Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB8594

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
23-11-2007
Zaaknummer
73998 ha za 983 van 2005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid tussenpersoon/verzekeraar voor onderverzekering woonhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 73998 ha za 983 van 2005

datum vonnis: 24 januari 2007 (ml)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

X,

wonende te Stad Delden,

eiseres,

verder te noeme: X,

procureur: mr. E.M.M. van de Loo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Z ASSURANTIËN B.V.,

gevestigd te Stad Delden,

gedaagde,

verder te noemen: Z,

procureur: mr. G.J. Hollema.

Procesverloop

Op 6 oktober 2005 heeft X Z gedagvaard.

Z heeft een conclusie van antwoord genomen, X een conclusie van repliek en Z een conclusie van dupliek, waarna partijen vonnis hebben verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. X is eigenaresse van het pand aan de hoek A te Enschede, dat als gevolg van de vuurwerkramp op 13 mei 2000 door brand totaal is verwoest.

2. Vanaf 1986 was het pand (tegen brand) verzekerd middels een opstalverzekering bij AMEV onder polisnummer 5229773 en tot stand gekomen door bemiddeling van

Z. De verzekerde waarde bedroeg aanvankelijk f 390.000,--

(€ 176.974,28). De polis kende geen indexering.

3. Op 13 mei 1993 heeft kennelijk op verzoek van Z herinspectie van het pand plaatsgevonden door H. S van AMEV, zulks in aanwezigheid van W. Y van Z.

Uitgaande van een kubieke meterbedrag van f 350,-- is de herbouwwaarde vastgesteld op

f 600.000,-- (€ 272.268,13), met de toevoeging dat na renovatie de herbouwwaarde wat opgetrokken kon worden.

4. De verzekerde som is in voormelde zin aangepast, de polis kende (nog steeds) geen indexering.

5. In de periode 1993 - 1996 zijn door X diverse werkzaamheden aan het pand verricht, als nieuwe riolering, dakreparatie, het deels vervangen van kozijnen en diverse onderhoudswerkzaamheden als schilderen, die als zodanig niet aan Z en/of AMEV zijn gemeld en niet tot (eventuele) aanpassing van de verzekerde som hebben geleid.

6. Na (de vuurwerkramp en) de brand heeft AMEV de herbouwwaarde van het pand op basis van f 625,-- per kubieke meter doen vaststellen op een bedrag van f 965.000,--

(€ 437.897,91).

Ondanks dat gezien de (hoogte van de) verzekerde som van onderverzekering sprake was, heeft AMEV op 17 oktober 2000 ter zake van herbouw(waarde) toch de volledige verzekerde som van f 600.000,-- (€ 272.268,13) aan X uitgekeerd.

De vorderingen van X

Waarde 1993

7. Op basis van een rapport uit 2004 van de door X ingeschakelde expert

G.M.J. ter Beek stelt X dat de herbouwwaarde in 1993 een bedrag ad f 990.120,-- (€ 486.043,--) bedroeg en mitsdien de herbouwwaarde in 1993 door S (van de AMEV) en Y (van Z) onjuist, en met name te laag, is vastgesteld.

X stelt dat hiervan onderverzekering het gevolg is geweest en zij mitsdien niet haar (gehele) herbouwwaarde van AMEV vergoed heeft gekregen.

Aanpassing verzekerde som

8. Tevens verwijt X aan Z na voormelde onjuiste vaststelling van de herbouwwaarde niets te hebben ondernomen om die onjuistheid te corrigeren en evenmin ervoor te hebben zorg gedragen dat vanwege de na 1993 sterk gestegen (her)bouwkosten de verzekerde som navenant werd aangepast, zulks met name vanwege het ontbreken van een dienovereenkomstige indexering op de polis.

X stelt dat (ook) hiervan een (gedeelte van) de in 2000 geconstateerde onderverzekering het gevolg is geweest en dientengevolge X haar (gehele) herbouwwaarde niet vergoed heeft gekregen.

9. X vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaart voor recht dat Z jegens X volledig aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt, heeft geleden en mogelijk nog zal lijden als gevolg van de (ontstane) onderverzekering waar het haar pand aan de A te Enschede betreft, welke onderverzekering aan het licht is gekomen nadat het pand op

13 mei 2000 als gevolg van brand teniet is gegaan;

II. Z veroordeelt aan X te voldoen alle door haar geleden en nog te lijden schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2000 althans de dag der opeisbaarheid althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend bij wet;

III. Z veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 9.234,71 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag/de dagen dat de diverse afzonderlijke nota's die aan dit totaalbedrag ten grondslag liggen door X zijn betaald dan wel subsidiair vanaf de dag der dagvaarding; een en ander tot aan de dag der voldoening:

IV. Z veroordeelt in de kosten van het geding.

Het verweer van Z

10. Uitgaande van (artikel 2.2 van) de polisvoorwaarden is X als verzekeringnemer primair verantwoordelijk voor (opgave van de hoogte van) de verzekerde som en moet tegen die achtergrond het verzoek van Z tot inspectie en het advies van inspecteur S (AMEV) tot aanpassing van die verzekerde som naar

f 600.000,-- uitgaande van f 350,-- per m3 worden gezien.

Geen van de betrokkenen waaronder ook X, achtte dat uitgangspunt of resultaat onjuist en de polis is ook zonder commentaar in die zin gewijzigd respectievelijk de navenante premie door X betaald.

11. Het rapport van Ter Beek uit 2004 en de daarin berekende herbouwwaarde per 1993

(ad € 577.749,--) acht Z onjuist en niet relevant, omdat het is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten betreffende kubieke meterprijs en vergelijkingspanden en die waarde is gekoppeld aan terugrekening op basis van een index, terwijl het erom gaat of in 1993 ten aanzien van het pand met inbegrip van de onderhoudssituatie een op dat moment acceptabele kubieke meterprijs is gehanteerd voor de advisering van de hoogte (van de aanpassing) van de verzekerde som.

Z wijst er bovendien op dat na de brand in 2000 na expertise de herbouwkosten met instemming van X op een lager bedrag zijn vastgesteld:

f 965.000,-- (€ 437.897,--) en dat bedrag de bovengrens vormt in de discussie omtrent mogelijke onderverzekering.

12. Het verwijt van X dat Z na 1993 onvoldoende zorg zou hebben betracht ten aanzien van het aanpassen van de verzekerde som aan een gewijzigde situatie van het pand en/of stijging van (her)bouwkosten, spreekt Z slechts in zeer beperkte mate aan.

Voorop stelt Z dat het primair de verantwoordelijkheid van X als verzekeringnemer blijft om bij gebreke van indexering respectievelijk vanwege uitgevoerde renovaties of andere verbeteringen (de hoogte van) de verzekerde som in de gaten te houden en het daarnaast in de negentiger jaren bepaald (nog) geen staande praktijk was om cliënten éénzijdig en actief op dat punt te benaderen.

Anderzijds stelt Z wel, vanwege de opmerking van AMEV in 1993 dat na renovaties de verzekerde som eventueel aangepast zou kunnen worden respectievelijk het ontbreken van een indexclausule op de polis, zij weliswaar getracht heeft hieromtrent contact te krijgen met X, maar zulks niet gelukt is en zij, achteraf bezien, er beter aan had gedaan zulks in een aan X te schrijven brief vast te leggen.

13. Overigens betwist Z het causale verband tussen dat laatste en de door X gestelde schade allereerst omdat het de vraag is in hoeverre nadere inspectie van het pand tot een aangepaste waarde van de verzekerde som aanleiding zou hebben gegeven respectievelijk X daadwerkelijk tot wijziging en/of indexering daarvan zou zijn overgegaan.

Te ver gaat volgens Z de eis, althans stelling van X, dat Z als assurantietussenpersoon gedurig had te zorgen voor een aangepaste hoogte van de verzekerde som in de zin dat Z bij het ontbreken ervan de schade uit hoofde van onderverzekering zonder meer zou hebben bij te passen.

14. Voorts stelt Z bij wege van (hypothetische) rekensom dat ingeval vanaf 1993 wel een index op de polis zou hebben gegolden, de verzekerde som in 2000 een bedrag van f 713.000,-- zou hebben bedragen en de maximale schade f 113.000,- zou hebben bedragen.

Omdat X nooit enige actie in het kader van renovaties, verbeteringen of afwezige index heeft ondernomen, is volgens Z eigenschuld van X in de zin van artikel 6: 101 BW aan de orde en dient 50% van dat bedrag voor eigen rekening van X te blijven en is het geschil beperkt tot een bedrag van f 56.500,--.

15. De door X gevorderde buitengerechtelijke kosten worden door

Z naar aard en omvang betwist.

De beoordeling

16. Tussen partijen staan -onder meer- de gegevens omtrent het pand van X te Enschede, de bij AMEV middels intermediair van Z afgesloten verzekering en het verloren gaan van het pand door de brand na de vuurwerkramp in 2000 vast.

17. Uitgaande van algehele verwoesting door die brand van het pand, waarvan de herbouwwaarde in 1993 (als verzekerde som) op f 600.000,-- (€ 272.268,13) en na de brand op f 965.000,-- (€ 437.897,--) werd gesteld, was van onderverzekering van het pand sprake.

18. De oorzaak daarvan kan gelegen zijn in een in 1993 onjuist geformuleerde herbouwwaarde, het (tussentijds) niet-verdisconteerd zijn in de verzekerde som van uitgevoerde renovaties, onderhoud of andere verbeteringen en/of het ontbreken van een indexeringsclausule respectievelijk een in 2000 na de brand onjuist vastgestelde herbouwwaarde.

19. Dat laatste punt speelt in deze niet in die zin dat weliswaar X heeft gesteld dat de door haar ingeschakelde expert Ter Beek een hogere herbouwwaarde van € 577.749,-- heeft getaxeerd, maar waar uit de stukken blijkt dat X na de brand met een taxatiewaarde van f 965.000,-- (€ 437.897,91) heeft ingestemd, is dat voor de rechtbank het uitgangspunt, beter gezegd het eindpunt van de discussie.

20. Het begin van die discussie is de vaststelling van de herbouwwaarde in 1993 op een bedrag van f 600.000,--.

Waar geen der betrokkenen, S van AMEV, Y van Z of X daarbij alstoen enig vraagteken heeft gezet en tevens uit de stukken blijkt dat de als uitgangspunt gekozen waarde van f 350,-- per kubieke meter een bestaande zij het voor eenvoudige woningen geldende waarde, is genomen, acht de rechtbank die waarde zodanig vastgesteld dat in het kader van het vaststellen daarvan -behoudens als na te melden door X te leveren bewijs- geen verwijt door X aan Z als assurantietussenpersoon kan worden gemaakt.

21. Het risico dat de verzekerde som na 1993 tussentijds vanwege uitgevoerd onderhoud, renovatie en/of verbeteringen had moeten worden aangepast, acht de rechtbank primair bij X gelegen.

Uit de stukken blijkt niet dat X op enigerlei wijze enige aandacht aan aanpassing van de verzekerde som heeft gegeven, hoewel daartoe blijkens de stukken wel meermalen aanleiding is geweest, zodat de rechtbank in het achterwege blijven van een brief van Z, die daarop (nog eens) wijst geen causaal verband ziet met de door

X gestelde schade uit hoofde van onderverzekering in 2000.

22. Dat kan anders liggen met betrekking tot de (afwezigheid van een) indexeringsclausule.

Bij gebreke daaraan is het zaak voor een verzekeringnemer als X om de verzekerde som periodiek te toetsen c.q. herzien.

Op dat punt had van Z meer eigen activiteit en/of initiatief mogen worden verwacht met name in geval er van (aanzienlijk) stijgende (her)bouwkosten sprake is.

Naar de rechtbank ambtshalve bekend is, pleegt dergelijke toetsing/herziening van verzekerde sommen doorgaans niet eerder plaats te vinden dan om de vijf jaar (soms wel eerst elke tien jaar).

In deze zaak zou dan moeten worden bezien of X na waarschuwing daaromtrent vanwege Z zou hebben laten toetsen in hoeverre (op zijn vroegst) in 1998 de verzekerde som afweek van de herbouwkosten van het pand op dat moment en of zij de verzekerde som vervolgens in die zin (vanwege het verschil) zou hebben laten aanpassen.

23. De rechtbank ziet aanleiding om X als na te melden met bewijs omtrent hetgeen hiervoor onder (20) en (22) is overwogen.

De beslissing

De rechtbank:

I. Draagt X op om te bewijzen dat bij de aanpassing van de verzekerde som in 1993 betreffende het pand van X aan de A te Enschede ten onrechte als uitgangspunt voor die vaststelling is uitgegaan van f 350,-- per kubieke meter (overweging 20).

II. Draagt X op om te bewijzen dat de in aanmerking te nemen herbouwwaarde van het pand zodanig was gestegen, dat aanpassing van die herbouwwaarde was geboden.

III. Verwijst de zaak naar de civiele rolzitting van deze rechtbank van woensdag

7 februari 2007 voor dagbepaling enquête en draagt X op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen en het aantal te horen getuigen.

IV. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Van der Veer, Bordenga en Jongebreur en

op 24 januari 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.