Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB6018

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
710383-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer gehonoreerd van man die inbreker met honkbalknuppel heeft geslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 710383-07.

STRAFVONNIS

Uitspraak: 19 oktober 2007.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[VERDACHTE]

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats en adres],

terechtstaande ter zake dat:

1. hij op of omstreeks 19 april 2007 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] (die probeerde in te breken in de woning van verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet met een honkbalknuppel(tje) althans slagvoorwerp op zoek is gegaan naar die [aangever] en/of die [aangever] heeft opgewacht en/of (aldus)/ althans de confrontatie met die [aangever] heeft gezocht en/of die [aangever] meermalen althans eenmaal (met kracht) met die/dat knuppel(tje) althans slagvoorwerp op en/of tegen het hoofd en/of de arm en/of op de rug en/of (elders) tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 19 april 2007 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever] (die probeerde in te breken in de woning van verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een honkbalknuppel(tje) althans slagvoorwerp op zoek is gegaan naar die [aangever] en/of die [aangever] heeft opgewacht en/of (aldus)/ althans de confrontatie met die [aangever] heeft gezocht en/of die [aangever] meermalen althans eenmaal (met kracht) met die/dat knuppel(tje) althans

slagvoorwerp op en/of tegen het hoofd en/of de arm en/of op de rug en/of (elders) tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 19 april 2007 te Enschede heeft gedragen een honkbalknuppel (met een lengte van circa 59,5 cm en een gewicht van circa 400 gram), in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, dan wel te dreigen;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank overweegt met betrekking tot sub 1 als volgt:

Bij de stukken bevinden zich foto’s van het slachtoffer [aangever] (hierna te noemen aangever). Op die foto’s zijn zowel hoofd- als lichaamsverwondingen duidelijk zichtbaar. Met name constateert de rechtbank dat rond de hoofdwonden veel bloed zit. Volgens de aangever zijn al die verwondingen ontstaan doordat de verdachte hem met een knuppel heeft geslagen.

Verdachte ontkent het slaan op het hoofd met die knuppel en stelt dat hij de aangever eerst heeft weggeduwd waarbij deze met zijn hoofd tegen de muur terecht kwam, terwijl deze kort daarna uit een hekwerk is gevallen en daarbij met z’n hoofd op de grond is gekomen.

Verdachte erkent wel dat hij het slachtoffer met kracht met die knuppel tegen het bovenlichaam en tegen de benen heeft geslagen.

Een medische verklaring omtrent de verwondingen van aangever ontbreekt. Uit de stukken blijkt ook niet dat er op de inbeslaggenomen knuppel bloed is aangetroffen, zodat het er voor moet worden gehouden dat er geen bloed is aangetroffen op die knuppel.

De getuige [naam getuige] – die zich op in ieder geval enige afstand van het gebeuren bevond – heeft gezien dat een persoon meerdere keren met een honkbalknuppel op “iets” aan het slaan was. Dat “iets” bleek hem later een persoon te zijn, maar uit die verklaring blijkt niet waar die persoon geraakt werd.

Het vorenstaande, in combinatie met het ontbreken van nadere informatie omtrent de verwondingen aan het hoofd van de aangever en een nader onderzoek aan de inbeslaggenomen knuppel, brengt met zich mede dat de rechtbank geen redenen aanwezig acht om te twijfelen aan de juistheid van de lezing van verdachte.

Daar komt bij dat de rechtbank die verklaring van verdachte ook betrouwbaarder acht dan de verklaring van de aangever [aangever], immers staat vast dat zijn verklaring op een essentieel onderdeel aantoonbaar onjuist en in strijd is met de waarheid, immers is aangever bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 14 augustus 2007 onder meer veroordeeld ter zake de poging tot inbraak in de woning van verdachte, terwijl aangever steeds heeft ontkend dat feit te hebben gepleegd.

De verklaring van verdachte wordt, voor wat betreft het eerste gedeelte van het gebeurde, bovendien geheel bevestigd door de verklaring van zijn echtgenote.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 1 primair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen – die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen – waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 subsidiair en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 19 april 2007 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever] (die probeerde in te breken in de woning van verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een honkbalknuppeltje op zoek is gegaan naar die [aangever] en die [aangever] heeft opgewacht en aldus de confrontatie met die [aangever] heeft gezocht en die [aangever] meermalen met kracht met dat knuppeltje op de arm en op de rug en elders tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op 19 april 2007 te Enschede heeft gedragen een honkbalknuppel (met een lengte van circa 59,5 cm en een gewicht van circa 400 gram), waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze voor geen ander doel was bestemd dan om te dreigen;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Met betrekking tot feit 1 subsidiair heeft de rechtbank overwogen dat verdachte, door met een knuppel met kracht in te slaan op een persoon, de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat hij die persoon zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 subsidiair en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 subsidiair het misdrijf:

"Poging tot zware mishandeling",

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 2, de overtreding:

"Overtreding van artikel 27 lid 1 van de Wet wapens en munitie",

strafbaar gesteld bij artikel 54 van die wet;

Namens verdachte is, wat betreft sub 1 subsidiair aangevoerd dat er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, zoals in de overgelegde pleitnota is omschreven.

De rechtbank overweegt dienaangaande:

Bij verdachte is op 19 april 2007 rond middernacht een poging tot woninginbraak gepleegd door de aangever [aangever].

Aangever is betrapt door verdachte en zijn echtgenote.

Zowel verdachte als zijn echtgenote hebben “iets” zien glinsteren in de hand van de aangever, mogelijk een wapen.

Verdachte is daarop, met medeneming van een honkbalknuppel, naar buiten gegaan, teneinde die inbreker, zoals hij zelf tegenover de politie en ter terechtzitting heeft verklaard, te pakken te krijgen en over te dragen aan de politie.

Vervolgens heeft hij zijn vrouw horen schreeuwen. Er zat angst en schrik in haar stem.

Verdachte heeft van de aangever, toen deze net over de poort was gesprongen, een schop tegen zijn heup en tegen zijn gezicht gekregen.

Verdachte heeft vervolgens de aangever weggeduwd, waarbij deze met het hoofd tegen de muur terecht is gekomen.

De aangever is hierop weggerend en verdachte heeft tegen hem geroepen dat hij moet stoppen. Aangever heeft daar niet aan voldaan.

De echtgenote van verdachte heeft hierop het alarmnummer 112 gebeld, opdat de politie zo snel mogelijk ter plaatse zal komen.

Na het wegrennen, is aangever in een hek gesprongen, teneinde daarover te klimmen met nog steeds het doel zich aan zijn staandehouding door verdachte te onttrekken.

Het hekwerk is omgevallen en aangever is met zijn hoofd op de stenen terecht gekomen.

Verdachte heeft daarop aangever gegrepen, maar deze is blijven volharden in zijn agressief gedrag jegens verdachte, door nu tegen diens rechterenkel te schoppen en bovendien heeft aangever verdachte daarbij bedreigd.

Verdachte, die nog steeds in het bezit was van voornoemde knuppel, heeft daarop, kennelijk om het verzet van de aangever te breken, teneinde hem, over te kunnen dragen aan de politie, enkele keren met die knuppel tegen het lichaam geslagen.

Verdachte heeft daarna, conform zijn eerder geuite voornemen, aangever op de stoep neergezet, in afwachting van de komst van de politie.

Verdachte heeft tijdens dit gebeuren feitelijk telkens uitsluitend gereageerd op acties van aangever.

De lezing van verdachte wordt, zoals reeds is vermeld, voor wat betreft het eerste gedeelte van het gebeurde geheel bevestigd door zijn echtgenote, terwijl zijn lezing over het slaan van de aangever met de knuppel niet in strijd is met de waarnemingen van de getuige [naam getuige].

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich moest verweren tegen een door de aangever jegens hem gepleegde onmiddellijke wederrechtelijke aanranding.

Verdachte heeft de aangever op heterdaad betrapt en deze willen overdragen aan de politie. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus een gerechtvaardigd belang heeft gehad de aangever “te pakken” met als doel deze aan de politie over te dragen. Teneinde dat te kunnen doen was hij genoodzaakt zich tegen aangever te verweren, hem te achtervolgen en diens verzet te breken, aangezien deze zich – hoewel op heterdaad betrapt - niet vrijwillig overgaf. Daartoe heeft verdachte met een (relatief kleine) knuppel die inbreker twee of drie keer op diens lichaam geslagen.

Die slagen zijn - naar het oordeel van de rechtbank - wel hard geweest maar, in dit specifieke geval en lettend op het volhardend agressief gedrag van aangever, het mogelijk voorhanden hebben van een wapen en de bedreiging met geweld, gepast en niet disproportioneel.

Nu sprake is van een noodweersituatie, is verdachte niet strafbaar en dient hij voor het sub 1 subsidiair tenlastegelegde te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De verdachte is wat betreft sub 2 strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake sub 1 primair wordt veroordeeld tot een leerstraf van 26 uur, een werkstraf van 154 uur, met aftrek van 28 uren en tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij en met opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis en wat betreft sub 2 tot de maatregel van onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen knuppel.

De rechtbank overweegt wat sub 2 betreft, dat op grond van de aard van de overtreding volstaan kan worden met de maatregel van onttrekking aan het verkeer.

De inbeslaggenomen knuppel is daarvoor vatbaar nu met betrekking tot dit voorwerp dat feit is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Civiele vordering

De rechtbank overweegt verder, dat [aangever], ter zake van feit 1, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij heeft gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave heeft gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van € 35.310,=.

Nu verdachte ter zake dat feit niet strafbaar zal worden verklaard, dient de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

De na te melden maatregel is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1 subsidiair en sub 2 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte wat betreft sub 1 subsidiair niet strafbaar en ontslaat hem te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart verdachte wat betreft sub 2 strafbaar.

Veroordeelt hem te dier zake tot:

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen knuppel.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partij: [aangever], in het geheel

niet-ontvanke¬lijk is in zijn vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 subsidiair en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Heft op het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis, met ingang van heden.

Aldus gewezen door mr. Stoové, voorzitter, mr. Teekman en mr. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van Feijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 oktober 2007.