Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB7922

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-11-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
07 / 69 WWB A1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging en terugvordering bijstand, kosten conservatoir en executoriaal beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 388

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 07 / 69 WWB A1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 16 januari 2007, verzonden op 25 januari 2007.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser ontvangt vanaf 15 juni 2005 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, aangevuld met een toeslag van 10%. Deze uitkering is bij besluit van 9 februari 2006 met ingang van 20 januari 2006 beëindigd, omdat eisers inkomen met ingang van die datum hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft verweerder eisers recht op uitkering over de periode van 15 juni 2005 tot en met 19 januari 2006 ingetrokken. Hieraan ligt ten grondslag dat uit ingesteld onderzoek is gebleken dat eiser een viertal bankrekeningen op naam had staan, waarvan er door hem maar één is gemeld aan verweerder. Op één van deze niet gemelde bankrekeningen stond per 15 juni 2005 een saldo van € 11.589,58. Dit bedrag is volgens verweerder meer dan het op dat moment voor eiser geldende vrij te laten vermogen, zijnde een bedrag van € 5.105,--. Bij dit besluit heeft verweerder tevens de als gevolg van de intrekking teveel door eiser ontvangen uitkering van hem teruggevorderd. Het gaat hierbij om een bedrag van in totaal € 5.695,47. Bij dit besluit heeft verweerder eiser tevens meegedeeld dat inmiddels op 20 april 2006 conservatoir beslag is gelegd op zijn banktegoeden en dat de ten onrechte verstrekte bijstand, evenals de kosten van beslag en de kosten van invordering door middel van executoriaal beslag zullen worden geïnd. Deze kosten bedragen volgens verweerder € 690,89 en zullen ook rechtstreeks via het executoriaal beslag worden geïnd.

Bij schrijven van 7 juni 2006 heeft eiser een bezwaarschrift bij verweerder ingediend tegen dit besluit. Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid heeft eisers gemachtigde op 19 december 2006 gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 16 januari 2007 heeft verweerder ten aanzien van het conservatoir beslag besloten dat het leggen van conservatoir beslag een publiekrechtelijke grondslag mist en derhalve geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het slechts mogelijk is om tegen een besluit bezwaar aan te tekenen, heeft verweerder eisers bezwaar op dit punt niet-ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van de inlichtingenplicht heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.

Ten aanzien van de intrekking blijft verweerder van mening dat terecht is vastgesteld dat eiser over de periode van 15 juni 2005 tot en met 19 juni 2006 (lees:19 januari 2006) in het geheel geen recht op bijstand heeft gehad. Het besluit van 1 mei 2006 om het recht op bijstand over deze periode in te trekken is volgens verweerder derhalve correct geweest.

Ten aanzien van de terugvordering is verweerder van mening dat in het besluit van 1 mei 2006 ten onrechte geen melding is gemaakt van de kosten van het executoriaal beslag ad € 81,71. Feitelijk zijn deze kosten volgens verweerder wel geïnd, hetgeen naar zijn mening overigens correct is, omdat zij behoren tot de kosten van invordering. Op basis daarvan is verweerder van mening dat het besluit van 1 mei 2006, op het vermelde bedrag na, correct is geweest en dat de rechtsgevolgen in stand dienen te blijven. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers bezwaar, onder verbetering van het bedrag ter zake van de kosten van beslag en tenuitvoerlegging, ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de kostenvergoeding in bezwaar heeft verweerder besloten dat, nu de materiële rechtsgevolgen van het besluit van 1 mei 2006 volledig in stand worden gelaten en er geen sprake is van herroeping van de bestreden beslissing wegens onrechtmatigheid zijnerzijds, hij niet gehouden is om de kosten die vanwege het maken van bezwaar zijn gemaakt te vergoeden.

Blijkens het beroepschrift van 26 januari 2007, aangevuld op 5 maart 2007, kan eiser zich niet verenigen met dit besluit.

Verweerder heeft op 5 april 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, alsmede verweer gevoerd. Desgevraagd heeft verweerder op 23 juli 2007 de rechtbank nadere schriftelijke informatie verstrekt.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 9 oktober 2007, waar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J. ten Cate.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit van 16 januari 2007 in rechte in stand kan worden gelaten.

In beroep voert eiser aan dat het bestreden besluit niet meer of minder is dan een herhaling van zetten zonder dat daarbij acht is geslagen op hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Volgens eiser wordt op geen enkele wijze gereageerd op de gronden van het bezwaar zodat het bestreden besluit een onvoldoende motivering c.q. grondslag kent. Eiser is van mening dat er geen ongegrondverklaring had kunnen volgen op hetgeen is aangevoerd, maar ook niet op basis van de inhoud van het thans bestreden besluit. De tekortkomingen die verweerder daarin zelf onderkent, hadden naar eisers mening in ieder geval dienen te leiden tot (gedeeltelijke) gegrondverklaring en niet tot een ongegrondverklaring van zijn bezwaren.

In het verlengde daarvan had dan ook een kostenvergoeding in verband met juridische bijstand in de bezwaarfase dienen plaats te hebben.

Verder is eiser van mening dat tegenover hetgeen hij als feitencomplex heeft gesteld, verweerder slechts komt met de mededeling dat hij niet zou hebben aangetoond dat hij redelijkerwijs niet over tegoeden van de op zijn naam staande bankrekening heeft kunnen beschikken. Volgens eiser heeft hij de inlichtingen aan verweerder verstrekt die hij moest verstrekken en ook heeft kunnen verstrekken. Hij kon verweerder niet inlichten over hetgeen hij niet wist. Eiser geeft verder aan dat niet hij maar verweerder het conservatoir beslag onderdeel van het bestreden besluit heeft gemaakt. Vervolgens komt verweerder in het bestreden besluit met de mededeling dat het bezwaarschrift op dat punt niet-ontvankelijk is, maar gaat verderop in het bestreden besluit weer in op het middel van executoriaal derdenbeslag, de hoogte van het inningsbedrag, de kosten van het conservatoir beslag etcetera. Als verweerder van mening is dat het primaire besluit ten onrechte overwegingen bevat ter zake van kosten in de sfeer van beslaglegging dan is het bezwaar daartegen naar eisers opvatting gegrond dan wel niet-ontvankelijk, maar in ieder geval dienen dan kosten te worden vergoed omdat op dat punt het besluit kennelijk wordt teruggenomen (alhoewel dat ook weer niet uit de overwegingen van de besluitvorming na bezwaar te begrijpen is). Evenwel, zo geeft eiser aan, komt het primaire besluit de facto erop neer dat de kosten van het conservatoir beslag wel onderdeel vormen van hetgeen geïnd c.q. teruggevorderd zou kunnen worden. Deze onnavolgbare overwegingen en onderdelen van de besluitvorming dienen volgens eiser te worden vernietigd.

Eiser geeft ten slotte aan dat hij al hetgeen hij heeft aangevoerd in de eerdere fases onverkort handhaaft en de stukken die door of namens hem zijn ingediend een onderdeel vormen van het beroep. Dat laatste is volgens eiser ook mogelijk omdat verweerder de stukken, voor wat betreft de inhoud, volledig passeert zodat de gronden van bezwaar kunnen worden verheven tot gronden van beroep.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de inlichtingenplicht

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de WWB heeft geschonden. Vast staat dat eiser een viertal bankrekeningen op naam heeft staan, waarvan hij er maar één aan verweerder heeft gemeld. Uit het bezwaarschrift van 7 juni 2006 blijkt weliswaar dat door eisers ouders was gespaard op één van de bankrekeningen zonder dat eiser hiervan wist, maar daaruit blijkt ook dat de ouders op een gegeven moment “open kaart” hebben gespeeld en uitleg aan de kinderen hebben gegeven over de herkomst van het door hun gespaarde saldo en dat zij vervolgens hebben besloten het gespaarde en beheerde geld over te dragen aan de kinderen. Bij deze overdracht is de spaarrekening omgezet in een internetspaarrekening waarbij tevens een privérekening is geopend. In het bezwaarschrift dat is ingediend door eisers vader, is voorts aangegeven dat in de fase van de aanvraag eisers vader aan eiser heeft meegedeeld dat hij geen melding aan verweerder hoefde te doen van deze rekening. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat eiser in tegenstelling tot hetgeen zijn gemachtigde hieromtrent stelt, wel degelijk kennis droeg van deze rekening(en) en dat hij desondanks bij de aanvraag om bijstand deze niet aan verweerder heeft opgegeven. Hij heeft derhalve op advies van zijn vader willens en wetens informatie voor verweerder achtergehouden die wel van belang was voor het vaststellen van het recht op bijstand. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser redelijkerwijs kunnen en moeten weten dat het hebben van een bankrekening op naam, van belang is voor het vaststellen van het recht op bijstand. In ieder geval is niet gebleken van een situatie dat eiser het niet melden van de bankrekening(en) niet zou kunnen worden aangerekend. Dat hij de consequenties van het niet opgeven van de rekeningnummers niet heeft kunnen overzien, doet hier niet aan af.

Ten aanzien van de intrekking

Gelet op het voorgaande staat vast dat eiser houder was van een (verzwegen) bankrekening bij de ABN/AMRO bank met het nummer [....], waarbij onbetwist is vastgesteld dat het saldo op deze bankrekening per 15 juni 2005 € 11.589,58 bedroeg.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (o.a. LJN: AU0245) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een betrokkene een tegoed bevat de veronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. In het rapport voor de behandeling van het bezwaarschrift is overwogen dat indien er, zoals in bezwaar wordt aangegeven, sprake is geweest van een overdracht onder voorwaarden, dat dit dan uit een schriftelijke overeenkomst, opgemaakt bij de overdracht van de bankrekening zal moeten blijken. Aangezien deze overeenkomst er niet is, in bezwaar wordt gesproken over mondelinge afspraken met een bankemployé, is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder terecht vastgesteld dat de tegoeden op de bankrekening in kwestie tot eisers vermogen behoren.

Voorts is in genoemd rapport overwogen dat in bezwaar door eisers vader is aangegeven dat zijn zoon een schuld aan hem heeft ter hoogte van € 11.589,58, zijnde hetzelfde bedrag als het bedrag op de hierboven genoemde rekening. Aan deze verklaring wordt geen gewicht toegekend. In de eerste plaats omdat eiser bij zijn aanvraag heeft aangegeven dat hij geen schulden heeft. Ten tweede omdat de vermeende schuld op geen enkele wijze wordt aangetoond. De gemeente Hengelo heeft in haar beleid vastgelegd dat een schuld aan familieleden eerst als negatief vermogensbestanddeel bij de vermogensbepaling wordt meegenomen indien dat blijkt uit een notariële akte daterende van voor de datum van de aanvraag van bijstand, terwijl tevens een bewijs dient te worden overgelegd dat er daadwerkelijk op deze schuld wordt afgelost. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser zijn stelling dat hij een schuld aan zijn vader heeft ter hoogte van het bedrag op de eerder vermelde bankrekening niet heeft onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens, zodat verweerder aan deze verklaring geen gewicht hoefde toe te kennen. Hierbij laat de rechtbank uitdrukkelijk in het midden in hoeverre verweerders beleid dat een schuld aan familie eerst kan worden aangenomen als de schuld blijkt uit een notariële akte, in rechte in stand kan blijven.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat eiser in de in geding zijnde periode de beschikking had over een vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen overschreed, als bedoeld in artikel 34, derde lid, onder a, van de WWB. Verweerder was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd eisers bijstand over de periode 15 juni 2005 tot en met 19 januari 2006 in te trekken. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Ten aanzien van het conservatoir beslag.

Op grond van de inhoud van het bezwaarschrift van 7 juni 2006 en het aanvullende bezwaarschrift van 27 juli 2006, waarnaar in beroep wordt verwezen, stelt de rechtbank vast dat eiser tevens bezwaar maakt tegen het gelegde conservatoir beslag. Eiser stelt in dit verband dat, voordat hij kennis heeft kunnen nemen van het primaire besluit van 1 mei 2006, de gemeente reeds op 20 april 2006 conservatoir beslag heeft gelegd op zijn bankrekeningen bij de ABN/AMRO bank zodat het conservatoir beslag onrechtmatig is. Eiser heeft voorgesteld het beslag op te heffen en op andere wijze zekerheid te verschaffen.

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 april 2005 (LJN: AT5295), gewezen onder het Abw-regime, kunnen de kosten van conservatoir beslag die zijn gemaakt voordat het terugvorderingsbesluit is genomen, zoals in casu ook het geval is, niet worden gerekend tot de met de tenuitvoerlegging van terugvorderingsbesluiten samenhangende kosten. Dit betekent dat het terug te vorderen bedrag niet mag worden verhoogd met de kosten van het conservatoire beslag. Deze kosten kunnen naar het oordeel van de Raad met toepassing van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) van de betrokkene worden teruggevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze uitspraak haar gelding behouden onder de WWB, zodat de kosten van het conservatoire beslag (nog steeds) niet kunnen worden gerekend tot de met de tenuitvoerlegging van terugvorderingsbesluiten samenhangende kosten. Verweerder zal conform het bepaalde in artikel 706 Rv. deze kosten van de beslagene kunnen terugvorderen tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Dit betekent dat verweerder in het primaire besluit ten onrechte de kosten van het conservatoire beslag heeft betrokken bij de terugvordering. Weliswaar heeft verweerder in het bestreden besluit het bezwaar ten aanzien van het conservatoire beslag niet-ontvankelijk verklaard, maar handhaaft verweerder inhoudelijk zijn standpunt. Dat is niet juist zodat het bestreden besluit in zoverre reeds niet in stand kan blijven.

Ten aanzien van het executoriaal beslag.

Na het terugvorderingsbesluit van 1 mei 2006 dat aan eiser betekend is, is het conservatoire beslag van 20 april 2006 executoriaal geworden. Dit betekent dat de kosten van het executoriale beslag, nu het gaat om kosten verband houdende met de tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit, in beginsel wel betrokken kunnen worden bij de hoogte van de terugvordering. Hiertoe is in artikel 58, vierde lid, van de WWB bepaald dat bij gebreke van tijdige betaling de vordering kan worden verhoogd met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.

Ook verweerder heeft in zijn beleid (gedingstuk A23) onder punt 9. terzake bepaald dat een terugvorderingsbesluit weliswaar een executoraile titel oplevert, zodat overgegaan kan worden tot beslaglegging, maar dat men eerst in de gelegenheid wordt gesteld om zelf de aflossingsverplichting na te komen. Wordt hieraan ook na aanmaning niet voldaan, dan gaat de gemeente over tot beslag op loon, uitkering of ander inkomen, aldus verweerders beleid.

De rechtbank constateert dat verweerder, nog voordat hij eiser op enigerlei wijze op de hoogte heeft gesteld van de intrekking en terugvordering van zijn uitkering, rauwelijks heeft geconfronteerd met het leggen van conservatoir beslag, dat vervolgens is omgezet in executoriaal beslag. Verweerder heeft eiser derhalve niet in de gelegenheid gesteld om zelf aan zijn betalingsverplichting te voldoen en de kosten verbonden aan het leggen van executoriaal beslag te voorkomen. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat in casu geen aanwijzingen bestonden om te vrezen voor het ‘wegsluizen’ van gelden door eiser.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 58, vierde lid, van de WWB en in strijd met het bepaalde in zijn beleid, eiser rauwelijks heeft geconfronteerd met het (conservatoire en) executoriale beslag. Verweerder kan de terugvordering derhalve niet verhogen met de in verband hiermee gemaakte kosten, zodat deze kosten voor rekening van verweerder dienen te blijven.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hierbij zal verweerder tevens een standpunt dienen in te nemen met betrekking tot het in bezwaar gedane verzoek tot vergoeding van proceskosten.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in de artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde kosten van rechtsbijstand ad € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting; gewichtsfactor: gemiddeld).

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar beslist;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 644,--, door de gemeente Hengelo te betalen aan eiser;

- verstaat dat de gemeente Hengelo aan eiser het griffierecht ad € 38,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

N.B. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Indien de rechtbank daarbij beroepsgronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en een partij daarin niet wil berusten, dan moet die partij binnen bovengenoemde termijn hoger beroep instellen tegen deze uitspraak.

Aldus gegeven door mr. A.M.S. Kuipers, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2007

Afschrift verzonden op

CK