Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB1542

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
82010 / HA ZA 06-1124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepasselijkheid algemene voorwaarden en matiging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 82010 / HA ZA 06-1124

datum vonnis: 4 juli 2007 (m.b.)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

Het kerkgenootschap Protestantse Gemeente te Enschede,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

verder te noemen de Protestantse Gemeente,

procureur: mr. H.C. van der Sijs,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Spanjaard Vastgoed B.V.,

gevestigd te Borne,

gedaagde,

verder te noemen Spanjaard,

procureur: mr. R.H.A. Vennegoor.

Het procesverloop

De rechtbank heeft op 28 maart 2007 een tussenvonnis gewezen, waarbij zij een comparitie van partijen heeft gelast. De rechtbank neemt hier over hetgeen zij in dat vonnis ten aanzien van het procesverloop heeft overwogen.

De comparitie van partijen heeft plaatsgehad op 4 juni 2007. Van het verhandelde ter terechtzitting is een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk zich bij de stukken bevindt. Ter comparitie van partijen hebben zowel de Protestantse Gemeente als Spanjaard een productie overgelegd. Partijen hebben de rechtbank en de wederpartij die producties reeds vóór de comparitie van partijen doen toekomen.

Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd, welk vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1.

De rechtbank neemt hier over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar vonnis van

28 maart 2007.

2.1

Niet in geschil is dat partijen op 6 december 2005 een koopovereenkomst hebben gesloten zoals omschreven in rechtsoverweging 1b van voormeld vonnis van 28 maart 2007. Evenmin is in geschil dat in de koopovereenkomst onder meer een boetebeding is opgenomen.

Spanjaard heeft onbetwist gesteld dat de koopovereenkomst een NVM-overeenkomst betreft. Volgens Spanjaard dient die overeenkomst daarom gezien te worden als een standaard akte, zodat de bepalingen in die akte dienen te gelden als algemene voorwaarden in de zin van artikel 6:231 BW. Spanjaard betoogt verder dat het boetebeding onredelijk bezwarend voor haar is in de zin van artikel 6:233 sub a BW.

2.2

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Van algemene voorwaarden in de zin van voormeld artikel is sprake indien het gaat om één of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, niet zijnde bedingen die de kern van de prestatie aangeven. Indien de stelling van Spanjaard in deze concrete zaak zou worden gevolgd, dan zou dat met zich brengen dat iedere éénmalige gebruiker die een modelovereenkomst als het NVM-model gebruikt, algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 6:231 BW zou gebruiken, hetgeen tot gevolg zou hebben dat vrijwel alle onroerende zaaktransacties in dit licht zouden moeten worden beoordeeld.

Het algemene voorwaardenrecht van afdeling 3 van boek 6 BW voor onroerende zaaktransacties zou daarmee regel worden en het algemene verbintenissenrecht uitzondering. De gevolgen van een dergelijke zienswijze voor het maatschappelijk verkeer zijn niet aanvaardbaar en als strijdig met het Nederlandse rechtsysteem door de wetgever zeker niet beoogd.

3.1

Voorts staat tussen partijen vast dat het aan Spanjaard te wijten is dat het kerkgebouw niet geleverd kon worden, nu Spanjaard niet heeft meegewerkt aan de levering van het kerkgebouw bij de notaris. Spanjaard is daarmee toerekenbaar tekort geschoten in haar verplichtingen uit de koopovereenkomst en de vordering van de Protestantse Gemeente is daarmee in beginsel toewijsbaar.

Spanjaard heeft de rechtbank echter verzocht de boete te matigen tot nihil, dan wel tot

€ 20.000,-, nu het boetebeding volgens Spanjaard geen vrucht is geweest van onderhandeling, Spanjaard zich heeft ingespannen teneinde te voldoen aan haar verplichtingen en de hoogte van de contractuele boete buitensporig zou zijn in vergelijking met de omvang van de schade.

3.2

De rechtbank overweegt hieromtrent dat zij krachtens het bepaalde in artikel 6:94 BW de bedongen boete kan matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze bevoegdheid dient in zijn algemeenheid terughoudend te worden gehanteerd. In beginsel is beslissend wat partijen zijn overeengekomen.

De stelling van Spanjaard dat het boetebeding geen vrucht van onderhandeling is geweest en dat dit een grond voor matiging vormt passeert de rechtbank, nu Spanjaard gezien dient te worden als een professionele handelaar in onroerend goed, van wie verwacht mag en moet worden dat zij in elk geval op de hoogte is van de inhoud van een koopovereenkomst met betrekking tot een onroerende zaak, zeker waar dit een standaard NVM-contract betreft, en de consequenties die in dat koopcontract opgenomen bedingen kunnen hebben. Het feit dat Spanjaard slechts een beginneling op deze markt was kan hieraan niet afdoen, nu deze omstandigheid reden temeer voor Spanjaard geweest had moeten zijn om zich in dat geval bij te laten staan of te laten voorlichten door een terzake wel kundige persoon.

3.3

Ook in de omstandigheid dat Spanjaard, zoals zij heeft gesteld, zich heeft ingespannen om aan haar verplichtingen te voldoen, ziet de rechtbank geen reden tot matiging van de bedongen boete, nu het boetebeding in die zin geen voorbehoud maakt en gesteld noch gebleken is dat partijen op andere wijze een dergelijk voorbehoud zijn overeengekomen.

3.4

Anders zou dit kunnen zijn, indien de bedongen en gevorderde boete in verhouding tot de door de Protestantse Gemeente geleden schade buitensporig is. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank echter niet voor. De Protestantse Gemeente heeft ter comparitie onbetwist en onderbouwd met stukken gesteld dat zij het kerkgebouw thans op 22 maart 2007 heeft verkocht voor een bedrag van € 425.000,-, onder een ontbindende voorwaarde die nog tot 15 juli 2007 ingeroepen kan worden. Hierdoor ontvangt de Protestantse Gemeente

€ 25.000,- minder voor het kerkgebouw dan wanneer het kerkgebouw aan Spanjaard zou zijn geleverd.

Voorts heeft de Protestantse Gemeente ter comparitie onbetwist aangevoerd dat daar nog kosten, zoals makelaarscourtage, bovenop komen. Gelet hierop is de rechtbank met de Protestantse Gemeente van oordeel dat de contractuele boete van € 45.000,- niet excessief dient te worden geacht.

De vordering van de Protestantse Gemeente zal dan ook worden toegewezen tot dit bedrag. De rechtbank merkt hierbij ten overvloede nog op dat vast is komen te staan dat Spanjaard inmiddels een bedrag van € 20.000,- aan de Protestantse Gemeente heeft betaald, zodat met dit bedrag bij de executie van dit vonnis rekening gehouden dient te worden.

4.

Spanjaard zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, de kosten voor de gelegde conservatoire beslagen daaronder begrepen.

De beslissing

De rechtbank:

I.

Veroordeelt Spanjaard om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Protestantse Gemeente te betalen een bedrag van € 45.000,- (vijfenveertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

II.

Veroordeelt Spanjaard in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Protestantse Gemeente begroot op € 1.486,57 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris van de procureur, de kosten van het gelegde beslag inbegrepen.

III.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. S.M.M. Bordenga en op 4 juli 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.