Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB1629

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
82186 / FA RK 06-805
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2007:BC0230, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De minderjarige verzoekster vraagt de kinderrechter te bepalen dat haar vader uitsluitend belast zal zijn met het gezag over haar.

Op grond van artikel 1: 251 a BW heeft de minderjarige de mogelijkheid om de rechter te benaderen wanneer hij het niet eens is met het voornemen van de ouders om het gezamenlijk gezag voort te zetten. Wanneer de tekst van artikel 1: 251 lid 2 BW strikt uitgelegd wordt, dan zal de minderjarige van zijn bevoegdheid slechts gebruik kunnen maken tijdens de echtscheidingsprocedure. De tekst van artikel 1: 25 1a BW dwingt daartoe echter niet, aangezien het gaat om een informele procedure. Een ruime uitleg is bovendien in het belang van de minderjarige.

De kinderrechter is van oordeel dat er, afgezien van de problemen voor de kinderen voortvloeiend uit communicatieproblemen tussen de ouders, nog andere redenen kunnen zijn op grond waarvan in het belang van het kind het gezag aan een van de ouders dient te worden toegewezen.

In het verleden hebben zich situaties voorgedaan die ertoe geleid hebben dat verzoekster grote bezwaren heeft tegen de uitoefening van het gezag door de moeder over haar. Verzoekster heeft op overtuigende wijze duidelijk gemaakt waarom zij deze bezwaren heeft. Ook uit hetgeen de kinderrechter ter zitting heeft gehoord en op basis van de in het geding gebrachte stukken is dit duidelijk geworden.

De kinderrechter staat het verzoek toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 82186 / FA RK 06-805 (M.H.)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo d.d. 21 februari 2007

inzake

[Verzoekster]

verder ook de dochter te noemen,

wonende te [Adres],

verzoekster,

tegen

[Belanghebbende],

verder ook de moeder te noemen,

wonende te [Adres],

belanghebbende,

procureur: mr. C.C.M. Peper,

als belanghebbende is aangemerkt:

- [Belanghebbende 2], de vader

Het procesverloop

Op 8 november 2006 is een verzoekschrift ter griffie ingekomen.

[Verzoekster] is op 20 december 2006 door de kinderrechter gehoord. Van dit verhoor is een apart proces-verbaal opgemaakt.

Op 10 januari 2007 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

Op 15 januari 2007 heeft [Verzoekster] aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 15 januari 2007. Ter zitting zijn verschenen: de vader, de moeder vergezeld van mr. Peper. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door mevrouw Y. Booiman. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is geboren:

- [Verzoekster], geboren te [Geboorteplaats] op [Geboortedatum].

Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 17 juni 2003 is de echtscheiding uitgesproken. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [Verzoekster]. De hoofdverblijfplaats van [Verzoekster] is bij de vader.

De standpunten van partijen

[Verzoekster] verzoekt de kinderrechter om te bepalen dat haar vader uitsluitend belast zal zijn met het gezag over haar. Met dit verzoek wil zij voorkomen dat haar moeder nog iets over haar te zeggen heeft. [Verzoekster] stelt dat haar moeder in het verleden van alles met haar heeft uitgespookt en dat zij mensen om haar heen heeft gemanipuleerd. Zij geeft als belangrijkste voorbeeld dat haar moeder haar vaak in het ziekenhuis heeft laten onderzoeken voor epilepsie, terwijl haar niets mankeerde. De moeder heeft bovendien meerdere keren contact gezocht met de school van [Verzoekster] om te laten weten dat [Verzoekster] lijdt aan epilepsie. [Verzoekster] woont nu bij haar vader en zij geeft aan dat zij daar veel beter op haar plek is. Een andere reden voor het verzoek is dat moeder volgens [Verzoekster] niet wil meewerken aan de verkrijging van een paspoort voor haar. Zij weigert hiertoe een handtekening te zetten.

De moeder is allereerst van mening dat [Verzoekster] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. Zij is namelijk nog minderjarig en daarom niet in staat om tot een redelijke waardering van haar belangen.

De moeder is het niet eens met het verzoek van [Verzoekster]. Zij stelt dat [Verzoekster] wel degelijk epilepsie heeft en daarvoor ook is behandeld. Zij is van mening dat [Verzoekster] een verkeerd beeld van haar heeft. Graag zou ze het contact met haar dochter herstellen. Zij verwijt de vader dat hij de informatieplicht. die het gezamenlijk gezag met zich meebrengt, niet nakomt. De vader vermijdt elk contact met haar. De moeder is ervan overtuigd dat wanneer de communicatie tussen de ouders wordt hersteld de gezamenlijke uitoefening van het gezag heel goed mogelijk is.

De moeder geeft aan dat zij mee zal werken aan de verkrijging van een paspoort voor [Verzoekster].

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Op grond van artikel 1: 251 a BW heeft de minderjarige de mogelijkheid om de rechter te benaderen wanneer hij het niet eens is met het voornemen van de ouders om het gezamenlijk gezag voort te zetten. Wanneer de tekst van artikel 1: 251 lid 2 BW strikt uitgelegd wordt. dan zal de minderjarige van zijn bevoegdheid slechts gebruik kunnen maken tijdens de echtscheidingsprocedure. De tekst van artikel 1: 25 1a BW dwingt daartoe echter niet, aangezien het gaat om een informele procedure. Een ruime uitleg is bovendien in het belang van de minderjarige.

Artikel 1:25 1a BW dient naar het oordeel van de kinderrechter dan ook ruim uitgelegd te worden. Dit betekent dat ook indien ruim na het inschrijven van de echtscheiding de minderjarige grote bezwaren krijgt tegen de uitoefening van het gezamenlijk gezag, hij een verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag kan indienen. Voorwaarde hierbij is wel dat de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. De kinderrechter is van oordeel dat [Verzoekster] heel goed in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen. Zij is door de kinderrechter verhoord en maakte een zeer evenwichtige en vastberaden indruk. De kinderrechter acht [Verzoekster] daarom ontvankelijk in haar verzoek en zal tot een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek komen.

De Hoge Raad heeft bepaald dat voor de uitoefening van een gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten in gezamenlijk overleg beslissingen van enig belang over hun kind kunnen nemen, zonder dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders.

De kinderrechter is van oordeel dat de slechte communicatie tussen de ouders de daadwerkelijke uitoefening van het gezamenlijk gezag in de weg staat. Van gezamenlijk overleg tussen de ouders is namelijk geen sprake. Echter niet gesteld kan worden dat [Verzoekster] als gevolg hiervan klem of verloren raakt tussen de ouders. Zij woont bij de vader en heeft ervoor gekozen om het contact met haar moeder te verbreken. De rol die de moeder momenteel in haar leven speelt is daarom zeer minimaal.

De kinderrechter is van oordeel dat er, afgezien van de problemen voor de kinderen voortvloeiend uit communicatieproblemen tussen de ouders, nog andere redenen kunnen zijn op grond waarvan in het belang van het kind het gezag aan een van de ouders dient te worden toegewezen.

In het verleden hebben zich situaties voorgedaan die ertoe geleid hebben dat [Verzoekster] grote bezwaren heeft tegen de uitoefening van het gezag door de moeder over haar. [Verzoekster] heeft op overtuigende wijze duidelijk gemaakt waarom zij deze bezwaren heeft. Ook uit hetgeen de kinderrechter ter zitting heeft gehoord en op basis van de in het geding gebrachte stukken is dit duidelijk geworden. De kinderrechter acht het aannemelijk dat [Verzoekster] hinder heeft gehad van het frequente doktersbezoek met de moeder, ook omdat aan de noodzaak hiervan getwijfeld wordt. Bovendien acht hij het begrijpelijk dat het bellen naar de school van [Verzoekster] door de moeder en haar weigerachtige houding met betrekking tot medewerking aan het paspoort, door [Verzoekster] als hinderlijk zijn ervaren. De inwilliging van het verzoek zal voor [Verzoekster] de nodige rust met zich meebrengen. De kinderrechter acht de toewijzing van het verzoek daarom in haar belang. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

Aangezien de partijen een familierelatie hebben worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

De beslissing

De kinderrechter:

l. Wijzigt de beschikking van de rechtbank Haarlem van 17 juni 2003 in die zin dat de vader met ingang van heden wordt belast met het ouderlijk gezag over [Verzoekster].

2. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. E.V.A. Groener, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2007 in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem:

a. door verzoeker en door degenen, aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.