Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BA9551

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
08/700027-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zedenzaken, met de auto op iemand inrijden en een hennepplantage. De overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak is aangebracht bij de rechtbank is met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten aanzienlijk. De rechtvaardigingsgrond waarop het openbaar ministerie zich beroept wordt op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

________________________________________

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 700027-05

STRAFVONNIS

Uitspraak: 10 juli 2007

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1960,

wonende te [plaats en adres],

terechtstaande ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 januari 2005,

te Hengelo, gemeente Hengelo (O), meermalen althans eenmaal (telkens),

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en)

- een vrouw, genaamd [vrouw 1] en/of

- een vrouw, genaamd [vrouw 2]

heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige

handeling(en), bestaande uit:

- het kussen en/of tongzoenen en/of likken van die [vrouw 1] in haar hals en/of haar nek en/of in haar gelaat en/of het betasten van de borsten en/of (andere delen van) het lichaam van die [vrouw 1] en/of

- het wrijven over de blote rug van die [vrouw 2] en/of het kussen van de mond

van die [vrouw 2] en/of het drukken van zijn lippen op de lippen van die [vrouw 2] en/of het tongzoenen van die [vrouw 2] en/of het drukken van zijn tong tegen de tanden van die [vrouw 2] en/of het in de nek kussen van die [vrouw 2] en

bestaande (telkens) dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het onverhoeds vastgrijpen en/of klemvast grijpen en/of omhelzen van die

[vrouw 1] en/of het bij de armen vastgrijpen en/of naar zich toe trekken van die [vrouw 1] en/of het worstelen met die [vrouw 1] en/of

- het onverhoeds onder de kleding van die [vrouw 2] tasten en/of het met beide

handen vastgrijpen van de schouders van die [vrouw 2] en/of het naar zich

toetrekken van die [vrouw 2] en/of het in bedwang houden van - en/of worstelen

met die [vrouw 2] en/of het met beide handen om het middel vastgrijpen van die

[vrouw 2] en/of het optillen van die [vrouw 2];

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 januari 2005,

te Hengelo, gemeente Hengelo (O), meermalen althans eenmaal (telkens) één of meer afbeelding(en) en/of voorwerp(en) en/of één of meer gegevensdrager(s), bevattende één of meer afbeelding(en) waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, te weten één of meer afbeelding(en) waarop één of meer (meerderjarige en/of minderjarige) perso(o)n(en) seksuele handelingen met zichzelf en/of elkaar verrichte(n), heeft vertoond aan de

minderjarige [meisje1](geboren [datum] 1992), van wie hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze jonger was dan zestien jaar;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 20 januari 2005, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), meermalen, althans eenmaal (telkens) zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten bij hem thuis/in de huiskamer, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en/of zich heeft afgetrokken, terwijl daarbij (telkens) een meisje, genaamd [meisje1] ondanks tegenwoordig was;

4.

hij op of omstreeks 20 april 2005, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [vrouw 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een (personen)auto (met hoge sneldheid) daarmee (achteruitrijdende) is toegereden en/of is ingereden op die [vrouw 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 20 april 2005, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), [vrouw 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (met hoge snelheid) (achteruitrijdend) toegereden en/of ingereden op die [vrouw 3], welke zich op dat moment in de onmiddellijke nabijheid van hem, verdachte, bevond, althans feitelijkhe(i)d(en) van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 24 januari 2005, te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in zijn woning aan de […]straat, ongeveer 264, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De raadsman van verdachte heeft als preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie ter zake alle tenlastegelegde feiten niet-ontvankelijk verklaard moet worden wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM en artikel 14 lid 3 sub c van het IVBPR.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt:

Het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM, inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn, beoogt, evenals de vergelijkbare regel van art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR, te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR begint te lopen vanaf het moment dat jegens een persoon handelingen worden verricht, waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de redelijke termijn in de onderhavige zaak een aanvang genomen op het moment dat verdachte op 24 januari 2005 in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment zijn de volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldende termijnen, waarbinnen strafvervolging dient plaats te vinden, aan de orde.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is vervolgens afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak.

Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop.

Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat het eind proces-verbaal voor wat betreft feit 5 op de tenlastelegging op 12 februari 2005 is opgemaakt en gesloten. Het eind proces-verbaal voor wat betreft de feiten 1, 2 en 3 op de tenlastelegging is op 22 februari 2005 opgemaakt en gesloten en ter zake feit 4 op de tenlastelegging is het eind proces-verbaal op 20 mei 2005 opgemaakt en gesloten. Op 27 april 2005 is verdachte voor het laatst door de politie gehoord. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte na terugkeer van zijn vakantie op 2 juli 2007 voor het eerst heeft kennisgenomen van de jegens hem uitgebrachte dagvaarding. De rechtbank heeft derhalve geconstateerd dat ter zake alle tenlastegelegde feiten de redelijke termijn van 2 jaar is overschreden.

Door de officier van justitie is ter terechtzitting aangevoerd dat in de periode tussen het laatste contact met verdachte en het uitbrengen van de dagvaarding onderzoek is gedaan naar 2 harde computerschijven. Deze 2 computerschijven zijn opgestuurd naar het NFI om te onderzoeken of hierop kinderpornografisch materiaal aanwezig was. In september/oktober 2006 heeft de officier van justitie mondeling van de politie vernomen dat uit dit onderzoek is gebleken dat er door het NFI geen kinderpornografisch materiaal op de 2 computerschijven is aangetroffen. Vervolgens diende door het openbaar ministerie een zittingsdatum te worden bepaald. De behandeling van de strafzaak tegen verdachte ter terechtzitting kon volgens het rooster van het openbaar ministerie en mede gelet op het feit dat verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevond niet eerder plaatsvinden dan op 10 juli 2007. Hoewel de termijn van 2 jaren is overschreden, wordt dit volgens de officier van justitie gerechtvaardigd door het feit dat het onderzoek door het NFI naar de 2 computer-schijven zo lang geduurd heeft. De officier van justitie heeft dan ook geconcludeerd dat het openbaar ministerie niet niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn bij een veroordeling tot strafvermindering zou moeten leiden. Hiertoe zal rekening worden gehouden in de strafeis.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt overschrijding van de redelijke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging, bijvoorbeeld wanneer in een eenvoudige zaak sprake is van een zeer ernstige overschrijding.

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak strafvorderlijk gezien als een eenvoudige zaak aangemerkt kan worden en dat aan deze zaak derhalve in zoverre geen zwaar gewicht toegekend moet worden. De overschrijding van de redelijke termijn is met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten aanzienlijk. De rechtvaardigingsgrond waarop het openbaar ministerie zich beroept wordt op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Uit het dossier blijkt niet dát de 2 computerschijven zijn opgestuurd naar het NFI, noch wat de bevindingen van het NFI omtrent deze 2 schijven is geweest. De rechtbank kan de door de officier van justitie geschetste gang van zaken, die ter terechtzitting door de verdediging uitdrukkelijk is betwist, dan ook niet controleren. Nadat de officier van justitie kennelijk van de politie had vernomen dat er geen kinderpornografisch materiaal op de 2 computerschijven was aangetroffen heeft het nog 9 maanden geduurd voordat de strafzaak jegens verdachte op zitting werd gepland. In de periode tussen het laatste verhoor van verdachte en het uitbrengen van de dagvaarding heeft het openbaar ministerie verdachte of zijn raadsman op geen enkele wijze omtrent de stand van zaken of de voortgang in het onderzoek geïnformeerd. Het openbaar ministerie heeft zelfs de mededeling dat er op de 2 computerschijven niets zou zijn aangetroffen, hetgeen aangemerkt moet worden als ontlastend bewijsmateriaal, niet aan verdachte of diens raadsman gedaan. Deze gang van zaken moet geheel aan het openbaar ministerie worden toegerekend. Mede gezien de ernst en de aard van de tenlastegelegde feiten en de aanvankelijke aan de vordering tot inbewaringstelling ten grondslag liggende verdenking jegens verdachte van het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte in casu te lang onder de dreiging van strafvervolging heeft gestaan, zodat het openbaar ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar strafvervolging.

Aldus gewezen door mr. Wentink, voorzitter, mr. Caminada en mr. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Jongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juli 2007.