Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB5452

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
06/1435 BESLU N1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het limitatief- imperatieve stelsel van de bouwverordening houdt in dat een aanvraag voor een sloopvergunning slechts mag en moet worden geweigerd in de in artikel 8.1.6 van de bouwverordening opgesomde gevallen. De genoemde gevallen bevatten niet een weigeringsgrond in verband met milieukwaliteitseisen en eisen ten behoeve van de volksgezondheid. Toetsing aan het Blk 2005 dan wel anderszins het in acht nemen van grenswaarden ter zake van luchtkwaliteit is dan ook niet in deze opsomming opgenomen. De bouwverordening verzet zich daarom naar het oordeel van de rechtbank tegen rechtstreekse toetsing van de sloopvergunning aan milieukwaliteitseisen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de Nota van Toelichting bij het Blk 2005 (Staatsblad 2005, nr. 316). De relevante passage luidt: “Dat betekent dat de doorwerking van de luchtkwaliteitseisen niet in strijd mag zijn met de opzet en doelstellingen van de wettelijke regeling waarop de bevoegdheden die bestuursorganen uitoefenen, gebaseerd zijn. Gebonden bevoegdheden of bevoegdheden met een wettelijk beperkt afwegingskader komen niet in aanmerking voor het in acht nemen van de luchtkwaliteitseisen. (…) De wettelijke kaders waar de bevoegdheden van de overheden op gebaseerd zijn, zijn dus maatgevend voor de wijze waarop het in acht nemen van de luchtkwaliteitseisen invulling krijgt.” Ook vindt de rechtbank steun voor dit oordeel in de toelichting op de bouwverordening. Blijkens deze toelichting strekken de weigeringsgronden a en b van artikel 8.1.6 van de bouwverordening ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het Blk 2005 beschermt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen belangen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van een aanvraag voor een sloopvergunning. Verweerder heeft - mede naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter - in het bestreden besluit van de voorwaarde inhoudende dat de gesloopte onderdelen met water worden besproeid, gezegd dat deze voorwaarde tot doel heeft om de stofhinder voor de omwonenden te beperken en niet dient om de verspreiding van zwevende deeltjes tegen te gaan en heeft dit nader gemotiveerd. Eisers hebben dit ter zitting in die zin erkend, dat zij hebben gesteld dat het besproeien met water ongeschikt is om fijnstof tegen te gaan. De rechtbank acht deze nadere motivering van verweerder adequaat. Concluderend oordeelt de rechtbank dat het niet in acht nemen van de luchtkwaliteitseisen van het Blk 2005 niet behoort tot de gronden waarop een sloopvergunning geweigerd kan en moet worden en dat de wettelijke regeling inzake het verlenen van zodanige vergunning zich derhalve verzet tegen de toepasselijkheid van het Blk 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2007/68
JBO 2007/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 1435 BESLU N1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu,

gevestigd te Hengelo,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, werkzaam bij Milieu-adviesbureau Middelkamp te Almelo,

[Eiser 2],

wonende te Hengelo,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, voornoemd,

Vereniging Woolderparkgroep,

gevestigd te Hengelo,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, voornoemd,

tezamen te noemen: eisers.

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo,

verweerder.

Derde belanghebbende

Gemeente Hengelo, grondbedrijf, vergunninghoudster.

1. Het bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 31 oktober 2006.

2. Het procesverloop

Vergunninghoudster heeft bij aanvraag van 21 maart 2006, binnengekomen op 10 april 2006, een sloopvergunning aangevraagd voor de sloop van een woonhuis en opstallen op het perceel Brugginksweg 35 te Hengelo. Verweerder heeft bij besluit van 24 april 2006 deze vergunning verleend en aan de vergunning bepaalde voorwaarden verbonden.

Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en de [eiser 2] hebben op 8 mei 2006 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Vereniging Woolderparkgroep heeft op 5 juni 2006 bezwaar gemaakt. Bij verzoekschrift van 8 mei 2006 hebben eisers voorts aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende onmiddellijke schorsing van de sloopvergunning totdat op het bezwaarschrift is beslist.

Bij beslissing van 6 mei 2006 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard onder aanvulling van de voorwaarden van de sloopvergunning. Tegen dit besluit hebben eisers op 13 december 2006 beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 september 2007, waar de [eiser 2] is verschenen bijgestaan door zijn gemachtige voornoemd, en Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu alsmede Vereniging Woolderparkgroep zich hebben doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.S. van Dijk en R.R. Greutink. Vergunninghoudster is niet verschenen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit waarbij verweerder heeft besloten de bezwaren van eisers tegen de verleende sloopvergunning ongegrond te verklaren in rechte in stand kan blijven.

De gronden van het beroep

De gronden van het beroep kunnen als volgt worden samengevat en onderverdeeld:

- de publicatie van de sloopvergunning was te laat en daardoor onzorgvuldig,

- de voorbereiding van het besluit is onzorgvuldig, omdat een rapport van onderzoek ontbreekt en de bijlage bij het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld,

- verweerder heeft de aanvraag van de sloopvergunning onterecht niet getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit en de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR),

- de sloopvergunning had om diverse redenen geweigerd moeten worden.

De beoordeling

Alvorens aan de inhoudelijke behandeling van de zaak toe te komen, dient de rechtbank te beoordelen of eisers als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt en om die reden ontvankelijk zijn in hun beroep. Op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden als de belangen van rechtspersonen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Gelet op het doel van de Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, zoals dat blijkt uit artikel 2 van de statuten d.d. 31 januari 2006, is de rechtbank van oordeel dat de stichting door het bestreden besluit in voldoende mate wordt geraakt in de belangen die zij behartigt om als belanghebbende te worden aangemerkt.

Ten aanzien van de Vereniging Woolderparkgroep merkt de rechtbank op dat de vereniging op 15 mei 2006, derhalve voor het maken van bezwaar op 5 juni 2006, is opgericht.

Gezien het doel van de vereniging, zoals dat blijkt uit artikel 2, eerste lid, van de statuten d.d. 6 oktober 2006, is de rechtbank van oordeel dat ook de vereniging kan worden aangemerkt als belanghebbende.

Ten aanzien van de [eiser 2] overweegt de rechtbank als volgt. Een natuurlijk persoon behoort in beginsel tot de categorie belanghebbenden als de werking van het betreffende besluit hem rechtstreeks in zijn belangen treft, doordat hij woont in de directe omgeving van het onderwerp van het besluit.

Uit het dossier blijkt dat de heer [eiser 2] op 200 meter van de te slopen objecten woont. Bovendien heeft hij ter zitting verklaard dat hij de te slopen objecten vanuit zijn woning kan zien. Om die redenen merkt de rechtbank ook de [eiser 2] aan als belanghebbende bij het bestreden besluit.

Bij de beoordeling van het geschil zijn de navolgende bepalingen uit de Bouwverordening 2003 van de gemeente Hengelo (hierna: de bouwverordening) van belang.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de bouwverordening, is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). In artikel 8.1.6 van de bouwverordening is bepaald dat een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:

a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b. de bescherming van nabij gelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e. een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

Op grond van artikel 8.1.1, derde lid, van de bouwverordening verbinden burgemeester en wethouders aan de sloopvergunning slechts voorschriften over:

a. de veiligheid tijdens het slopen;

b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;

c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;

d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.

Het vierde lid van artikel 8.1.1 van de bouwverordening bepaalt vervolgens dat de voorschriften over het sloopafval als bedoeld in het derde lid, onder letter c, eisen kunnen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Ingevolge dit vierde lid verbinden burgemeester en wethouders aan de sloopvergunning voorschriften met betrekking tot asbest, over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.

Publicatie

Eisers stellen in de eerste plaats dat de sloopvergunning ten onrechte pas na aanvang van de sloopwerkzaamheden in het huis-aan-huisblad is gepubliceerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet verplicht was om de sloopvergunning te publiceren in het huis-aan-huisblad.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu de bouwverordening geen regels bevat over de publicatie van de sloopvergunning geldt de algemene regeling over bekendmaking en mededeling in de Awb, te weten de artikelen 3:40 tot en met 3:45 van de Awb. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. De rechtbank is van oordeel dat een sloopvergunning een besluit is dat tot één of meer belanghebbenden is gericht. Verweerder heeft het besluit bekendgemaakt aan de aanvrager conform artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Door bekendmaking van het besluit aan de aanvrager is het besluit ingevolge artikel 3:40 van de Awb in werking getreden en kon verweerder het besluit uitvoeren. Verweerder was niet verplicht het besluit aan eisers bekend te maken of eisers mede te delen dat het besluit was genomen. De publicatie in het huis-aan-huisblad was dan ook niet verplicht en daarom ook niet te laat.

Zorgvuldige voorbereiding

Volgens eisers is de voorbereiding van het besluit door verweerder onzorgvuldig, omdat er een rapport van onderzoek ontbreekt, uitgevoerd door een deskundig onderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt. Daarnaast zijn de vragen 4 en 7 van de bijlage bij het aanvraagformulier niet ingevuld. Verweerder merkt op dat er wel een asbestrapportage is opgemaakt, maar dat hierin niet staat dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt, omdat er juist wel asbest is aangetroffen.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat de vragen 4 en 7 niet zijn ingevuld, maar dat verweerder desondanks toch op de hoogte was van de benodigde gegevens voor het beoordelen van de aanvraag.

Zoals verweerder terecht opmerkt, is aan de aanvraag een volledige asbestinventarisatie gehecht van Bestvision Asbestconsultants B.V. Noch gesteld, noch gebleken is dat dit bedrijf niet deskundig zou zijn. Nu er asbest is aangetroffen in het te slopen bouwwerk, vermeldt het rapport terecht niet dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt. De rechtbank ziet niet in hoe de rapportage gelet daarop onzorgvuldig zou kunnen zijn en passeert derhalve deze stelling van eisers. Ook het feit dat de vragen 4 en 7 van de bijlage bij het aanvraagformulier niet zijn ingevuld, zal de rechtbank passeren, nu beantwoording van deze vragen slechts dient om vast te stellen of een melding ingevolge het Bouwstoffenbesluit noodzakelijk is en geen betrekking heeft op de verleende sloopvergunning en de daaraan verbonden voorwaarden.

Toetsing aan het Besluit luchtkwaliteit

Eisers stellen zich vervolgens op het standpunt dat verweerder bij de verlening van de sloopvergunning ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het Besluit Luchtkwaliteit. Verweerder betwist dit gemotiveerd en is van mening dat hij niet hoeft te toetsten aan het Besluit Luchtkwaliteit en dat, indien dat wel het geval zou zijn, de gestelde grenswaarden door de sloop niet zullen worden overschreden.

De rechtbank overweegt als volgt. Het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) – de opvolger van het Besluit luchtkwaliteit – is in werking getreden per 4 mei 2005. Nu het bestreden besluit dateert van 31 oktober 2006 gaat het in deze zaak om de toepasselijkheid van het Blk 2005, en niet van het daarvoor geldende Besluit Luchtkwaliteit. Het Blk 2005 is een algemene maatregel van bestuur die ingevolge de implementatieverplichting in het kader van de Europese regelgeving inzake luchtkwaliteit is genomen op basis van – voor zover hier van belang – de Wet milieubeheer (Wm), met name de artikelen 5.1, 5.2 en 5.3 van de Wm.

In artikel 7 van het Blk 2005 is de plicht voor bestuursorganen opgenomen om bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de grenswaarden van het Blk 2005 in acht te nemen. Dat de grenswaarden ingevolge het Blk 2005 in acht moeten worden genomen, vindt zijn juridische grondslag in de Wm. Uit het bepaalde in artikel 5.2, tweede lid, Wm volgt dat dit slechts geschiedt voor zover de wettelijke regeling, waarop het litigieuze besluit is gebaseerd, zich niet verzet tegen het in acht nemen van luchtkwaliteitseisen. Het doel van het Blk 2005 is onder meer om de volksgezondheid te waarborgen door langdurige blootstelling van mensen aan hoge fijnstofconcentraties tegen te gaan.

Het limitatief- imperatieve stelsel van de bouwverordening houdt in dat een aanvraag voor een sloopvergunning slechts mag en moet worden geweigerd in de in artikel 8.1.6 van de bouwverordening opgesomde gevallen. De genoemde gevallen bevatten niet een weigeringsgrond in verband met milieukwaliteitseisen en eisen ten behoeve van de volksgezondheid. Toetsing aan het Blk 2005 dan wel anderszins het in acht nemen van grenswaarden ter zake van luchtkwaliteit is dan ook niet in deze opsomming opgenomen.

De bouwverordening verzet zich daarom naar het oordeel van de rechtbank tegen rechtstreekse toetsing van de sloopvergunning aan milieukwaliteitseisen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de Nota van Toelichting bij het Blk 2005 (Staatsblad 2005, nr. 316). De relevante passage luidt:

“Dat betekent dat de doorwerking van de luchtkwaliteitseisen niet in strijd mag zijn met de opzet en doelstellingen van de wettelijke regeling waarop de bevoegdheden die bestuursorganen uitoefenen, gebaseerd zijn. Gebonden bevoegdheden of bevoegdheden met een wettelijk beperkt afwegingskader komen niet in aanmerking voor het in acht nemen van de luchtkwaliteitseisen. (…) De wettelijke kaders waar de bevoegdheden van de overheden op gebaseerd zijn, zijn dus maatgevend voor de wijze waarop het in acht nemen van de luchtkwaliteitseisen invulling krijgt.”

Ook vindt de rechtbank steun voor dit oordeel in de toelichting op de bouwverordening. Blijkens deze toelichting strekken de weigeringsgronden a en b van artikel 8.1.6 van de bouwverordening ertoe een onveilige sloopwijze of een onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het Blk 2005 beschermt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen belangen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van een aanvraag voor een sloopvergunning. Verweerder heeft - mede naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter - in het bestreden besluit van de voorwaarde inhoudende dat de gesloopte onderdelen met water worden besproeid, gezegd dat deze voorwaarde tot doel heeft om de stofhinder voor de omwonenden te beperken en niet dient om de verspreiding van zwevende deeltjes tegen te gaan en heeft dit nader gemotiveerd. Eisers hebben dit ter zitting in die zin erkend, dat zij hebben gesteld dat het besproeien met water ongeschikt is om fijnstof tegen te gaan. De rechtbank acht deze nadere motivering van verweerder adequaat. Concluderend oordeelt de rechtbank dat het niet in acht nemen van de luchtkwaliteitseisen van het Blk 2005 niet behoort tot de gronden waarop een sloopvergunning geweigerd kan en moet worden en dat de wettelijke regeling inzake het verlenen van zodanige vergunning zich derhalve verzet tegen de toepasselijkheid van het Blk 2005.

Toetsing aan de NeR

Vervolgens stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder geen adequate voorschriften over stofverspreiding heeft verbonden aan de sloopvergunning en dat dit in strijd is met paragraaf 3.5.1. van de NeR.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de NeR is opgesteld om de voorwaarden die worden gesteld aan milieuvergunningen met betrekking tot emissies naar de lucht te harmoniseren en dat de sloopvergunning daarom niet aan de NeR hoeft te worden getoetst. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen deelt de rechtbank dit standpunt van verweerder.

Het verlenen van de sloopvergunning

Ten slotte stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag voor de sloopvergunning had moeten afwijzen. Zij voeren daartoe diverse gronden aan die hierna afzonderlijk zullen worden besproken. Verweerder betwist de aangevoerde gronden gemotiveerd en stelt zich op het standpunt dat hij de vergunning terecht heeft verleend.

Zoals overwogen, bevat artikel 8.1.6 van de bouwverordening een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Als geen van de onder a tot en met e bedoelde situaties zich voordoet, moet de sloopvergunning worden verleend. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in het onderhavige geval de weigeringsgronden als genoemd in artikel 8.1.6 onder c, d en e van de bouwverordening niet aan de orde zijn.

Volgens eisers zijn aan de sloopvergunning onvoldoende voorschriften verbonden ten aanzien van het tegengaan van verspreiding van asbest, stof en fijnstof. Eisers achten de sloopvergunning daarnaast in strijd met de bouwverordening, omdat er geen voorschriften zijn verbonden aan de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de bouwverordening. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de veiligheid tijdens het slopen voldoende gewaarborgd is door de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden die onder meer zien op het tegengaan van de verspreiding van stof. Verweerder merkt daartoe op dat op grond van artikel 8.1.1, derde lid, onder c, van de bouwverordening voorschriften over het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval aan de sloopvergunning zijn verbonden, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval. Ten aanzien van de tweede zin van artikel 8.1.1, vierde lid, van de bouwverordening heeft verweerder in zijn beslissing op bezwaar aanvullende voorwaarden als bedoeld in artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 verbonden. Ingevolge dat artikel wordt asbest apart verzameld, gereed gemaakt voor vervoer en binnen twee weken afgevoerd van het sloopterrein.

De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond onder a van artikel 8.1.6 van de bouwverordening er toe strekt een onveilige sloopwijze tegen te kunnen gaan. Voor zover de argumenten van eisers, zoals hiervoor uiteengezet, daarop betrekking hebben, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat artikel 8.1.1, vierde lid, eerste zin, van de bouwverordening een discretionaire bevoegdheid inhoudt voor verweerder. Door eisers is niet gesteld, en zulks is overigens ook niet gebleken, dat verweerder niet in redelijkheid kon besluiten om in dit geval geen gebruik te maken van deze bevoegdheid.

De rechtbank is van oordeel dat met de aanvullende voorwaarden is voldaan aan het bepaalde in artikel 8.1.1, vierde lid, tweede zin, van de bouwverordening. Naar het oordeel van de rechtbank is de veiligheid tijdens het slopen voldoende gewaarborgd door de aan de vergunning gestelde voorwaarden. Zo zijn er wel voorschriften tegen stofverspreiding verbonden aan de sloopvergunning en er is geen reden om aan te nemen dat deze voorwaarden niet adequaat zullen zijn. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt en overigens is ook niet gebleken dat dat niet het geval zou zijn.

Eisers stellen daarnaast dat de bescherming van gebruikers van nabijgelegen bouwwerken en gronden onvoldoende is gewaarborgd. Nu de weigeringsgrond onder b geen betrekking heeft op gebruikers en overigens ook niet is gesteld of gebleken dat de bescherming van nabij gelegen bouwwerken en gronden onvoldoende is gewaarborgd, kan dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

Voor het overige stelt de rechtbank vast dat de door eisers aangevoerde argumenten geen betrekking hebben op één van de hiervoor genoemde, limitatieve weigeringsgronden. Ook de diverse gronden van eisers die zich richten op de noodzaak van de sloop en de invloed van de sloop op andere projecten, kunnen niet leiden tot een afwijzing van de sloopvergunning, gelet op het hiervoor uiteengezette limitatief imperatieve stelsel van weigeringsgronden. Voor zover eisers gronden aanvoeren tegen de wijze van uitvoeren van de sloop, overweegt de rechtbank dat die niet relevant zijn voor het besluit tot verlening van de vergunning.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Aldus gegeven door mr. M.E. van Wees, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier

en in het openbaar uitgesproken op .

Afschrift verzonden op

AB