Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB6390

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
06/1363
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Projektontwikkelaar die vanwege een met de eigenaren gesloten koopovereenkomst potentieel koper van een perceel is, heeft slechts een afgeleid belang bij het nadien op dat perceel gevestigde voorkeursrecht o.g.v. art. 8a Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg).

De omstandigheid dat eisers al dan niet een beroep kunnen doen op de uitzonderingsbepaling(en) van artikel 10, derde en vierde lid, van de Wvg doen niet af aan de bevoegdheid van de gemeenteraad tot het vestigen van een voorkeursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 1363 GEMWT AQ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

Dhr. en mevr. X,

beide wonende te Wierden,

en

Projectontwikkeling Y BV,

gevestigd te Nijverdal, eisers,

gemachtigde: mr. E.W. Roessingh, werkzaam bij Robers Advocaten te Hengelo,

en

De Raad van de gemeente Wierden, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Snel, werkzaam bij Trip advocaten te Groningen.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 26 september 2006.

2. Procesverloop

In zijn vergadering van 10 februari 2005 heeft het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) van de gemeente Wierden besloten met toepassing van artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) aan verweerder een voorstel te doen het voorkeursrecht te vestigen voor het gebied globaal gelegen tussen de Hexelseweg, de Vlierdijk, de Eerste Lageveldseweg en de West Kluinveenweg te Wierden, overeenkomstig de bij het voorstel gevoegde bijlagen. Dit voorstel is bij een op 12 januari 2006 verzonden schrijven van

11 januari 2006 aan de belanghebbenden bekend gemaakt en tevens gepubliceerd in de Staatscourant op 11 januari 2006 en gepubliceerd in het weekblad de Driehoek van

18 januari 2006.

Tegen dit besluit van B&W zijn op 7 februari 2006 namens eisers bezwaren kenbaar gemaakt, voor zover daarbij het voorstel is gedaan tot vestiging van een voorkeursrecht op de percelen van eisers.

In zijn vergadering van 28 februari 2006 heeft verweerder besloten het voorstel van B&W over te nemen en het gebied, zoals vermeld op de bij het voorstel behorende kadastrale lijst, aan te wijzen als gronden waarop het voorkeursrecht ingevolge de Wvg van toepassing is.

Op 31 mei 2006 heeft een hoorzitting van de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Wierden (hierna: de commissie) plaatsgevonden. De commissie heeft op 4 juli 2006 advies uitgebracht.

In zijn vergadering van 26 september 2006 heeft verweerder overeenkomstig het voorstel van B&W van 8 augustus 2006 het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.

Het besluit is bij schrijven van 16 oktober 2006 bekendgemaakt.

Tegen het besluit hebben eisers bij een op 23 november 2006 ontvangen schrijven van

17 november 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft bij faxbericht van 20 december 2006 een verweerschrift ingediend en bij een op 27 december 2006 ontvangen schrijven van 19 december 2006 de op het geding betrekking hebbende stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, waar eisers zijn verschenen bij dhr. X en W. Schurink, laatstgenoemde namens Projectontwikkeling Y BV, bijgestaan door mr. E.W. Roessingh, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door H. Wilting, bijgestaan door mr. R. Snel.

3. Overwegingen

Het beroep van eisers richt zich tegen het feit dat verweerder, ondanks het feit dat tussen de heer en mevrouw X enerzijds en Projectontwikkeling Y BV anderzijds, bij notariële akte van 14 oktober 1997 een koop/verkoopovereenkomst is aangegaan voor het destijds aan dhr. X eb mw. B toebehorende perceel grond gelegen aan de Lage Eggeweg te Wierden, kadastraal bekend gemeente Wierden, sectie N, nummer 1797, met toepassing van artikel 8a van de Wvg een voorkeursrecht heeft gevestigd op genoemd perceel.

Vooreerst ziet de rechtbank zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of verweerder terecht Projectontwikkeling Y BV in haar bezwaar heeft ontvangen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Projectontwikkeling Nijverdal BV heeft op 14 oktober 1997 een overeenkomst tot koop van een deel van het onderhavige perceel gesloten met de eigenaren, de heer en mevrouw X. Het na bezwaar gehandhaafde besluit, heeft gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, juncto artikel 1 aanhef en onder a en b van de Wvg, voor de eigenaren/rechthebbenden tot gevolg dat zij worden beperkt in de mogelijkheid van vervreemding van hun perceel. Het belang van Projectontwikkeling Y BV, die als potentiële koper haar aankoopmogelijkheden geringer ziet worden, is een hiervan afgeleid belang. Verweerder heeft het bezwaar van Projectontwikkeling Y BV derhalve ten onrechte ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd voor zover verweerder het bezwaar van Projectontwikkeling Y BV ontvankelijk heeft verklaard. Doende hetgeen verweerder zou behoren te doen zal de rechtbank het bezwaar van Projectontwikkeling Y BV alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van het inhoudelijke beroep van de overige eisers overweegt de rechtbank als volgt.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat is voldaan aan de grond voor vrijstelling van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de Wvg en stellen zich op het standpunt dat verweerder niet de bevoegdheid toekomt besluiten te nemen, die niet gelden of niet kunnen gelden.

Daarnaast voeren eisers aan dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) handelt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitzonderingen geformuleerd het tweede lid van artikel 10 Wvg niet afdoet aan de bevoegdheid van zowel het college van B&W als verweerder om een voorkeursrecht te vestigen.

Dienaangaande stelt de rechtbank vooreerst vast dat slechts in geding is of verweerder bevoegd is om een voorkeursrecht te vestigen op genoemd perceel.

De rechtbank overweegt dat, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) in haar uitspraak van 25 augustus 2004 (LJN AQ7434) heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat eisers al dan niet een beroep kunnen doen op de hier voren genoemde uitzonderingsbepaling(en) niet van betekenis is voor de bevoegdheid van de raad tot het vestigen van een voorkeursrecht.

De vraag of zich in casu een uitzonderingsgrond voordoet als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Wvg, waardoor verweerder eisers niet kan beletten om de met Projectontwikkeling Y BV aangegane koopovereenkomst ten uitvoer te brengen, ligt thans niet voor.

Voor zover eisers voorts hebben gesteld dat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat de gemachtigde van verweerder er in het verweerschrift terecht op wijst dat de ABRS bij uitspraak van 20 juni 2000 (AB 2002/23) reeds heeft uitgesproken dat de Wvg in overeenstemming is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM.

Nu het beroep inhoudelijk ongegrond wordt verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover Projectontwikkeling Y BV in haar bezwaar is ontvangen;

- verklaart het bezwaar van Projectontwikkeling Y BV tegen verweerders besluit van 28 februari 2006 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- verstaat dat de gemeente Wierden aan eisers het griffierecht ad € 281,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag

N.B. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep (gedeeltelijk) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Indien de rechtbank daarbij beroepsgronden uitdrukkelijk heeft verworpen en een partij daarin niet wil berusten, dan moet die partij binnen bovengenoemde termijn hoger beroep instellen tegen deze uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman als griffier en in het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden op

AB