Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BB0116

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
08/760069-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft binnen de BV opdracht gegeven tot het nalaten door de BV als werkgever om vangnetten aan te brengen als bescherming van werknemers. Zie ook het vonnis tegen deze werkgever onder LJNnr BB0112. De verdachte wordt veroordeeld tot een boete van 5.000 euro, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De vordering van de nabestaanden wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/760069-07 STRAFVONNIS

(Schriftelijk vs Ec.PR)

Uitspraak: 23 juli 2007

De economische politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte]

geboren te Hellendoorn op [datum] 1962,

wonende te [adres]

terechtstaande terzake dat:

de besloten vennootschap [naam] Beplating B.V. op of omstreeks 13 maart 2007

te Nijverdal als werkgever in strijd met de arbeidsomstandighedenwet of de

daarop berustende bepalingen heeft nagelaten handelingen te verrichten,

waardoor -naar zij wist of redelijkerwijs had moeten weten- levensgevaar of

ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemer(s) is ontstaan,

immers heeft verdachte nagelaten bij werkzaamheden op een hoogte van 8,58

meter, in ieder geval op een hoogte van meer dan 2,5 meter, ter voorkoming

van (val)gevaar vangnetten aan te brengen, waardoor haar werknemer, [slachtoffer], na een val letsel heeft bekomen, de dood ten gevolge hebbend,

tot welk vorenomschreven feit hij (verdachte) opdracht heeft gegeven en/of

tot welke vorenomschreven verboden gedragen hij (verdachte) de feitelijke

leiding heeft gegeven;

Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 3.16

art 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

De economische politierechter heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De economische politierechter is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

de besloten vennootschap [naam] Beplating B.V. op 13 maart 2007

te Nijverdal als werkgever in strijd met de arbeidsomstandighedenwet en de

daarop berustende bepalingen heeft nagelaten handelingen te verrichten,

waardoor -naar zij wist - levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers kon ontstaan, immers heeft verdachte nagelaten bij werkzaamheden op een hoogte van 8,58 meter, ter voorkoming van valgevaar vangnetten aan te brengen, waardoor haar werknemer, [slachtoffer], na een val letsel heeft bekomen, de dood ten gevolge hebbend, tot welk vorenomschreven feit verdachte opdracht heeft gegeven.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op het misdrijf:

“Opzettelijk handelen in strijd met artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, tot het plegen van welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte opdracht heeft gegeven”.

Artikelen; 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Artikelen: 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De economische politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, diens draagkracht zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verdachte een keuze mogelijkheid zou hebben, namelijk, òf een collectieve mogelijkheid (vangnetten) òf een individuele beveiliging (harnasgordel met vanglijn). Voorts werd er gesteld dat het feitelijke onmogelijk is om op zo korte termijn (beslissing op maandag ca 17.00 uur, aanvang werkzaamheden de daarop volgende ochtend ca 7.30 uur) nog vangnetten te regelen.

Dit betoog faalt. De tekst van artikel 3.16 van het Arbo besluit lijkt aanvankelijk nog een keuze mogelijkheid te bieden “…zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt…”. Die passage sluit echter af met de woorden “Daarbij hebben maatregelen gericht op de collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.”

Mochten er nog twijfels bestaan over deze taalkundige uitleg dan wordt hiervan bevestiging gevonden in de Nota van Toelichting bij het besluit (Stb. 1997, 60) waar aan het slot bij art. 3.16 wordt opgemerkt “Deze uitgangspunten impliceren onder meer dat een werkgever, alvorens hij (persoonlijk beschermende) veiligheidsgordels met vanglijnen aanbrengt, eerst moet bezien of niet een voorziening kan worden getroffen die een collectieve bescherming biedt.”

Nu de werkgever er zelf voor heeft gekozen om de werkzaamheden op zodanig korte termijn uit te voeren dat het (wellicht) niet mogelijk was om tijdig de juiste voorzieningen aan te brengen is er geen sprake van enigerlei vorm van overmacht doch van het negeren van een wettelijk voorschrift.

Ten overvloede wijst de economisch politierechter er nog op dat de door [naam] uitgebrachte offerte voor deze werkzaamheden (bijlage 7 van het proces-verbaal van de arbeidsinspectie) ten bedrage van EUR 5.435,-- excl. BTW en gedateerd 30 januari 2007 (d.w.z. ca zes weken voor het ongeval) geen post heeft opgenomen voor (de huur van) vangnetten. De inspecteur van de arbeidsinspectie B. Prenger vermeldt dat die kosten volgens telefonisch ingewonnen informatie ca EUR 750,-- zouden bedragen, d.w.z. ca 1/7 van de bruto aanneemsom. Die offerte wekt de indruk dat het nimmer de bedoeling is geweest om met vangnetten te werken.

Ten aanzien van de door [benadeelde partij], wonende te [adres] ingediende “vordering van de benadeelde partij” wordt overwogen dat, nu het slachtoffer[slachtoffer] een arbeidsverhouding had met [naam] Beplating Nijverdal B.V. en niet met veroordeelde, deze ten aanzien van veroordeelde niet ontvankelijk moet worden verklaard.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde in voege als boven omschreven door verdachte is begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het de strafbare feit zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt hem te dier zake tot betaling van een geldboete ten bedrage van

5.000,-- euro bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis gedurende 100 dagen, met bevel, dat deze straf, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De economische politierechter verklaart voorts de via het voorgeschreven 'voegingsformulier' ingediende vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Bloebaum, economisch politierechter, in tegenwoordigheid van Wolbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting, op 23 juli 2007.