Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB2641

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
07 / 206 LEGGW AQ1 A
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de in verband met de gevoerde vrijstellingsprocedure verschuldigde leges ad € 256,95 bij eiser in rekening heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 07 / 206 LEGGW AQ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Hof van Twente, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Uitspraak op bezwaar van verweerder d.d. 29 januari 2007.

2. Het verloop van de procedure

Op 27 januari 2005 heeft verweerder eisers aanvraag om lichte bouwvergunning voor het vernieuwen van een schuur op het perceel [adres] te [woonplaats] ontvangen.

Bij brief van 24 februari 2005 heeft verweerder eiser bericht dat hij voor de benodigde vrijstellingsprocedure ex artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) - naast de bouwleges - € 256,95 aan verweerder verschuldigd is. In deze brief is eiser in de gelegenheid gesteld om binnen 1 week bij verweerder kenbaar te maken of hij instemt met het doorlopen van deze vrijstellingsprocedure.

Eiser heeft verweerder bij brief van 28 februari 2005 bericht dat hij verheugd is over de voorgenomen vrijstelleng maar bezwaar heeft tegen de voor deze vrijstellingsprocedure verschuldigde leges ad € 256,95.

Bij brief van 18 april 2005 heeft verweerder de vrijstelling, alsmede de gevraagde bouwvergunning aan eiser verleend.

Bij brief van 18 april 2005 heeft verweerder leges ad € 560,75 (inclusief de genoemde € 256,95) bij eiser in rekening gebracht en hem verzocht deze binnen 30 dagen te voldoen.

Eiser heeft bij brief van 2 mei 2005 een bezwaarschrift tegen de heffing van leges ingediend.

Bij besluit van 29 januari 2007 heeft verweerder op het bezwaar beslist en heeft hij eisers bezwaren ongegrond verklaard. Tevens is bij dit besluit het aan eiser verleende uitstel van betaling van de leges ingetrokken. Eiser heeft de voor de bouwvergunning (en aan de bouwkosten gerelateerde) verschuldigde leges ad € 303,80 wel voldaan.

Bij brief van 27 februari 2007 heeft eiser beroep tegen dit besluit ingesteld.

Op 28 maart 2007 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht, evenals een verweerschrift.

Het beroepschrift is behandeld ter openbare zitting van 17 augustus 2007, alwaar eiser in persoon is verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door A.A.G. Cent, ambtenaar van de gemeente Hof van Twente.

3. Geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de in verband met de gevoerde vrijstellingsprocedure verschuldigde leges ad € 256,95 bij eiser in rekening heeft gebracht.

Eiser beantwoordt die vraag ontkennend en verweerder bevestigend. Niet in geschil zijn de leges die gerelateerd aan de bouwkosten voor de bouwvergunning zelf, namelijk € 303,80, bij eiser in rekening zijn gebracht.

Eiser heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij voor de vrijstellingsprocedure leges moet betalen, omdat verweerder heeft nagelaten om het bijna 20 jaar oude geldende bestemmingsplan tijdig – namelijk na tien jaar - te herzien. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd aangegeven waarom eiser deze leges toch verschuldigd is. Ter zitting heeft eiser gewezen op artikel 3.1, vierde lid, van de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit artikel bepaalt dat, indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar, genoemd in het tweede of het derde lid, de raad onderscheidenlijk opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen, de bevoegdheid vervalt tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan. Volgens eiser vallen onder de bedoelde rechten ook de leges voor de vrijstellingsprocedure. Verweerder heeft volgens eiser helaas geen aanleiding gezien om op deze wetswijziging te anticiperen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat de door eiser gevraagde bouwvergunning op 18 april 2005 met toepassing van de vrijstelling ex artikel 19, derde lid, van de WRO is verleend.

Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet bepaalt dat rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

In artikel 5.2.2 van de Legesverordening 2005 Hof van Twente (hierna: de legesverordening), zoals deze op 21 december 2004 door de gemeenteraad is vastgesteld, is het tarief opgenomen wegens het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere of lichte bouwvergunning. Ingevolge artikel 5.5.1.1 van de legesverordening wordt het overeenkomstig artikel 5.2.2 berekende bedrag verhoogd met € 256,95 indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan waarvoor een vrijstelling moet worden verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO.

De rechtbank overweegt dat artikel 33 van de WRO wil bevorderen dat gemeentelijke bestemmingsplannen actueel blijven. De in dit artikel genoemde termijn van tien jaar is een termijn van orde. Aan de overschrijding ervan zijn in het kader van de heffing van leges geen gevolgen verbonden. Uit het systeem van de Gemeentewet en de legesverordening volgt immers niet dat de niet-tijdige herziening van het geldende bestemmingsplan met zich brengt dat voor de behandeling van een verzoek om vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, WRO geen leges mogen worden geheven.

De rechtbank stelt echter vast dat in de Tweede Nota van wijziging (TK 2003-2004, 28916, nr. 9) betreffende Nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening (Wet ruimtelijke ordening) het volgende is opgenomen:

“ Zoals hierboven bij het projectbesluit reeds is opgemerkt, vergen de rechtszekerheid en de ruimtelijke samenhang actuele bestemmingsplannen. De wet moet daarom die actualiteit waarborgen en voorzien in een actieve houding van bestuursorganen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de borging van de actualiteit van bestemmingsplannen kan geschieden door enerzijds de mogelijkheid van verlenging van de 10-jaarsperiode met een vereenvoudigde procedure te introduceren en anderzijds financiële prikkels in te bouwen die een actieve naleving van de actualiseringsverplichting bevorderen.

In de lijn van de wensen van de Kamer, het advies van de Raad van State en de vele maatschappelijke reacties voorziet deze nota van wijziging in een aanpassing van het wetsvoorstel zonder dat deze de doelstellingen van het wetsvoorstel op die onderdelen afzwakt. De nota van wijziging bewerkstelligt dat de gemeenteraad, indien hij tot het oordeel komt dat het bestemmingsplan, zoals het daar ligt, nog actueel is, na een eenvoudige procedure kan verklaren, dat het bestemmingsplan nog steeds voldoet aan de eisen die een goede ruimtelijke ordening in het plangebied stelt. De besluitvormingsprocedure bevat waarborgen voor de gebruikelijke inbreng van betrokkenen en de mogelijkheid van een rechterlijke toetsing van het besluit. In deze opzet is de ontheffing van de actualiseringsverplichting door gedeputeerde staten, die in het wetsvoorstel was opgenomen, niet langer nodig. Verwacht mag worden dat met deze voorziening de financiële en organisatorische belemmeringen voor gemeenten om aan de 10-jaarlijkse herzieningsplicht gehoor te geven, zijn weggenomen.”

En:

“ De tweede wijziging regelt in het nieuwe vierde lid de consequenties van de overschrijding van de 10-jaarstermijn: als de raad niet binnen dat tijdvak een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel besloten heeft de termijn met tien jaar te verlengen kunnen leges terzake van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten binnen het betrokken bestemmingsplangebied vanaf het moment van het verstrijken van de 10-jaarstermijn niet worden ingevorderd. Indien nadien alsnog een bestemmingsplan wordt vastgesteld «herleeft» de bevoegdheid, doch dan uiteraard voor de legesplichtige verzoeken die betrekking hebben op het nieuwe bestemmingsplan en na de vaststelling hiervan ontstaan zijn.”

Gelet op het betoog van eiser en de aanstaande wetswijziging is verweerder er desgevraagd naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd deugdelijke en onderbouwde argumenten aan te voeren die de heffing van de leges voor de vrijstellingsprocedure kunnen rechtvaardigen gelet op het feit dat verweerder heeft nagelaten het geldende bestemmingsplan tijdig te herzien. Met eiser stelt de rechtbank immers vast dat het geldende bestemmingsplan bijna 20 jaar oud is als gevolg waarvan vrijstelling van dat plan (eerder) nodig zal zijn. Hiermee worden lasten op de burger afgewenteld die het gevolg zijn van de nalatigheid van verweerder om tijdig het bestemmingsplan te herzien. Artikel 5.5.1.1 van de Verordening leidt in zoverre tot een onredelijke heffing van leges.

Het voorgaande leidt tot de gevolgtrekking dat artikel 5.5.1.1 van de Verordening onverbindend moet worden geacht. De rechtbank acht het beroep dan ook gegrond en zal het bedrag van de leges verminderen met € 256,95.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beslist wordt derhalve als volgt:

3. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 29 januari 2007;

- vermindert het bedrag van de leges met € 256,95;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden

bepaald op € 9,00, door de heffingsambtenaar te betalen aan eiser;

- verstaat dat de heffingsambtenaar aan eiser het griffierecht ad 38,00 vergoedt.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Aldus gegeven door mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink, griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2007

Afschrift verzonden op

CK