatie wordt betwist. Echter anders dan uit de tekst van het artikel volgt, kan de procedure ook worden voortgezet tussen de oorspronkelijke eiser en de schuldenaar indien een faillissement wordt opgeheven zonder dat een verificatievergadering is gehouden. Uit het hiervoor weergegeven procesverloop blijkt dat door X expliciet is verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen voor voortprocederen en dat daartegen door Y geen bezwaar is gemaakt, zodat ook hierin geen beletsel is gelegen voor de rechtbank om de onderhavige vordering te beoordelen.

4.4 De rechtbank zal in de eerste plaats de door X gevorderde materiële schade beoordelen.

4.4.1 Met betrekking tot het gevorderde ziekenhuisdaggeld ad € 23,-- overweegt de rechtbank dat zij dit deel van de vordering zal toewijzen, gelet op de bereidheid van Y om dit deel van de vordering te voldoen.

4.4.2 In acht genomen de erkenning van Y dat uit de door X overgelegde productie blijkt dat hij op 5 en 6 maart 2003 was ingeroosterd en dat hij zich op deze dagen ziek heeft gemeld, kan dit tevens als vaststaand worden aangemerkt. Gelet op de tijden waarvoor X op die data is ingeroosterd te weten van 16.00 uur tot 24.00 uur en van 14.00 uur tot 22.00 uur acht de rechtbank het aannemelijk dat X een onregelmatigheidstoeslag zou hebben ontvangen, mede ook gezien de in de daaraan voorafgaande maanden door hem ontvangen toeslagen.

Gelet op de relatief geringe hoogte van het gevorderde bedrag, te weten € 27,28, afgezet tegen de op de declaratiestaat onder ‘normvergoedingen’ genoemde toeslagen per uur, zal de rechtbank dit deel van de vordering ook toewijzen.

4.4.3 Met betrekking tot de gevorderde reiskosten heeft X in productie 3 aangegeven dat, aangezien de werkelijke schade moeilijk te begroten is, in concreto wordt uitgegaan van een stelpost van € 250,--. Y heeft gesteld dat de gevorderde reiskosten niet nader zijn onderbouwd, noch aangetoond.

De rechtbank overweegt, mede gelet op het door Y gevoerde verweer, zoals zakelijk weergegeven in rechtsoverweging 3.1.2, dat de schadebeperkingsplicht van X niet zo ver gaat dat van hem kon worden gevergd dat hij zich met het openbaar vervoer zou verplaatsen, mede gelet op de door Y uitgedraaide reiswijzer van Sittard naar Voerendaal, waaruit blijkt dat het reizen per openbaar vervoer zou bestaan uit twee verschillende busritten en een treinreis. Evenmin valt X te verwijten dat hij voor een intake-gesprek met psychiater mw. C.M. Vrijlandt en voor het psychodiagnostisch onderzoek naar het AMC is geweest en niet naar een medisch centrum dichter gelegen bij zijn woonadres, meer in het bijzonder niet nu uit de als productie 4 overgelegde brief van mw. drs. G.J. Westerveld van 13 april 2003 blijkt dat sprake was van een verwijzing van X door de bedrijfsarts drs. E. Kramer. In achtgenomen het aantal gereden kilometers, waarbij X heeft gesteld dat het gaat om 2 maal vervoer van Sittard naar Amsterdam en terug en 7 maal vervoer van Sittard naar Voerendaal en terug, hetgeen ook blijkt uit de door hem overgelegde producties, komt een bedrag van € 250,-- uit hoofde van reiskosten de rechtbank voorshands niet bovenmatig voor. Echter voor toewijzing van dit deel van de vordering zal wel moeten komen vast te staan dat X ook daadwerkelijk reiskosten, zoals door hem gevorderd, heeft gehad, in die zin dat de door hem gemaakte kosten niet zijn vergoed door zijn werkgever. Immers in dat laatste geval kan niet worden gesproken van schade geleden door X. De rechtbank stelt X in de gelegenheid dit bewijs te leveren.

4.4.4 Hetzelfde geldt met betrekking tot de door X gevorderde kledingschade. Ook hier dient X te bewijzen dat sprake is geweest van kledingschade, welke niet is vergoed door zijn werkgever.

4.5 Met betrekking tot de door X gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.2.4 is weergegeven heeft X gesteld dat het gebeurde een traumatische gebeurtenis was, die bij hem een hevige emotionele reactie teweeg heeft gebracht en hem is blijven achtervolgen.Tevens heeft X gesteld dat sprake was van lichamelijk letsel.

Met betrekking tot dit laatste overweegt de rechtbank dat uit de door X overgelegde bescheiden is gebleken dat hij ter observatie is opgenomen in verband met buikklachten, waarna uit een buikecho is gebleken dat er geen sprake was van afwijkingen, doch dat wel sprake was van kneuzing van de borst- en rugspieren.

Met betrekking tot de door X gestelde psychische schade overweegt de rechtbank dat blijkens rechtspraak van de Hoge Raad het toebrengen van geestelijk letsel (ook zonder dat er tevens sprake is van lichamelijk letsel) zelfstandig kan worden aangemerkt als persoonsaantasting die recht geeft op smartengeld. Inmiddels stelde de Hoge Raad in het kader van geestelijk letsel de volgende eis: “De partij die zich op aantasting van de persoon beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld.” (HR 9 mei 2003, NJ 2005,168 en HR 19 december 2003, NJ 2004,348)

De rechtbank overweegt dat mevrouw drs. G.J. Westerveld in haar brief van 13 april 2003

-welke brief door X als productie 4 is overgelegd- weliswaar het volgende stelt:

“(…)

Op basis van intake en psychodiagnostisch onderzoek hebben wij het volgende geconcludeerd: Er is bij u sprake was van een posttraumatische stress-stoornis, chronisch, naar aanleiding van een incident in uw werk op 5 maart 2003.

U werd geïndiceerd bevonden voor onze psychotraumabehandeling. Het betreft hier een individuele protocollaire psychotherapeutische behandeling van 16 sessies voor de posttraumatische stress-stoornis.

Als uw behandelaar werd toegewezen mw. drs. A.C. Meijboom. Mw. Meijboom heeft ons onlangs laten weten dat u na 7 sessies in principe klaar bent met uw behandeling.

(…)”,

doch dat deze brief de rechtbank voorshands onvoldoende inzicht verschaft in de ernst en aard van de ongevalsgevolgen. Zo is niet duidelijk geworden of X thans nog restverschijnselen ondervindt. Rapportage door de behandelend deskundige(n) van X is niet overgelegd. De rechtbank stelt X in de gelegenheid nader bewijs bij te brengen van de door hem gestelde ongevalsgevolgen.

De rechtbank overweegt dat deze bewijsopdracht uitdrukkelijk geen betrekking heeft op de door X bij akte vermeerdering van eis gevorderde aanvullende schadevergoeding. Hoewel gesteld, noch gebleken is dat de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde en het bepaalde in artikel 130 Rv. derhalve geen reden is om de eisvermeerdering niet toe te staan, is de rechtbank inhoudelijk van oordeel dat de door Y bij conclusie van dupliek ingenomen stellingen onvoldoende grondslag vormen voor het vorderen door X van aanvullende schadevergoeding. Het valt nu eenmaal te verwachten dat in procedures als de onderhavige door partijen over en weer stellingen worden ingenomen die als onwelgevallig voor de andere partij kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat het niet zo is dat de door Y bij conclusie van dupliek ingenomen stellingen grenzen van betamelijkheid overschrijden, althans van dien aard zijn dat zij een vermeerdering van schade tot gevolg hebben.

4.6 Met betrekking tot de door X gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank dat deze toewijsbaar zijn indien zij redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk zijn om betaling te krijgen. De rechtbank stelt X in de gelegenheid te bewijzen dat dergelijke kosten door hem zijn gemaakt.

4.7 In afwachting van de bewijslevering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden. Om redenen van doelmatigheid zal de rechtbank, waar het betreft in dit vonnis gegeven eindbeslissingen, het dictum aanhouden tot het in deze te wijzen eindvonnis.

De beslissing

De rechtbank

I. Stelt X in de gelegenheid bewijs te leveren, als bedoeld in de rechtsoverwegingen 4.4.3, 4.4.4, 4.5 en 4.6.

II. Bepaalt dat indien X bewijs wenst te leveren door getuigen deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. Lorist.

III. Verwijst de zaak daarvoor naar de civiele rolzitting van woensdag 14 februari 2007 voor dagbepaling enquête aan de zijde van X en draagt hem op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en het aantal te horen getuigen aan de zijde van X.

IV. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 31 januari 2007.?

Memo

Zie bundel verkeersrecht ANWB Smartengeld

p 143 rechtbank Utrecht nr 698: geen matiging wegens draagkracht.

PTSS: rekening houden met het feit dat het voorval zich in de beroepsuitoefening heeft voorgedaan.

p 143 Hof A’dam nr 704 politieagente

p 144 R’b Zwolle nr 708 stadswacht

p 146 R’b Den Haag nr 721 beveiligingsman

p 149 R’b Den Haag nr 740 politieman