Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB6935

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
07/1003 WW44 AQ1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwplan Haerbroek gemeente Oldenzaal; bouwvergunning 51 woningen. Geplande woningen te dicht bij perceel met bestemming "bedrijf" en onvolledig akoestisch onderzoek. Onder deze omstandigheden is de bouwvergunning onbevoegdelijk verstrekt. Bovendien onduidelijk van welk bestemmingsplan vrijstelling is verleend. Vernietiging vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 07/1003 WW44 AQ1 V, 07/927 WW44 AQ1 A, 07/1012 WW44 AQ1 V en 07/ 967 WW44 AQ1 A

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

1. [eiser 1],

wonende te Oldenzaal,

gemachtigde: H.A.M. Plegt, adviseur te Langeveen,

2. [eiser 2],

wonende te Oldenzaal,

verzoekers,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oldenzaal, verweerder,

Derdebelanghebbende: Groothuis Woningbouw B.V., vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. H.J.P. Robers, advocaat te Hengelo.

1. Besluit waarop de verzoeken betrekking hebben

Besluit van verweerder d.d. 17 juli 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2007 heeft verweerder met toepassing van een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) aan Groothuis Woningbouw B.V. (vergunninghoudster) een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van 51 woningen met garage op de percelen aan de Haerbroekstraat en Scholtenhaer te Oldenzaal.

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft verweerder de tegen dit besluit ingediende bezwaren overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie ongegrond verklaard en het besluit van 5 april 2007 gehandhaafd.

Bij beroepschriften van 17 respectievelijk 27 augustus 2007 is namens verzoekers tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Deze beroepen zijn geregistreerd onder de nummers 07/927 en 07/967. Bij verzoekschriften van 6 september 2007 is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van de verleende bouwvergunning.

Verweerder heeft op 18 september 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht, evenals een verweerschrift.

De verzoeken zijn behandeld ter openbare zitting van 4 oktober 2007, alwaar [eiser 2] in persoon en [eiser 1] bij hun gemachtigde zijn verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door B.H.M. Ankoné, ambtenaar van de gemeente Oldenzaal. Namens vergunninghoudster is het woord gevoerd door de gemachtigde, voornoemd.

Bij beslissing van 4 oktober 2007 (verzonden op 5 oktober 2007) heeft de voorzieningenrechter het onderzoek geschorst en vier vragen aan verweerder voorgelegd.

Bij brief van 11 oktober 2007 heeft verweerder de vragen beantwoord.

De behandeling van de verzoeken om voorlopige voorziening is voortgezet op 22 oktober 2007, alwaar [eiser 2] niet is verschenen. [Eiser 1] zijn bij hun gemachtigde verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door B.H.M. Ankoné, ambtenaar van de gemeente Oldenzaal. Namens vergunninghoudster is het woord gevoerd door de gemachtigde, voornoemd.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel, dat nader onderzoek geen relevante bijdrage meer kan leveren voor de oordeelsvorming. Derhalve zal tevens worden beslist op de door verzoekers ingestelde beroepen.

Op de onderhavige percelen rustte ingevolge het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in onderdelen Oldenzaal 1964” de bestemming “Handel en nijverheid I, II en III”.

Het bouwplan is in strijd met artikel 10 van de voorschriften van dit bestemmingsplan, omdat op de als zodanig bestemde gronden uitsluitend mogen worden gebouwd niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken ten behoeve van handel, zijnde geen detailhandel, nijverheid (industrie en ambacht) en diensten.

Verder is van belang dat het bouwplan is gelegen in het nieuwe bestemmingsplan “Meijbree-Haerbroek”, zoals dat op 26 januari 2006 door de gemeenteraad is vastgesteld. Bij besluit van 21 februari 2007 hebben gedeputeerde staten meegedeeld dat dit bestemmingsplan van rechtswege is goedgekeurd.

Het bestemmingsplan en dit besluit hebben met ingang van 14 maart 2007 gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegen. Op de onderhavige percelen rust ingevolge dit bestemmingsplan de bestemming “Bedrijf” en deze gronden zijn ten dele bestemd voor bedrijven in de bestemmingscategorieën “Aannemersbedrijf” en “Groothandel in dranken”. Het bouwplan is ook in strijd met deze bestemming “Bedrijf”.

Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

De voorzieningenrechter heeft zich in de eerste plaats gebogen over de vraag of verweerder bevoegd is om de in artikel 19, tweede lid, WRO neergelegde vrijstelling aan te wenden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder op 4 april 2007 vrijstelling heeft verleend van “het bepaalde in artikel 10 van de voorschriften behorende bij het “Uitbreidingsplan in onderdelen, Oldenzaal 1964” juncto het bepaalde in artikel 7 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Meijbree – Haerbroek”. In het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met het ongegrond verklaren van de tegen dit besluit gerichte bezwaren.

Voor zover verweerder vrijstelling heeft verleend van het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in onderdelen, Oldenzaal 1964” was verweerder ten tijde van het bestreden daartoe niet (meer) bevoegd, nu het bestemmingsplan “Meibree – Haerbroek” inmiddels in werking was getreden. Het besluit tot het verlenen van vrijstelling komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Verder is van belang de beantwoording van de volgende vraag die de rechtbank bij haar beslissing van 4 oktober 2007 aan verweerder heeft voorgelegd: “Op het perceel Haerbroekstraat 33 rust een bedrijvenbestemming. Het huidige aldaar gevestigde bedrijf is niet milieuvergunningplichtig. Onduidelijk is of bij de vestiging van een ander bedrijf op deze locatie problemen zullen ontstaan ten gevolge van de in de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG opgenomen afstanden van dit bedrijf tot de woonomgeving en of de nieuwvestiging een reële mogelijkheid is of een fictieve situatie in verband met de (zonerings-)eisen die de milieuwetgeving stelt.”

Verweerder stelt zich in zijn reactie van 11 oktober 2007, kort gezegd, op het standpunt dat in geval van de vestiging van een nieuw bedrijf op de genoemde locatie in het kader van de toepassing van de milieuwetgeving naar de specifieke omstandigheden zal worden gekeken, los van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Verweerder verwijst naar artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, op basis waarvan rekening kan worden gehouden met de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, die van belang kunnen zijn met het oog op de bescherming van het milieu. Aangezien naast het thans gevestigde bedrijf een particuliere woning, te weten Haerbroekstraat 35, aanwezig is binnen de ingevolge de VNG-brochure vereiste afstand van 30 m (namelijk op 10,04 m) zal een bedrijf in milieucategorie 2 op grond van de relevante milieuwetgeving volgens verweerder niet zonder meer mogelijk zijn.

Aangezien de afstand van het bedrijf tot de door vergunninghoudster geplande woningen groter is, namelijk circa 10,50 m, is de woning Haerbroekstraat 35 volgens verweerder de beperkende factor voor de mogelijkheden op het perceel Haerbroekstraat 33.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op het perceel Haerbroekstraat 33 op basis van het bestemmingsplan “Meijbree-Haerbroek” de bestemming “Bedrijf” rust. In artikel 7.1 onder a, van de voorschriften van dit bestemmingsplan is bepaald dat deze gronden bestemd zijn voor een bedrijf als vermeld in bijlage 2, behorend bij de voorschriften van het bestemmingsplan. Deze bijlage betreft de “Staat van bedrijfsactiviteiten (categorie 1 en 2)” waarin een aantal bedrijven wordt genoemd dat behoort tot de in de VNG-brochure genoemde milieucategorieën 1 en 2.

In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, stof, gevaar en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die de brochure aanbeveelt gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een woning anderzijds.

Voor categorie 2 bedrijven wordt in de brochure een afstand van 30 meter aanbevolen. Verweerder gaat in dit verband terecht uit van een richtafstand voor milieucategorie 1 van 10 m en voor categorie 2 van 30 m.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat zich op het perceel Haerbroekstraat 33 een bedrijf zou kunnen vestigen dat valt onder milieucategorie 2 van de VNG-brochure.

Ter zitting is aan de hand van een situatietekening (bijlage F bij verweerders reactie van

11 oktober 2007) komen vast te staan dat de afstand van de dichtstbijzijnde gevel van de vergunde woningen tot de grens van het plandeel met de bestemming “Bedrijf” ongeveer 3 m bedraagt en niet, zoals verweerder stelt, 10,50 m. Dit leidt eveneens tot de conclusie dat het feitelijk onjuist is dat, zoals verweerder stelt, de woning Haerbroekstraat 35 dichterbij de bestemming “Bedrijf” is gelegen dan de geplande woningen.

Daarnaast gaat verweerder er tevens ten onrechte van uit dat deze afstand wordt gemeten vanaf het bouwvlak van de op het perceel Haerbroekstraat 33 rustende bestemming “Bedrijf” tot de geplande woningen. De bedrijfsactviteiten kunnen immers ook buiten het bouwvlak c.q. (mogelijke) bedrijfsgebouwen worden ontplooid en aldus tot geur, stof, gevaar en geluid voor de geplande woningen aanleiding geven. De grens van het plandeel met de bestemming “Bedrijf” is derhalve bepalend. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder aan het bestreden besluit een feitelijk onjuiste situatie ten grondslag heeft gelegd en bovendien, zonder nadere motivering, in zeer aanzienlijke mate van de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden afwijkt.

Het standpunt van verweerder dat deze afwijking toelaatbaar is omdat bij de nieuwvestiging van een bedrijf op het perceel Haerbroekstraat 33 rekening kan worden gehouden met de milieuaspecten via het zogenaamde milieuspoor, namelijk bij het op basis van de Wet milieubeheer verlenen van de milieuvergunning of reageren op een melding, overtuigt de rechtbank derhalve niet. Bovendien dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter het bestemmingsplan het kader te vormen voor de beoordeling van de vraag of nieuwe bedrijven in de directe nabijheid van de geplande woningen na afweging van alle belangen uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn. Het bestreden besluit ontbeert in die zin een deugdelijke motivering.

De voorzieningenrechter acht verder het volgende van belang. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing verwijst verweerder naar het akoestisch onderzoek d.d. 20 februari 2004 dat in het kader van het bestemmingsplan “Meijbree-Haerbroek” is uitgevoerd.

De voorzieningenrechter stelde ter zitting van 4 oktober 2007 vast dat de Bentheimerstraat niet in dit akoestisch onderzoek is meegenomen en heeft na de schorsing van het onderzoek de vraag aan verweerder voorgelegd waarom niet.

Verweerder heeft deze vraag beantwoord door er op te wijzen dat er ten tijde van dit akoestisch onderzoek reeds plannen waren om de Bentheimerstraat als 30 km/zone in te richten. In 1999 heeft de gemeenteraad namelijk hiertoe besloten. Bij de uitvoering van het akoestisch onderzoek is daarmee dan ook al rekening gehouden. De feitelijke uitvoering laat echter nog op zich wachten. Thans is volgens verweerder nog geen tijdstip van realisering van de 30 km/zone op korte termijn bekend.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag bij het opstellen van een akoestisch onderzoek in beginsel van een 30 km-regime worden uitgegaan als er een raadsbesluit van die strekking is genomen, ook al is de 30 km/zone nog niet gerealiseerd. Met verzoekers stelt de voorzieningenrechter echter vervolgens vast dat de 30 km/zone, ondanks het in 1999 genomen raadsbesluit, nog steeds niet is gerealiseerd. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder, gelet op het tijdsverloop, in redelijkheid niet de Bentheimerstraat in het akoestisch onderzoek buiten beschouwing heeft kunnen laten.

Voorts blijkt uit het in opdracht van verweerder opgestelde nader akoestisch onderzoek

d.d. 9 oktober 2007 dat tot uitgangspunt is genomen dat op de Bentheimerstraat een maximaal toegestane snelheid van 50 km/uur geldt en dat op deze straat dicht asfaltbeton als wegverharding ligt. Uit het onderzoek blijkt evenwel niet dat, zoals verweerder stelt, bij dit nader onderzoek tevens rekening is gehouden met het feit dat de Bentheimerstraat op circa 60 m afstand van het projectgebied uit klinkerverharding bestaat. Nu dit feit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onmiskenbaar akoestische gevolgen zal hebben, ontbeert het bestreden besluit de vereiste zorgvuldigheid.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de algemene toepassingsvoorwaarden, zoals deze door gedeputeerde staten in de Handreiking worden gesteld. Ingevolge deze toepassingsvoorwaarden mag immers alleen gebruik worden gemaakt van de in de provinciale vrijstellingenlijst genoemde mogelijkheden indien het project, voor zover hier van belang, in overeenstemming is met relevante jurisprudentie en met (inter)nationale en provinciale wet- en regelgeving onder meer op het gebied van water(toets), archeologie, milieu (onder andere natuur en ecologie, geluid, bodem en luchtkwaliteit) en externe veiligheid. Uit hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen blijkt dat verweerder niet aan deze algemene voorwaarde heeft voldaan en tevens in strijd heeft gehandeld met de algemene voorwaarde dat het project geen onevenredige afbreuk doet aan of onevenredige hinder/beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabij gelegen functies of bestemmingen.

Gelet hierop was verweerder niet bevoegd de vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. Het bestreden besluit is derhalve onbevoegd genomen en kan in rechte niet in stand blijven.

Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de zaken niet meer toekomt.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van deze beroepen, als hierna vermeld.

Vanwege de beslissingen op de beroepen in de hoofdzaak wordt niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, zodat de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

I Op de beroepen in de hoofdzaken:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het bestreden besluit d.d. 17 juli 2007;

- veroordeelt verweerder in de door [eiser 1] gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 966,00, door de gemeente Oldenzaal te betalen aan [eiser 1];

- veroordeelt verweerder in de door [eiser 2] gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op de reiskosten ad € 7,90, door de gemeente Oldenzaal te betalen aan [eiser 2];

- verstaat dat de gemeente Oldenzaal aan [eiser 1] e.a. het griffierecht ad € 143,00 en aan [eiser 2] het griffierecht ad € 143,00 vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

II Op de verzoeken om voorlopige voorziening:

- verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk.

- verstaat dat de gemeente Oldenzaal aan [eiser 1] e.a. het griffierecht ad € 143,00 en aan [eiser 2] het griffierecht ad € 143,00 vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gegeven door mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2007.

De griffier is buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden op 26 oktober 2007

AB