Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BA7807

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
BOPZ 80735
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BOPZ zaak

Artikel 3:45 AWB, artikel 14d BOPZ, artikel 5 EVRM

conversie voorwaardelijke machtiging in strijd met de wettelijke bepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

kenmerk: BOPZ 80735 (M)

beschikking van de rechtbank Almelo d.d. 20 juni 2007

inzake

de officier van justitie in het arrondissement Almelo,

in de zaak van:

X,

verder ook betrokkene te noemen,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

verblijvende op [verblijfplaats],

raadsvrouw: mr. G.J.J.M.A. Dijkman-Thoen.

Het procesverloop

Op 21 mei 2007 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van de officier van justitie te Almelo tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

Bij dit verzoekschrift zijn overgelegd:

- de verklaring van de geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 16 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ);

- het in artikel 38 BOPZ bedoelde behandelingsplan;

- de aantekeningen als bedoeld in artikel 37a BOPZ.

Op 18 juni 2007 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van de officier van justitie te Almelo tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene.

Bij dit verzoekschrift zijn overgelegd:

- een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 2 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ);

- een uittreksel uit het curateleregister.

Op last van de rechtbank heeft de raad voor rechtsbijstand te Arnhem mr. G.J.J.M.A. Dijkman-Thoen toegevoegd als raadsvrouw.

De rechter heeft op 4 juni 2007 betrokkene, bijgestaan door mr. G.J.J.M.A. Dijkman-Thoen, alsmede de heer G. Nijeboer, agnio en de heer P. Eidhof, casemanager, gehoord.

De rechter heeft op deze datum de procedure aangehouden op grond van artikel 8a BOPZ.

Op 12 juni 2007 heeft er een tweede zitting plaatsgevonden. Op deze zitting zijn verschenen: de heer G. Nijeboer, de heer P. Eidhof, mr. G.J.J.M.A. Dijkman-Thoen en de heer mr. drs. A. Hazelhoff, officier van justitie. Tijdens deze zitting zijn in afwezigheid van betrokkene de juridische standpunten besproken. Deze zitting heeft ertoe geleid dat de officier van justitie een nieuw verzoek heeft gedaan.

D.d. 20 juni 2007 heeft er nogmaals een zitting plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: betrokkene, bijgestaan door haar raadsvrouwe, alsmede de heer G. Nijeboer, de heer

P. Eidhof en de heer W.J. Agelink, psychiater.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Op 14 juni 2006 is bij beschikking van de rechtbank Almelo aan betrokkene een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van één jaar. Blijkens een brief gedateerd 1 mei 2007 van de heer W.J. Agelink – gevoegd bij het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf – is betrokkene op 28 maart 2007 onderzocht door haar behandelaar (de heer Nijeboer) en de heer Agelink, waarna is geconstateerd dat zij opgenomen moest worden, omdat zij niet langer aan de voorwaarden voldeed, zoals deze waren afgesproken in het behandelplan, gevoegd bij de voorwaardelijke machtiging.

Ter zitting van 4 en 12 juni 2007 is gebleken dat de conversie, als bedoeld in artikel 14d van de Wet BOPZ, door administratieve omissies niet juist is verlopen. Op 28 maart 2007 is namelijk de voorwaardelijke machtiging geconverteerd in een voorlopige machtiging. Echter de brief van de omzetting van de heer Agelink aan betrokkene dateert van 1 mei 2007. Ingevolge artikel 14d, lid 2 van de Wet BOPZ moet de geneesheer-directeur betrokkene, uiterlijk vier dagen na zijn beslissing tot opneming, daarvan schriftelijk in kennis stellen, zodat voor betrokkene de mogelijkheid open staat de officier van justitie te verzoeken een beslissing van de rechter te vragen.

Tevens is er door de geneesheer-directeur geen afschrift van de brief tot conversie gezonden aan de officier van justitie en aan de griffier van de rechtbank, zoals vermeldt in artikel 14d, lid 2 en lid 4 van de Wet BOPZ.

Daarnaast had in de brief van 1 mei 2007 op grond van artikel 3:45 van de Algemene Wet Bestuursrecht moeten worden vermeld dat artikel 14e BOPZ het mogelijk maakt een beslissing van de rechtbank te verkrijgen. Ook aan dit voorschrift was niet voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat een administratieve omissie niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie behoeft te leiden. De rechtbank is echter in het onderhavige geval van oordeel dat er op dusdanige wijze in strijd met wettelijke bepalingen is gehandeld, dat er sprake is van schending van artikel 5 EVRM.

De rechtbank is dan ook op grond van het bovenstaande, het verhandelde ter zitting en de inhoud van de stukken van oordeel dat een voorlopige machtiging in de gegeven omstandigheden passender is. Derhalve is de officier van justitie ingevolge artikel 8a van de Wet BOPZ in de gelegenheid gesteld een passend verzoek te doen.

Op 18 juni 2007 heeft de officier van justitie een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in …… te doen voortduren gedaan.

Daarna heeft er op 20 juni 2007 voor de derde maal een zitting plaatsgevonden.

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen tot de overtuiging gekomen dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens gevaar voor zichzelf en voor een of meer anderen,dan wel voor de algemene veiligheid van personen of goederen veroorzaakt. Dit gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend.

Betrokkene geeft geen blijk van de nodige bereidheid tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank zal dan ook het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf afwijzen.

Het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging wordt toegewezen.

De beslissing

De rechtbank:

1. Wijst af het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf.

2. Verleent een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van betrokkene voor de duur van zes maanden na dagtekening van deze beschikking.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.H. Margadant, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.