Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB8223

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
84098 FA RK 07-128
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 1:159, lid 3 BW; Niet-wijzigingsbeding; Voor de vraag of bij het vaststellen van de alimentatie bepaalde omstandigheden een relevante rol hebben gespeeld, is niet van belang of die omstandigheden bekend dan wel voorzienbaar zijn geweest, maar of daarmee destijds zodanig rekening is gehouden dat zij geacht moeten worden aan de vaststelling van de alimentatie ten grondslag te hebben gelegen; artikel 1:401, lid 4 BW; Onjuiste of onvolledige gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2008, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

Zaaknummer: 84098 FA RK 07-128 (mhm)

Beschikking van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 10 oktober 2007, in de zaak van:

De vrouw

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te (adres),

verzoekster,

procureur: mr. D. Beuving,

tegen

De man

verder ook de man te noemen,

wonende te (adres),

belanghebbende,

procureur: mr. K. ter Mors,

advocaat: mr. E.M.C. Tinneveld te Arnhem.

Het procesverloop

Bij op 16 februari 2007 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de vrouw verzocht de partneralimentatie te wijzigen.

Op 23 maart 2007 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

Dit verweerschrift bevat een zelfstandig verzoek.

Op 24 april 2007 is hiertegen een verweerschrift ingediend. In dat verweerschrift is tevens het verzoek van de vrouw vermeerderd in die zin dat zij tevens wijziging van de kinderalimentatie verzoekt.

Ter gelegenheid van de terechtzitting van 27 juni 2007 is de behandelend rechter door de man gewraakt. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2007 is de wraking ongegrond verklaard.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 5 september 2007. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw vergezeld door mr. Beuving en de man vergezeld door mr. Tinneveld. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. De door de raadslieden van partijen gebezigde pleitnotities bevinden zich in het dossier.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De volgende feiten die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil staan vast.

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- (Kind 1);

- (Kind 2);

- (Kind 3).

Bij beschikking van 17 november 2004 van deze rechtbank is de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is, overeenkomstig de inhoud van het aangehechte echtscheidingsconvenant, de partneralimentatie op € 3.197,-- per maand en de kinderalimentatie op € 130,-- per kind per maand vastgesteld.

Bij beschikking van 30 augustus 2006 is het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie afgewezen.

Artikel 1.2 van het convenant bepaalt ten aanzien van de partneralimentatie:

“De in artikel 1.1 vastgestelde alimentatie is gebaseerd op een bruto inkomen van de man van € 105.144,-- per jaar, exclusief vakantietoeslag en bonusuitkering…Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat genieten, zullen partijen zich opnieuw wenden tot mr. J.G. Jansen of een andere scheidingsbemiddelaar teneinde te trachten door bemiddeling de alimentatie voor de vrouw opnieuw vast te stellen.”

Artikel 1.3 bepaalt:

“Partijen komen overeen dat in het geval de man aan het einde van een kalenderjaar een bonus ontvangt, hij de helft van het netto door hem te ontvangen bedrag aan de vrouw zal betalen.”

Artikel 2.1. van het convenant bevat een zogenaamd niet-wijzigingsbeding.

(Kind 3) woont bij de vrouw. (Kind 2) verblijft thans bij de man. (Kind 1) studeert in Groningen en woont zelfstandig.

De standpunten van partijen

De vrouw verzoekt, na vermeerdering, de bijdrage in haar levensonderhoud die de man dient te betalen, vast te stellen op € 6.082,75 en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van (Kind 3) vast te stellen op € 505,-- per maand.

De vrouw stelt onder meer dat het door de rechtbank bij beschikking van 17 november 2004 overeenkomstig het convenant vastgestelde bedrag aan partneralimentatie niet meer in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, gelet op het huidige inkomen en de lasten van de man. De man heeft inmiddels ander werk en de vrouw vermoedt dat de man een hoger salaris geniet. De man geniet niet langer bonussen. Hierdoor ontvangt de vrouw niet langer de helft van die bonussen. Op grond van deze omstandigheden is de vrouw van mening dat het haar vrijstaat om te bezien of de man op een andere wijze in de behoefte van de vrouw kan voorzien. Zij is van mening dat er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden. Met betrekking tot de bonussen merkt zij op dat deze in 2002 en 2003 nagenoeg gelijk waren aan de bonus in 2004.

Met betrekking tot het wijzigingsverzoek aangaande de kinderalimentatie wijst zij er op dat de kosten van (Kind 3) € 505,-- per maand bedragen.

Ten aanzien van het zelfstandige verzoek van de man voert zij gemotiveerd verweer. Zij beroept zich onder andere op het niet-wijzigingsbeding.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij beroept zich daarbij onder meer op de artikelen

1:159, lid 3 en 399 BW. Hij betwist dat er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de vrouw niet meer aan het beding mag worden gehouden

De man verzoekt tevens de alimentatie voor de vrouw op nihil te stellen en de alimentatie ten behoeve van (Kind 3) op een bedrag van € 400,-- per maand vast te stellen. Hij legt daaraan het navolgende ten grondslag. Naar zijn mening is in de beschikking van 30 augustus 2006 uitgegaan van onvolledige gegevens. De bonussen die hij jaarlijks ontving varieerden. Voorts is hij van mening dat de vrouw volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarnaast voert hij aan dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Hij is inmiddels met zijn nieuwe partner in het huwelijk getreden en uit deze relatie is een kind geboren. Zijn huidige partner heeft haar dienstverband beëindigd.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

1. De rechtbank zal eerst de ontvankelijkheid van het verzoek van de vrouw met betrekking tot de partneralimentatie bespreken. Daarna zal het verzoek van de man dienaangaande en het verzoek van beide partijen met betrekking tot de bijdrage in de verzorging en opvoeding van (Kind 3) worden besproken.

2. De vraag is of in casu aan de vrouw een beroep op artikel 1:159, lid 3 BW toekomt. Een dergelijk beroep kan slechts worden gehonoreerd indien er sprake is van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de man de vrouw aan het beding zou houden. Voor de vraag of bij het vaststellen van de alimentatie bepaalde omstandigheden een relevante rol hebben gespeeld, is niet van belang of die omstandigheden bekend dan wel voorzienbaar zijn geweest, maar of daarmee destijds zodanig rekening is gehouden dat zij geacht moeten worden aan de vaststelling van de alimentatie ten grondslag te hebben gelegen.

3. Gelet op de redactie van het in het convenant bepaalde is de alimentatie destijds vastgesteld op basis van het inkomen van de man, exclusief het vakantiegeld en de bonussen. Voorts zijn partijen overeengekomen dat in het geval dat de man aan het einde van een kalenderjaar een bonus ontvangt, hij de helft van het netto door hem te ontvangen bedrag aan de vrouw zal betalen. Gelet op de redactie van het in het convenant bepaalde kan slechts worden geconcludeerd dat partijen beiden onder ogen hebben gezien, althans hebben kunnen begrijpen, dat indien er geen bonus zou worden uitgekeerd, de vrouw uitsluitend de overeengekomen alimentatie zou ontvangen. In dit licht acht de rechtbank het feit dat de man van dienstbetrekking is veranderd en thans geen bonussen ontvangt niet van zodanige ingrijpende aard dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden. De vrouw is derhalve niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de partneralimentatie.

4. De man stelt dat de rechtbank in haar beschikking is uitgegaan van onvolledige gegevens, omdat bij de beoordeling van de behoefte alleen is uitgegaan van de in 2004 ontvangen bonus en miskend is dat partijen bij het opstellen van het convenant als uitgangspunt hebben genomen de bonus als vermogen te bezien.

5. Bij de bepaling van de behoefte geldt als uitgangspunt de welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd. Bij de beoordeling van de welstand ten tijde van het huwelijk spelen niet alleen het inkomsten- en uitgaven patroon van partijen een rol, maar ook de mogelijkheid tot vermogensvorming kan een factor zijn die in aanmerking dient te worden genomen. In casu is dat niet anders.

6. De man voert weliswaar aan dat de bonussen varieerden en wijst vervolgens op de omvang van de bonussen in 1998 en 2001, doch hij voert geen verweer tegen de stelling van de vrouw dat in 2002 en 2003 de bonussen nagenoeg gelijk waren aan de bonus die over 2004 is uitbetaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een lagere bonus uit te gaan.

Ter zitting heeft de man desgevraagd meegedeeld dat over de bonus 52% inkomstenbelasting wordt geheven. Gelet op het percentage inkomstenbelasting moet het er voor gehouden worden dat de bonus in Box I wordt belast en fiscaal als inkomen uit arbeid wordt aangemerkt.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk was samengesteld uit het salaris van de man, inclusief het vakantiegeld, en de bonus.

In de beschikking van 30 augustus 2006 is uitgegaan van dit gezinsinkomen. Daaraan doet niet af welke bestemming partijen voor die bonus na de echtscheiding in gedachten hadden, omdat bij de bepaling van de behoefte/welstand wordt gekeken naar de situatie ten tijde van het huwelijk.

Uit voornoemde beschikking is gebleken dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw geen rekening is gehouden met de premie ziektekosten, noch voor de kinderen, noch voor partijen zelf, omdat deze niet bekend waren. De man stelt thans ter terechtzitting dat de ziektekosten € 613,-- bedroegen, maar dit bedrag is op geen enkele wijze onderbouwd.

Tenslotte heeft de man nog gewezen op de brief van 20 september 2004 van de toenmalige advocaat van partijen, doch uit de door de man geciteerde zinsnede kan de rechtbank niet afleiden dat bij het opstellen van het convenant uitsluitend het inkomen van de man bepalend is geweest voor de behoefte van de vrouw. In die brief wordt slechts over de draagkrachtruimte gesproken, hetgeen iets anders is dan behoefte.

7. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat in de beschikking van 30 augustus 2006 is uitgegaan van volledige gegevens en dat de juiste maatstaven zijn gehanteerd.

8. De man heeft daarnaast een aantal gewijzigde omstandigheden aangevoerd die naar zijn mening tot nihilstelling van de partneralimentatie moeten leiden.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat uit het convenant blijkt dat het de bedoeling van partijen is geweest om de partneralimentatie te wijzigingen zodra de vrouw inkomsten uit arbeid zou verwerven. De omstandigheid dat de vrouw inmiddels inkomsten uit arbeid genereert is evenwel de aanleiding geweest voor de procedure die eindigde met de beschikking van 30 augustus 2006. In die situatie is geen wijziging opgetreden, zodat er in dat opzicht geen sprake is van een gewijzigde omstandigheid als bedoeld in artikel 1: 401, lid 1 BW.

9. De omstandigheid dat de gezinssituatie van de man is gewijzigd is in zijn algemeenheid na een echtscheiding niet een zo uitzonderlijke omstandigheid dat deze bij het aangaan van het beding van niet-wijziging door partijen niet onder ogen zal zijn gezien. Bijzondere omstandigheden zijn niet aangevoerd. Dat zijn huidige partner is ontslagen doet aan het voorgaande niet af. Zij moet in staat worden geacht in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Te meer, daar de man ter zitting bij monde van zijn advocaat heeft laten weten dat zijn huidige partner op zoek is naar een andere dienstbetrekking.

De man is derhalve niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van de partneralimentatie.

10. Partijen hebben voorts de rechtbank verzocht de bijdrage ten behoeve van (Kind 3) te wijzigingen. De man is van mening dat de behoefte van (Kind 3) op een bedrag van € 500,-- dient te worden gesteld. Hij is bereid € 400,-- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding. De vrouw is van mening dat de behoefte op een bedrag van

€ 505,-- dient te worden gesteld en verzoekt de bijdrage voor (Kind 3) op dat bedrag vast te stellen.

11. Gelet op de samenhang tussen de hoogte van de partneralimentatie en de kinderalimentatie, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank opnieuw dienen te beoordelen wat de draagkracht van de man is. De man wordt verzocht de navolgende bescheiden over te leggen:

• de jaaropgave over 2006 en de salarisspecificaties van de laatste drie maanden;

• bescheiden met betrekking tot de woonlasten;

• bewijsstukken van de eventuele schuld(en) en opgave van de restantschuld(en) en restantlooptijd, alsmede opgave waarvoor deze schuld(en) is (zijn) aangegaan en bewijs van aflossing van die schuld(en);

• een bewijsstuk van de premie ziektekostenverzekering alsmede opgave van de (eventuele) bijdrage van de werkgever daarin;

• bewijsstukken van eventuele andere bijzondere kosten;

• een draagkrachtberekening met alle daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorzover hiervoor nog niet vermeld;

één en ander voor zover de genoemde bescheiden nog niet bij verweerschrift zijn overgelegd.

Voorts wenst de rechtbank van de man te vernemen of zijn huidige partner inmiddels een dienstbetrekking heeft aanvaard en wat haar huidige inkomen is.

12. Partijen worden over en weer in de gelegenheid gesteld te reageren op de overgelegde bescheiden en de verstrekte inlichtingen.

De beslissing

De rechtbank:

1. Laat de man toe uiterlijk 24 oktober 2007 de hiervoor onder rechtsoverweging 11. genoemde bescheiden over te leggen en de gevraagde inlichtingen te verstrekken.

2. Stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen veertien dagen nadien op de wederpartij toegezonden bescheiden en verstrekte inlichtingen te reageren.

3. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. M.H.H.A. Moes en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007 in tegenwoordigheid van mr. G.W. Weenink, griffier.