Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB7481

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
09-11-2007
Zaaknummer
245459
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het vonnis heeft betrekking op een koop van een oldtimer. De kantonrechter komt tot de conclusie dat het een overeenkomst onder opschortende voorwaarde is. Daaraan doet niet af dat de koper, voordat werd proefgereden, € 2000,00 aan de verkoper had betaald. De voorwaarde zat in de later plaatsgevonden proefrit. De koper was over de proefrit niet tevreden en hij stelde zich op het standpunt dat geen koopovereenkomst tot stand was gekomen, althans hij annuleerde de koop. Koper wil restiutie van de € 2.000,00 Vordering koper wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Kanton

Locatie

Zaaknummer : 245459 CV EXPL 3802/07

Uitspraak : 30 oktober 2007 (mvr)

Vonnis in de zaak van:

…..

wonende te Putten

eisende partij, hierna ook wel “eiser” te noemen

gemachtigde: Vanhommerig & Vanhommerig, gerechtsdeurwaarders te Enschede

tegen

……..

wonende te Enschede

gedaagde partij, hierna ook wel “gedaagde” te noemen

gemachtigde: mr. F. Kolkman, advocaat en procureur te Wierden

1. procedure

Deze blijkt uit de navolgende stukken:

- de dagvaarding van 26 april 2007

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. feiten

2.1 Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en/of blijkend uit de in het geding gebrachte producties staat tussen hen in deze procedure het navolgende vast.

2.2 Gedaagde heeft via de internetpagina van “Marktplaats.nl” een zogenaamde oldtimer automobiel te koop aangeboden van het merk Mercedes Benz, type 220S ponton, bouwjaar 1958.

2.3 Eiser heeft belangstelling getoond, de auto bekeken en is met gedaagde in onderhandeling getreden. Op de dag dat eiser de auto bekeek waren de weersomstandigheden van dien aard dat partijen afspraken de proefrit op een mooie dag in maart te maken.

2.4 Aansluitend aan het bezoek waarbij de auto bekeken werd, zond eiser op 15 februari 2007 een e-mailbericht naar gedaagde met de navolgende inhoud:

“(…) hi …, we gaan dus verder. Koopprijs 20/m onder voorbehoud van een goede proefrit en stalling t/m eind april (dan krijg ik stallingsruimte opgeleverd. Morgen zal ik 2/m overmaken als cautie en dan maken we op een mooie dag in maart de proefrit. “slaagt” de wagen, dan betaal ik meteen de rest, schrijven we hem over en verzeker ik hem. Zo was het wel ongeveer afgesproken, nietwaar ? mail mij even je rekeningnummer voor de overboeking. (…)”.

2.5 Op 16 februari 2007 heeft eiser een bedrag van € 2.000,00 overgemaakt naar een bankrekeningnummer op naam van gedaagde.

2.6 In maart 2007 heeft eiser de proefrit gemaakt. Na terugkeer deelde eiser direct aan gedaagde mee dat de auto niet aan zijn verwachtingen voldeed.

2.7 Eiser stelde zich in een brief van 19 maart 2007 gericht aan gedaagde op het standpunt dat daarmee geen koopovereenkomst tot stand was gekomen c.q. annuleerde de koop. Hij verzocht gedaagde het betaalde bedrag van € 2.000,-- te restitueren.

2.8 Gedaagde heeft dit, ook na aanmaning en herhaalde sommaties, geweigerd

3. geschil

de vordering

3.1 Eiser vordert thans dat gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.000,-- in hoofdsom te vermeerderen met € 357,-- (inclusief BTW) wegens buitengerechtelijke incassokosten en € 11,84 wegens verschenen rente van 19 maart 2007 tot 24 april 2007. Daarnaast vordert hij de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding.

3.2 Eiser baseert zijn vorderingen op de vaststaande feiten en voor zover hier van belang de navolgende, zakelijk weergegeven, stellingen.

3.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen onder de ontbindende voorwaarde van een geslaagde proefrit. Het bedrag van

€ 2.000,-- heeft hij uit eigen beweging betaald om aan gedaagde te tonen dat zijn belangstelling voor de auto serieus was. Deze betaling kan niet worden gezien als “handgeld” in de betekenis die gedaagde daaraan geeft.

3.4 Tijdens de proefrit bleek eiser dat de rijeigenschappen van de auto niet voldeden aan het beeld dat hij daarvan, mede op basis van mededelingen van gedaagde, had gekregen. Volgens eiser reed de auto bij alle snelheden schokkerig, sloeg de motor vaak af en was de motor zonder gebruik van de choke “niet aan de praat te houden”. Daarnaast vond hij de auto, vooral bij hogere snelheden erg luidruchtig. Dat woog voor eiser zwaar, omdat hij de auto vrijwel dagelijks wilde gebruiken en daarbij regelmatig grotere afstanden over de snelweg zou moeten rijden. eiser stelt dat hij gedaagde vooraf heeft geïnformeerd over het voorgenomen gebruik. Gedaagde had daarop meegedeeld dat de auto met gemak 160 km/u kon halen, zodat met een kruissnelheid van 120 km/u comfortabel te rijden zou zijn. Tijdens de proefrit bleek dat de werkelijkheid anders was. In dat opzicht was er volgens eiser ook sprake van non-conformiteit. Met de mededeling van eiser, gedaan na de proefrit, inhoudende dat de auto niet aan zijn verwachtingen voldeed, trad de ontbindende voorwaarde in werking en is de koopovereenkomst ontbonden. Hierdoor werden partijen van hun verbintenissen bevrijd en ontstond, voor zover verbintenissen al waren nagekomen, de verplichting om hetgeen reeds was gepresteerd ongedaan te maken. Gedaagde dient uit dien hoofde de betaalde € 2.000,-- terug te betalen.

3.5 Eiser stelt daarnaast dat gedaagde hem dat na de proefrit ook heeft toegezegd. Subsidiair baseert eiser zijn vordering op dit door hem geaccepteerde aanbod van gedaagde.

3.6 Tijdens de proefrit en bij laatstbedoelde toezegging was een kennis van eiser, genaamd …, aanwezig. Eiser biedt getuigenbewijs aan.

3.7 De wettelijke rente is volgens eiser aangezegd en verschuldigd vanaf 19 maart 2007, zijnde de datum van verzuim. De gevorderde buitengerechtelijke kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Eiser wijst erop dat in deze zaak HBO- of academisch geschoolde medewerkers nodig zijn om door de juridische verweren heen te kunnen prikken. Afgezet tegen een uurtarief van € 100,00 is het gevorderde bedrag niet buitensporig.

het verweer

3.8 Gedaagde concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij stelt daartoe, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, dat hij de betaling van eiser heeft opgevat en ook mocht opvatten als een betaling van handgeld als zekerheid dat uitvoering zou worden gegeven aan de tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst. De koper verliest het handgeld indien hij zijn verbintenissen uit de koopovereenkomst niet nakomt, tenzij het niet nakomen aan de verkoper te wijten zou zijn. Dat laatste is volgens gedaagde niet het geval. Het chassis, de carrosserie en de motor van de auto waren in een goede staat van onderhoud. Hij overlegt daartoe een taxatierapport van 22 juli 2005 waaruit dat kan blijken en stelt voorts dat de auto APK-gekeurd was. Hij betwist dat de auto tijdens de proefrit de door eiser geschetste gebreken vertoonde. Ook betwist hij dat sprake zou zijn van non-conformiteit. De auto zou uitstekend geschikt zijn om proefritten mee te rijden, maar uiteraard niet om mee te racen. Dat mocht eiser, als kenner van oldtimers, ook niet verwachten. Het was gedaagde bovendien ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bekend dat eiser de auto vooral wilde gaan gebruiken voor langere snelwegritten. Gedaagde stelt ook nog dat het op de weg van eiser lag om voorafgaand aan de koop de auto te inspecteren.

3.9 Er is volgens gedaagde sprake van een eenzijdige afbreking van de overeenkomst door eiser, zonder enige objectieve redelijke grond. Ten onrechte vordert hij daarom teruggave van het handgeld.

3.10 Gedaagde betwist daarnaast separaat de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Hij stelt dat de incassowerkzaamheden enkel hebben bestaan uit het versturen van een tweetal sommatiebrieven en dat de gevorderde incassokosten ook niet nader zijn gespecificeerd.

4. beoordeling

4.1 Partijen verschillen van mening over de vraag hoe het betaalde bedrag van € 2.000,-- juridisch moet worden geduid. In het verlengde daarvan verschillen zij ook van mening over de exacte juridische kwalificatie van de tussen hen gemaakte afspraken.

4.2 Bij de beoordeling van deze geschilpunten dient de tekst van het e-mail-bericht van

15 februari 2007 als uitgangspunt. Uit de omstandigheid dat gedaagde in reactie op dit

e-mailbericht zijn bankrekeningnummer heeft doorgegeven, waarop eiser vervolgens

€ 2.000,-- heeft overgemaakt, zonder dat gedaagde enige opmerking heeft gemaakt over de inhoud van het e-mailbericht, mag worden afgeleid dat gedaagde instemde met de weergave van de afspraken zoals eiser die in dat bericht had geformuleerd.

4.3 Bij de interpretatie van de tekst van het e-mailbericht komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het daarin bepaalde mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Toepassing van deze uitgangspunten brengen de kantonrechter tot de volgende overwegingen.

4.4 Op basis van de stellingen van partijen en de bewoordingen van het e-mailbericht komt de kantonrechter tot de conclusie dat partijen, na het aanbod van gedaagde via Marktplaats.nl en na het bezichtigen van de auto, de onderhandelingen hebben geopend. Daarbij is ten aanzien van de auto in kwestie overeenstemming bereikt over de koopprijs en het afleveringsmoment, waarmee de koopovereenkomst tot stand is gekomen, met dien verstande dat de werking van de hieruit voortvloeiende verbintenis tot (volledige) betaling werd opgeschort totdat een geslaagde proefrit zou zijn gemaakt en de verbintenis tot aflevering totdat eiser zou beschikken over stallingsruimte, maar uiterlijk eind april 2007. De laatstgenoemde voorwaarde is voor de beoordeling van deze zaak verder niet van belang en kan buiten beschouwing blijven.

4.5 De aldus tussen partijen gesloten overeenkomst moet gekwalificeerd worden als een koopovereenkomst onder de opschortende voorwaarde van een geslaagde proefrit. Het kenmerk van een dergelijke koopovereenkomst is dat het onzeker is of deze ooit werking zal krijgen. Dat is immers afhankelijk van de opschortende voorwaarde in het onderhavige geval omvattende de door eiser bedongen voorwaarde dat de proefrit zou slagen.

4.6 Hieruit volgt al dat de door gedaagde gegeven uitleg van de betaalde 2000 euro niet juist kan zijn. Diens uitleg, inhoudende dat de betaling diende als zekerheid dat door eiser uitvoering zou worden gegeven aan de koopovereenkomst en dat eiser dit bedrag kwijt zou zijn bij het uitblijven daarvan, verdraagt zich immers niet met de overeengekomen opschortende voorwaarde op grond waarvan onzeker bleef of de overeenkomst ooit werking zou verkrijgen.

4.7 Hieruit volgt tevens dat de discussie tussen partijen over de vraag of er sprake was van non-conformiteit in het midden kan blijven. Non-conformiteit wordt immers pas van belang vanaf het moment dat de zaak geleverd is. Zover is het in dit geval niet gekomen.

4.8 De kantonrechter overweegt voorts dat de betaling van € 2.000,-- naar zijn oordeel moet worden gezien als een aanbetaling op de overeengekomen koopprijs. Dat volgt met name uit het e-mailbericht waarin gesproken wordt over het overmaken van € 2.000,-- als “cautie” en “betaling van de rest” van de koopprijs na de geslaagde proefrit. Deze aanbetaling moet worden gezien als teken van eiser dat hij serieuze bedoelingen had en ook om gedaagde ervan te overtuigen dat eiser niet lichtvaardig en zonder geldige reden zou afzien van de koop, behoudens uiteraard de uitkomsten van de bedongen proefrit. In de gegeven omstandigheden was voor een zodanige zekerheidstelling ook wel aanleiding omdat de verkoop onder opschortende voorwaarde met zich mee bracht dat gedaagde in de tussentijd niet aan derden kon verkopen.

4.9 De volgende vraag is in hoeverre eiser nog vrij was om naar aanleiding van zijn bevindingen tijdens de proefrit de koop te annuleren. De kantonrechter is van oordeel dat eiser contractueel gehouden was met de auto een proefrit te maken, maar dat hij verder vrij was zijn subjectieve gevoelens te volgen. Indien immers de weersomstandigheden in februari 2007 niet zo slecht waren geweest, dan had hij toen die proefrit kunnen maken en ook dan zou hij volledig vrij zijn geweest in zijn beslissing om al dan niet tot koop over te gaan. Uit niets is gebleken dat partijen beoogd hebben die vrijheid op enigerlei wijze te beperken. Op basis van de beschikbare gegevens moet het er voor worden gehouden dat partijen alleen de gebruikelijke volgorde van eerst een proefrit en daarna de aankoopbeslissing vanwege de weersomstandigheden hebben omgedraaid en die afspraak vervolgens gegoten hebben in de vorm van een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde.

4.10 Omdat eiser de volle vrijheid bezat op basis van zijn subjectieve inzichten de proefrit als niet geslaagd te beschouwen en op die grond de koop te annuleren, is niet van belang dat de auto APK-gekeurd was en volgens het taxatierapport van juli 2005 in een bijzonder goede staat verkeerde. Deze omstandigheden staan er immers niet aan in de weg dat eiser naar aanleiding van de proefrit van mening kon zijn dat de auto niet fijn liep en naar zijn zin te veel lawaai maakte vooral bij hogere snelheden. Dat zijn natuurlijk subjectieve oordelen, maar die zijn bij het maken van een proefrit evenzeer van belang als de meer objectiveerbare gegevens zoals de (technische) staat van onderhoud. De opmerking van gedaagde dat eiser de auto voorafgaand aan de koop had dienen te inspecteren en keuren, snijdt geen hout. Een proefrit is immers een vorm van inspectie en keuring en kan, indien op grond daarvan bij de kandidaat-koper twijfels opkomen, aanleiding zijn voor nader technisch onderzoek of zelfs reden zijn om niet tot aankoop over te gaan.

4.11 Uiteraard is het wel zo dat eiser zich, ondanks zijn ruime subjectieve (keuze)vrijheid, diende te gedragen conform de eisen die gesteld kunnen worden aan een redelijk en billijk handelend koper. Zo zal hij bijvoorbeeld geen drogredenen mogen opgeven om van de koop af te zien. Het is dan echter aan gedaagde om feiten en omstandigheden te stellen (en bij betwisting te bewijzen) waaruit zou kunnen blijken dat eiser in strijd heeft gehandeld met deze eisen van redelijkheid en billijkheid. Nu zouden de stellingen van gedaagde zo uitgelegd kunnen worden dat deze mede inhouden dat eiser de auto heeft afgetest op grond van meegedeelde bevindingen waarvan in werkelijkheid geen sprake was. Gedaagde heeft op dit punt echter geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan, hetgeen op zichzelf wel begrijpelijk is nu kennelijk behoudens eiser en diens kennis …. geen anderen tijdens de proefrit in de auto hebben gezeten.

4.12 De slotsom van het vorenstaande moet dan ook zijn dat de koopovereenkomst geen werking heeft gekregen en nimmer zal krijgen omdat de opschortende voorwaarde ertoe heeft geleid dat eiser de koop heeft geannuleerd. Hij heeft dat op 19 maart 2007 schriftelijk aan gedaagde bevestigd (produktie 2 bij conclusie van eis). Een dergelijke annulering dient te worden beschouwd als een buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst (onder opschortende voorwaarde). Ontbinding verplicht partijen tot ongedaanmaking van reeds nagekomen verbintenissen uit die ontbonden overeenkomst. Gedaagde dient uit dien hoofde het door eiser betaalde deel van de koopsom ten bedrage van € 2.000,-- te restitueren.

4.13 De vordering zal in hoofdsom dan ook worden toegewezen. Dat geldt ook voor de (verschenen) wettelijke rente, nu daartegen door gedaagde geen verweer is gevoerd met dien verstande dat de ingangsdatum 24 maart 2007 moet zijn. In zijn brief van 19 maart 2007, waarbij gedaagde in gebreke werd gesteld, gunde eiser gedaagde nog een betalingstermijn van 5 dagen, zodat gedaagde geacht kan worden vanaf 24 maart 2007 in verzuim te zijn.

4.14 De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Ook het rapport Voorwerk II gaat ervan uit dat vergoeding van deze kosten pas aan de orde is wanneer vast staat dat dergelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en op zichzelf ook redelijk zijn. De stelling van gedaagde dat de buitengerechtelijke werkzaamheden niet meer hebben omvat dat een tweetal sommatiebrieven heeft eiser onvoldoende weersproken. In het bijzonder ontbreekt een gespecificeerd overzicht en/of zijn afschriften van correspondentie in het geding gebracht waaruit kan blijken van substantiële en voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke invorderingswerkzaamheden. Wat eiser op dit punt nog heeft aangevoerd over de kosten van medewerkers van een professionele incasso-organisatie leidt niet tot een ander oordeel, omdat de proceskostenveroordeling immers ook voorziet in een vergoeding voor kosten gemaakt door een professionele gemachtigde tijdens het juridische debat. Kosten ter voorbereiding van de procedure, waaronder de kosten van een eenvoudige (herhaalde) sommatie, worden geacht mede te worden bestreden uit deze proceskostenveroordeling.

4.15 Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. beslissing

5.1 Veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een bedrag van € 2.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 maart 2007 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.2 Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van eiser begroot op € 290,31 wegens verschotten en € 300,-- wegens het salaris van zijn gemachtigde.

5.3 Verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4 Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. M. Melaard, kantonrechter, en op 30 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.