Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB1336

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
07 / 766 GEMWT V1 V en 07 / 767 GEMWT V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het onderhavige verzoek vloeit voort uit een inmiddels langlopend geschil tussen partijen, dat in de kern gaat over de wens van verzoekers dat verweerder handhavend optreedt tegen de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten van de maatschap [maatschap] op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 07 / 766 GEMWT V1 V en 07 / 767 GEMWT V1 A

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

[verzoekers],

wonende te [woonplaats], verzoekers,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haaksbergen,

verweerder.

Derde-belanghebbende: de maatschap [maatschap],

gevestigd te [woonplaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 20 juni 2007.

2. Procesverloop

Het onderhavige verzoek vloeit voort uit een inmiddels langlopend geschil tussen partijen, dat in de kern gaat over de wens van verzoekers dat verweerder handhavend optreedt tegen de met het bestemmingsplan strijdige activiteiten van de maatschap [maatschap] op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel).

Verweerder heeft bij besluit van 2 juni 2005 – met inachtneming van uitspraken van deze rechtbank en van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) – [maatschap] gelast om de verkoopactiviteiten van vlees op het perceel binnen drie maanden te beëindigen en beëindigd te houden. Bij het niet voldoen aan deze last verbeurt [maatschap] een dwangsom. In de onderhavige uitspraak zal dit besluit worden aangeduid als het dwangsombesluit.

[De maatschap] heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het dwangsombesluit, welk beroep deze rechtbank bij uitspraak van 13 november 2006 ongegrond heeft verklaard. Daarnaast heeft [maatschap] verweerder verzocht het dwangsombesluit in te trekken. Dit verzoek heeft verweerder bij besluit van 12 juli 2005 afgewezen, maar verweerder heeft wel de begunstigingstermijn verlengd. Ook tegen dit besluit heeft [maatschap] beroep ingesteld, ten aanzien waarvan de rechtbank bij dezelfde uitspraak van 13 november 2006 zich onbevoegd heeft verklaard. De rechtbank heeft vervolgens dit beroepschrift doorgezonden naar verweerder om als bezwaarschrift te worden behandeld.

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar van [maatschap] gegrond verklaard en zijn besluit van 12 juli 2005 ingetrokken, herroepen en vervangen door het besluit om het dwangsombesluit in te trekken.

Bij beroepschrift van 5 juli 2007 is door verzoekers tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. Gelijktijdig is door verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende de schorsing van de intrekking van het dwangsombesluit.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 augustus 2007, alwaar verzoekers in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.H. Willems en P.G.M. Vaanholt, ambtenaren in dienst van verweerders gemeente. [De maatschap] is verschenen vertegenwoordigd door B.M. Hilderink.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd. Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Indien naar het oordeel van de voorzieningenrechter na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van die wet onmiddellijk uitspraak doen op het door de verzoeker bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek geen relevante bijdrage meer kan leveren voor de oordeelsvorming. Derhalve zal tevens worden beslist op het door verzoekers ingestelde beroep.

In de eerste plaats is aan de orde of verweerder bevoegd is om het dwangsombesluit in te trekken. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat een dwangsombesluit alleen mag worden ingetrokken op de in artikel 5:34 van de Awb genoemde gronden en dat deze gronden zich niet voordoen. Verweerder is van mening dat hij het dwangsombesluit mag intrekken.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van lasten onder dwangsom bevat artikel 5:34 van de Awb een regeling over het verminderen van de dwangsom, het opschorten van de looptijd van de last en het opheffen van de last. Naast deze bevoegdheden heeft het bestuursorgaan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook een algemene bevoegdheid tot intrekking van de last onder dwangsom. De Awb sluit immers intrekking van het dwangsombesluit niet uitdrukkelijk uit en ook in de jurisprudentie is de intrekking aanvaard. Zo kan een dwangsombesluit bijvoorbeeld worden ingetrokken als de overtreding nagenoeg opgeheven is en de dwangsom daarom niet langer in verhouding staat tot de overtreding. De intrekkingsbevoegdheid ontslaat het bestuursorgaan er echter niet van om ervoor zorg te dragen dat het intrekkingsbesluit aan bepaalde eisen voldoet. Het beginsel van rechtszekerheid vergt immers dat mag worden vertrouwd op het voortbestaan van een besluit waartegen geen bezwaar of beroep meer mogelijk is; er moeten dringende redenen zijn om dat vertrouwen te kunnen doorbreken.

De vraag die de voorzieningenrechter vervolgens dient te beantwoorden is of de door verweerder aangevoerde grond voor intrekking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het beginsel van rechtszekerheid.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder geen goede grond heeft om het dwangsombesluit in te trekken en dat verweerder in deze situatie onterecht gebruik heeft gemaakt van zijn intrekkingsbevoegdheid. Het aanwenden van de bevoegdheid is in dit geval volgens verzoekers in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder stelt dat intrekking in dit geval wel mogelijk is, omdat de intrekking dient om een eerdere fout waarop het dwangsombesluit is gebaseerd, te herstellen.

De fout waarop verweerder doelt heeft betrekking op de in eerdere procedures in deze kwestie gehanteerde peildatum. In alle eerdere procedures is uitgegaan van de volgens verweerder foutieve peildatum van 23 augustus 1978. Uitgaande van die peildatum heeft [maatschap] geen geslaagd beroep kunnen doen op het overgangsrecht als bedoeld in artikel 30, onder A, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Als gevolg daarvan worden de activiteiten van [maatschap] niet beschermd door het overgangsrecht. Verweerder is met [maatschap] thans van mening dat de juiste peildatum 26 april 1983 is. Verweerder wil deze fout herstellen, zodat de activiteiten van [maatschap] wel kunnen worden beschermd door het overgangsrecht.

De rechtbank is in zijn uitspraak van 5 augustus 2004 uitgegaan van de door partijen gestelde peildatum 23 augustus 1978. [maatschap] en verweerder zijn tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan, maar hebben in hoger beroep de peildatum niet bestreden. In hoger beroep is de ABRvS derhalve ook uitgegaan van de peildatum 23 augustus 1978. Deze uitspraak van de ABRvS van 13 april 2005 heeft gezag van gewijsde gekregen. Het hiertegen gerichte verzoek van [maatschap] tot herziening van deze uitspraak met het argument dat van de verkeerde peildatum is uitgegaan, is door de ABRvS afgewezen, omdat niet kon worden geoordeeld dat de gegevens objectief bezien niet bij haar bekend konden zijn voor de uitspraak. Artikel 8:88 van de Awb bepaalt immers dat alleen kan worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak en die bij de indiener vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Daarnaast overweegt de ABRvS dat er evenmin reden is om tot vervallenverklaring van de uitspraak over te gaan, omdat er niet sprake is van een dusdanig bijzonder geval dat dit buitenwettelijke middel dient te worden gehanteerd. De ABRvS merkt daarbij nog op dat voor zover de gehanteerde peildatum al onjuist zou zijn, moet worden vastgesteld dat partijen, waaronder [maatschap], in de procedure die tot de uitspraak heeft geleid zelf ook steeds van deze datum zijn uitgegaan.

Met inachtneming van de uitspraak van de ABRvS van 13 april 2005 heeft verweerder het dwangsombesluit genomen. Ook het dwangsombesluit gaat uit van 23 februari 1978 als peildatum. Verweerder heeft terecht bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar de peildatum 23 augustus 1978 als uitgangspunt genomen, nu deze door de uitspraak van 13 april 2005 onherroepelijk is komen vast te staan. Dit laat onverlet dat verweerder gehouden was te bezien of zich ten tijde van het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. De voorzieningenrechter merkt op dat het gewijzigde standpunt omtrent de peildatum niet is aan te merken als een nieuw feit of omstandigheid. Immers, wat als peildatum dient te gelden is al bekend - of wordt verondersteld bekend te zijn - bij het vaststellen van het bestemmingsplan. In dit opzicht verschilt de onderhavige zaak van de door [maatschap] ter zitting aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 14 februari 2007 (nr. 200603340/1 op www.raadvanstate.nl). In die zaak is immers wel een nieuw feit aangenomen. Verweerder heeft overigens in het dwangsombesluit ook niet het gewijzigde standpunt omtrent de peildatum aangemerkt als nieuw feit of omstandigheid.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift betoogd dat er in deze zaak geen gebondenheid is aan de uitspraak van 13 april 2005, omdat er sprake is van een ander besluit in een nieuwe procedure. Verweerder verwijst daarbij in de eerste plaats naar een uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2005 (AB 2005,320) en het advies van de commissie bezwaarschriften, die op haar beurt wijst op de uitspraak van de ABRvS van 15 februari 2002 (AB 2006, 125). In de tweede plaats verwijst verweerder naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 13 november 2006 in de onderhavige kwestie waarin de rechtbank heeft overwogen dat de weigering om het dwangsombesluit in te trekken als een nieuw besluit wordt aangemerkt.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit van verweerder inhoudende de weigering om het dwangsombesluit te nemen een nieuw besluit is. Echter, dit leidt niet tot de conclusie van verweerder dat hij daarom niet meer gebonden is aan de uitspraak van de ABRvS van 13 april 2005. Hiervoor is ook vereist dat er sprake is van een ander geschil. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in deze zaak nog immer sprake is van hetzelfde geschil. Dit oordeel is gegrond op het feit dat alle tot nu toe gevoerde procedures betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex en dezelfde partijen. Het betreft immers nog steeds het geschil tussen verzoekers, verweerder en [maatschap], waarbij, samengevat, verzoekers willen dat verweerder handhavend optreedt tegen de activiteiten van [maatschap] op het perceel. In dit opzicht verschilt de onderhavige zaak van de zaak waarop de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2005 ziet. In die zaak was er namelijk wel sprake van een ander geschil, omdat het daar om een ander bouwwerk ging dan het bouwwerk waarop de eerdere uitspraak in die zaak zag. Anders dan verweerder betoogt, kan de uitspraak van 13 juli 2005 van de ABRvS dus niet tot het oordeel leiden dat aan de eerder vastgestelde peildatum geen bindende rechtskracht toekomt. Ook de door de commissie bezwaarschriften aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 15 februari 2006 - als ook het overige door de commissie bezwaarschriften aangevoerde - maakt dit oordeel niet anders, nu in die zaak is geoordeeld dat overwegingen van een bestuursorgaan geen bindende rechtskracht krijgen als daartegen geen beroep wordt ingesteld. In de onderhavige zaak betreft het echter geen overwegingen van een bestuursorgaan, maar overwegingen van de ABRvS. Het standpunt van de commissie bezwaarschriften dat er sprake is van een andere procedure, omdat het bestreden besluit te herleiden is tot een andere aanvraag dan de eerdere aanvraag tot handhaving, deelt de voorzieningenrechter niet. Immers, in dat geval zou iemand met een verzoek tot intrekking eerdere, onherroepelijk geworden, uitspraken die zien op hetzelfde feitencomplex eenvoudig kunnen omzeilen. De voorzieningenrechter acht dit standpunt in strijd met het beginsel van rechtszekerheid.

Op grond van het vorenstaande stelt de voorzieningenrechter vast dat de peildatum van 23 februari 1978 tussen partijen in dit geschil in rechte vast staat. Dit heeft tot gevolg dat 23 februari 1978 ook als peildatum dient te gelden voor alle besluiten en procedures rond hetzelfde feitencomplex. Dat de peildatum bij nader inzien misschien een andere datum is dan waarvan is uitgegaan, doet daar niet aan af. Onder deze omstandigheden kan daarom het herstellen van de foutieve peildatum niet als grondslag dienen voor het intrekkingsbesluit. Het besluit van 20 juni 2007 staat op gespannen voet met het leerstuk van de formele rechtskracht en is in strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Het besluit van 20 juni 2007 komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Ten slotte hebben verzoekers ter zitting de voorzieningenrechter verzocht om verweerder op te dragen daadwerkelijk te gaan handhaven door de verbeurde dwangsommen te innen. Nu het verzoek tot voorlopige voorziening en het beroep enkel betrekking hebben op het besluit van verweerder tot intrekking van de dwangsom, kan de voorzieningenrechter niet ingaan op dit verzoek van verzoekers. Verzoekers zullen op dit punt de beslissing van verweerder op hun verzoek tot inning van de verbeurde dwangsommen moeten afwachten.

Vanwege de beslissing op het beroep in de hoofdzaak wordt niet langer voldaan aan het connexiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, zodat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren.

Op grond van het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers redelijkerwijs hebben moeten maken, welke zijn begroot op € 29,48, zijnde de reiskosten (retour Haaksbergen – Almelo).

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

I Op het beroep in de hoofdzaak:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 20 juni 2007;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- verstaat dat de gemeente Haaksbergen aan verzoekers het griffierecht ad € 143,-- vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

II Op het verzoek om voorlopige voorziening:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte kosten, welke kosten worden bepaald op € 29,48 aan reiskosten, door de gemeente Haaksbergen te betalen aan verzoekers;

- verstaat dat de gemeente Haaksbergen aan verzoekers het griffierecht ad € 143,-- vergoedt.

Tegen dit onderdeel van de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gegeven door mr. R.J. Jue, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Meijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6-8-2007.

Afschrift verzonden op

AW