Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB1490

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
08/700389-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens de export van 40 kg heroine naar Groot Brittannië en wegens dealen in heroine en cocaine tot een gevangenisstraf van zes jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 700389-06

STRAFVONNIS

Uitspraak: 3 juli 2007

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1966,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te [plaats]

terechtstaande ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 28 juli 2006,

in de gemeente Rotterdam en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Groot-Brittannië) heeft gebracht ongeveer 40 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine), zijnde heroïne (diacetylmorfine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(parketnummer 700389/06)

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2006

tot en met 26 september 2006, in de gemeente Enschede en/althans (elders) in het arrondissement Almelo, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (in elk geval) (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelheid/

hoeveelheden van (een) materia(a)l(en) bevattende heroïne (diacetylmorfine)

en/of cocaïne, zijnde heroïne (diacetylmorfine) en/of cocaïne (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(parketnummer 700389/06)

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 26 september 2006,

in de gemeente Enschede en/althans (elders) in het arrondissement Almelo,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (vuur)wapen van categorie II of III van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, en/of voor dat wapen geschikte munitie van categorie II of III van genoemde wet, te weten een of meer (kogel)patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(parketnummer 700389/06)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu dit feit geen onderdeel uitmaakte van de feiten waarop de overlevering betrekking had.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat verdachte in Duitsland is aangehouden op grond van een op 27 september 2006 door de officier van justitie uitgevaardigd en op 26 oktober 2006 aangevuld Europees arrestatiebevel. In dit arrestatiebevel en de aanvulling wordt om de aanhouding en de overlevering van verdachte verzocht op grond van de feiten die hem onder 1 en 2 ten laste zijn gelegd en niet ook op grond van het feit dat hem onder 3 ten laste is gelegd. Het specialiteitsbeginsel verzet zich in dat geval tegen vervolging van hetgeen onder feit 3 ten laste is gelegd nu niet is gebleken dat verdachte hiervan afstand heeft gedaan. Het openbaar ministerie dient ten aanzien van het feit dat onder 3 ten laste is gelegd niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen – die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen – waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 28 juli 2006, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Groot-Brittannië) heeft gebracht 36,72 kilogram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine), zijnde heroïne (diacetylmorfine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 26 september 2006, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd en aanwezig heeft gehad hoeveelheden van materialen bevattende heroïne (diacetylmorfine)

en cocaïne, zijnde heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bijzonder overweging omtrent het bewijs ten aanzien van het gebruiken van een kennelijk leugenachtige verklaring:

Op vrijdag 28 juli 2006 worden in Groot Brittannië 3 mannen aangehouden, waaronder [persoon 1], wegens het invoeren van een grote partij heroïne.

Verdachte heeft op 29 juli 2006 verklaard dat hij vanaf donderdag 27 juli 2006 in het Ibis Hotel te Badhoevedorp verbleef en dat hij op de dag van aankomst in dat hotel toevallig een man genaamd [voornaam van persoon 1] tegen kwam. Deze [voornaam van persoon 1] kende hij van een paar jaar geleden en hij wist dat hij chauffeur was. Verdachte verklaart dat deze [voornaam van persoon 1] in het gezelschap was van een vrouw en dat toen [voornaam van persoon 1] wegging hij aan verdachte heeft gevraagd om de vrouw gezelschap te houden.

Deze vrouw, genaamd [persoon 2], verklaart op 29 juli 2006 dat zij een relatie heeft met een Nederlandse man genaamd [persoon 1] en dat zij tijdens haar verblijf in een hotel in Badhoevedorp in het gezelschap was van een Turkse man, zijnde een kennis van [voornaam van persoon 1]. [voornaam van persoon 1] had haar aan deze Turkse man voorgesteld voordat hij die donderdagavond vertrok. De rechtbank begrijpt dat deze Turkse man verdachte betreft.

Uit verklaringen afgelegd door [persoon 3] blijkt dat verdachte een transporteur zocht om een grote hoeveelheid verdovende middelen te transporteren en dat [persoon 3] verdachte in contact heeft gebracht met [persoon 1]. Uit een tapgesprek en op basis van stemherkenning blijkt dat verdachte vervolgens op 16 juli 2006 telefonisch contact heeft met [persoon 1] en dat er die dag tussen beiden een ontmoeting heeft plaatsgevonden in het Ibis Hotel te Badhoevedorp.

Uit de tapgesprekken en beloverzichten blijkt verder dat verdachte vanaf dat moment (16 juli 2006) bijna dagelijks telefonisch contact heeft met [persoon 1], ofwel rechtstreeks, ofwel via smsjes. Ook nadat [persoon 1] in Groot Brittannië is aangehouden heeft verdachte veelvuldig getracht telefonisch contact te krijgen met [persoon 1]. Bovendien heeft [persoon 1] bij zijn aanhouding een briefje bij zich met daarop een telefoonnummer dat hij diende te bellen nadat het transport had plaatsgevonden. Op 27 juli 2006 zijn er met het toestel van verdachte twee gesprekken met dit telefoonnummer, zowel inkomend als uitgaand.

De verklaring van verdachte dat hij [persoon 1] op 27 juli 2006 toevallig tegengekomen is betreft naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het veelvuldig telefonisch contact dat verdachte voorafgaand aan en na het transport met [persoon 1] heeft gehad dan ook een kennelijk leugenachtige verklaring, kennelijk afgelegd met de bedoeling om zijn betrokkenheid bij het transport te verhullen. De rechtbank zal derhalve die leugenachtige verklaring bezigen tot het bewijs van het tenlastegelegde onder feit 1.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft feit 1, het misdrijf:

"medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod",

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet jo. artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

en

wat betreft feit 2, -als eendaadse samenloop- het misdrijf:

"medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet jo. artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake feit 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest vanaf 26 september 2006, en met verbeurdverklaring van de personenauto en het handboek en teruggave van de inbeslaggenomen documenten, genummerd 4, 28, 29, 31, 47 en 48 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen aan verdachte.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het smokkelen van heroïne en het handelen in heroïne en cocaïne. Verdachte heeft, kennelijk uit winstbejag, een grote hoeveelheid heroïne uitgevoerd naar Groot Brittannië. De straatwaarde van deze heroïne loopt in (Groot Brittannië) in de miljoenen. Verdachte heeft daarmee de beschikbaarheid van die drugs in Groot Brittannië in sterke mate willen vergroten en daardoor het belang dat Groot Brittannië heeft bij het uitblijven van grensoverschrijdend vervoer van verdovende middelen ondergeschikt willen maken aan zijn eigen belang. Verdachte heeft geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen voor de samenleving in het algemeen en de Britse samenleving in het bijzonder, indien de heroïne op de gebruikersmarkt terecht zou zijn gekomen.

Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het dealen van heroïne en cocaïne. Hierin heeft verdachte een leidende rol gespeeld in het samenwerkingsverband met zijn medeverdachten. Deze leidende rol leidt de rechtbank af uit de diverse verklaring van medeverdachten en getuigen/gebruikers die verdachte aanwijzen als ‘de baas’ en als degene die ervoor zorgde dat er altijd voldoende heroïne en cocaïne aanwezig was om te dealen. Ook werd de prijs voor de heroïne en cocaïne door verdachte bepaald. De opbrengsten van de verkopen dienden aan verdachte te worden afgedragen. Bovendien werd door verdachte geweld gebruikt en bedreigingen geuit indien de opbrengsten niet overeenkwamen met de verkopen. Verdachte heeft door zijn handelen aanmerkelijke schade toegebracht aan de volksgezondheid en bijgedragen aan een klimaat van toenemende onveiligheid als gevolg van de vermogenscriminaliteit waarmee de uiteindelijke gebruikers de kosten van hun verslaving bestrijden

Gelet op de ernst van de feiten en ter normhandhaving, en gelet op de recidive van verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur thans de meest passende straf.

De rechtbank heeft heden in een afzonderlijke beschikking de personenauto en het handboek, genummerd 1 en 32 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen teruggegeven aan de broer van verdachte, zodat zij zich in deze procedure niet in staat zal verklaren over het beslag te beschikken.

De inbeslaggenomen documenten, genummerd 4, 28, 29, 31, 47 en 48 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen kunnen worden teruggegeven aan verdachte aangezien het belang van strafvervolging naar het oordeel van de rechtbank bij teruggave van deze documenten aan verdachte niet wordt geschaad.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 27, 55, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor wat betreft feit 3.

Verklaart bewezen, dat het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, voorlopige hechtenis en in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart zich niet in staat te beslissen op het beslag ten aanzien van de personenauto en het handboek, genummerd 1 en 32 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen documenten, genummerd 4, 28, 29, 31, 47 en 48 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen dienen aan verdachte.

Aldus gewezen door mr. Wentink, voorzitter, mr. Caminada en mr. Bordenga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Jongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 juli 2007.