Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BA6793

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
11-06-2007
Zaaknummer
06 / 796 WWB AZ1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand na vondst hennepplantage in de woning van eiseres. Inlichitngenplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 796 WWB AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. R. Oude Breuil, werkzaam bij Damsté advocaten te Enschede,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 22 mei 2006.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres ontvangt vanaf 17 december 1995 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en per 1 januari 2004 ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) berekend naar de norm van een alleenstaande.

Op 23 maart 2005 werd door de regiopolitie Twente in de woning van eiseres een hennepplantage aangetroffen. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiseres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 november 2005 van de Sociale Recherche Twente (SRT).

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres over de periode van 13 januari 2003 tot en met 23 maart 2005 herzien en de over deze periode ten onrechte ontvangen bijstand teruggevorderd ad. € 29.223,58 bruto.

Bij schrijven van 28 februari 2006 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft haar bezwaren toegelicht tijdens een hoorzitting van de Commissie Bezwaarschriften op 26 april 2006. Deze commissie heeft op 15 mei 2006 advies uitgebracht aan verweerder over de bezwaren van eiseres.

Overeenkomstig dit advies heeft verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Blijkens het beroepschrift van 27 juni 2006 heeft eiseres zich niet met dat besluit kunnen verenigen.

Verweerder heeft op 9 augustus 2006 een verweerschrift en de gedingstukken overgelegd.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 24 mei 2007, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, terwijl verweerder niet is verschenen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 22 mei 2006 in rechte in stand kan blijven.

Wettelijke kader

Met ingang van 1 januari 2004 zijn ingevolge de artikelen 1 en 2 van het Koninklijk Besluit van 10 oktober 2003 (Stb. 2003, 386, hierna: Inwerkingtredingsbesluit) de Wet werk en bijstand (WWB) en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB) in werking getreden en is ingevolge artikel 2 van het Inwerkingtredingsbesluit in verbinding met artikel 2 van de IWWB de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken, met dien verstande dat enkele bepalingen van de WWB, de IWWB en de Abw eerst op een later tijdstip in werking treden dan wel vervallen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het toepasselijke recht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 april 2005 (LJN: AT4358) hieromtrent, dat uit het ontbreken van specifieke bepalingen van overgangsrecht en uit de geschiedenis van de totstandkoming van de IWWB afgeleid moet worden dat de wetgever hantering van de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB uitdrukkelijk heeft beoogd, ook voorzover verleende bijstand betrekking heeft op de periode vóór de (inwerkingtreding van de) WWB. De CRvB ziet geen ruimte om aan deze door de formele wetgever gemaakte keuze voorbij te gaan, temeer nu hantering van deze bepalingen niet leidt tot strijd met de rechtszekerheid, nu geen sprake is van een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat dan onder het oude recht mogelijk was.

Het voorgaande betekent dat het betrokken bestuursorgaan vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening of intrekking en tot terugvordering over te gaan. Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 65 van de Abw overweegt de CRvB in voornoemde uitspraak dat in de tekst van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB (of in het overgangsrecht) weliswaar een voor de hand liggende verwijzing (ook) naar artikel 65, eerste lid, van de Abw ontbreekt, maar dat een redelijke wetsuitleg evenwel meebrengt dat artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB ook kan worden toegepast in situaties waarin het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw zich heeft voorgedaan voordat de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB is gaan gelden.

Bij de beantwoording van de vervolgens aan de orde komende vraag hoe de in de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB aan het betrokken bestuursorgaan toegekende bevoegdheden kunnen worden gehanteerd, komt betekenis toe aan de - eveneens in de rechtszekerheid haar grondslag vindende - vaste jurisprudentie van de CRvB omtrent de zogenoemde temporele werking van wetgeving, waarin de rechten en verplichtingen van een belanghebbende centraal staan.

Op grond van deze jurisprudentie dienen, indien bij verandering van wetgeving geen specifieke bepalingen van overgangsrecht zijn gegeven, de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben. Dit betekent dat wanneer een vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving gelegen datum of tijdvak (opnieuw) wordt beoordeeld, daarbij de oude bepalingen inzake rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel van toepassing blijven.

De datum waarop de intrekking, herziening en terugvordering in het onderhavige geval betrekking heeft, is deels gelegen voor de inwerkingtreding van de WWB (13 januari 2003 tot en met 31 december 2003) en deels na inwerkingtreding van de WWB (1 januari 2004 tot en met 23 maart 2005). Wat betreft de periode vanaf 15 juli 2004 stelt de rechtbank vast dat verweerder vanaf die datum van de mogelijkheid van de gefaseerde invoering van de WWB, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB, gebruik heeft gemaakt.

Gelet op de temporele werking van wetgeving dienen de rechten en verplichtingen van eiseres in casu te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben. De rechten en verplichtingen in de periode 13 januari 2003 tot en met 31 december 2003 worden dientengevolge beoordeeld naar de bepalingen van de Abw en vanaf 1 januari 2004 beoordeeld naar de bepalingen van de WWB. Uitzondering hierop is artikel 65 Abw dat van toepassing is gebleven tot 15 juli 2004, zijnde de datum van de gefaseerde invoering van de WWB. Vanaf laatstgenoemde datum tot en met 23 maart 2005 is vervolgens artikel 17 van de WWB van toepassing.

De volgende bepalingen zijn derhalve van toepassing.

In artikel 7, eerste lid, van de Abw en in artikel 11, eerste lid, van de WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In artikel 65, eerste lid, van de Abw en in artikel 17, eerste lid, van de WWB is onder meer bepaald dat de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, onder a, WWB kan het college onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening en intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet behoorlijk nakomen van onder meer de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, onder a, WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Standpunten van partijen

Verweerder stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar het onderzoek van de SRT, dat eiseres van 13 januari 2003 tot en met 23 maart 2005 een hennepplantage heeft gehad zonder dit aan verweerder te melden, dat nergens uit blijkt of en zo ja, hoeveel inkomsten daaruit zijn gegenereerd en dat hierdoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Eiseres heeft in haar gronden van beroep kort samengevat het volgende aangevoerd.

De inlichtingenplicht geldt niet voor strafbare feiten waaruit mogelijk inkomsten worden gegenereerd, omdat degene die dat doet dan wordt blootgesteld aan strafvervolging en niemand behoeft mee te werken aan zijn eigen strafvervolging.

Als de inlichtingenplicht ook geldt voor strafbare feiten, dan is de inlichtingenplicht in het geval van eiseres niet van toepassing, omdat eiseres met de hennepplantage nog geen inkomsten had gegenereerd.

Indien moet worden aangenomen dat de inlichtingenplicht ook geldt voor strafbare feiten en in casu van toepassing is, dan heeft eiseres de inlichtingenplicht slechts voor een periode van drie maanden geschonden, te weten van 23 december 2004 tot 23 maart 2005. Eiseres wijst er daarbij op dat de politierechter niet bewezen heeft geacht dat eiseres vanaf 13 januari 2003 een hennepplantage heeft gehad, terwijl verweerder dit wel bewezen acht.

Het is in strijd met het evenredigheidbeginsel, de redelijkheid en billijkheid om vanaf 13 januari 2003 de uitkering terug te vorderen, nu eiseres enkel van 23 december 2004 tot en met 23 maart 2005 een hennepplantage in haar woning heeft gehad. Eiseres heeft in verband met de hennepplantage wel kosten gemaakt maar geen inkomsten genoten. Om die reden kan enkel over die periode terugvordering plaatsvinden in verband met het schenden van de inlichtingenplicht.

Overwegingen van de rechtbank

Vaststaat dat de politie op 23 maart 2005 in de woning van eiseres een in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen. Vaststaat voorts dat eiseres het opstarten en het exploiteren van deze kwekerij niet bij verweerder heeft gemeld.

Gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft gesteld, dient te worden beoordeeld of de inlichtingenplicht in dit geval van toepassing is en zo ja, in hoeverre eiseres deze inlichtingenplicht heeft geschonden.

De rechtbank volgt eiseres niet waar zij stelt dat de inlichtingenplicht niet geldt voor het melden van strafbare feiten waaruit mogelijk inkomsten worden gegenereerd, omdat zij zich dan bloot zou stellen aan strafvervolging. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Tot 15 juli 2004 gold artikel 65 van de Abw en was het in artikel 14b, eerste lid, van de Abw neergelegde zwijgrecht van toepassing. Dit zwijgrecht had alleen betrekking op informatie die van belang was voor het boeteonderzoek, doch dit ontsloeg eiseres niet van de verplichting om - eigener beweging - informatie te verschaffen die van belang was voor het onderzoek naar de rechtmatigheid van de haar verstrekte bijstandsuitkering.

Wat betreft de inlichtingenplicht onder vigeur van de WWB stelt de rechtbank vast dat er geen artikel in de WWB is waaruit blijkt dat in het onderhavige geval melding van de hennepplantage achterwege had kunnen blijven. Al met al ziet de rechtbank niet in dat de inlichtingenplicht voor eiseres niet gold omdat het in haar geval ging om een strafbaar feit.

De rechtbank volgt eiseres evenmin waar zij stelt dat de inlichtingenverplichting in haar geval niet van toepassing is omdat zij uit de hennepkwekerij geen inkomsten heeft verkregen, zodat het niet melden van de hennepkwekerij niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Volgens vaste rechtspraak is het in gevallen als hier aan de orde aan eiseres om feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat, indien zij wel aan haar inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, verweerder niet bevoegd zou zijn geweest om het recht op bijstand over de periode in geding in te trekken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hierin niet is geslaagd. De rechtbank overweegt dienaangaande dat eiseres onmiskenbaar activiteiten heeft verricht waarmee een opbrengst kan worden gerealiseerd die een waarde vertegenwoordigt in het economisch verkeer. Eiseres heeft van deze werkzaamheden in het geheel geen boekhouding of anderszins een administratie bijgehouden aan de hand waarvan vastgesteld kan worden wanneer precies met de voorbereidende werkzaamheden is gestart, welke investeringen daarvoor zijn verricht, wanneer de hennepplanten voor de eerste maal zijn geplant alsmede of ten tijde in geding al dan niet sprake is geweest van inkomsten. De rechtbank tekent hierbij nog aan dat verweerder bij het vaststellen van de periode gedurende welke de hennepkwekerij in werking is geweest, zich heeft gebaseerd op de door eiseres tegenover de politie en de sociale recherche afgelegde verklaringen en op het water- en energieverbruik door eiseres in de periode van 13 januari 2003 tot en met 23 maart 2005. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder de periode waarover eiseres ten onrechte een bijstandsuitkering heeft ontvangen onjuist heeft vastgesteld.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de inlichtingenplicht ook in het geval van eiseres van toepassing is en dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden over de periode van 13 januari 2003 tot en met 23 maart 2005. De rechtbank verwerpt derhalve de stelling van eiseres dat de inlichtingenplicht, zo deze van toepassing is, slechts voor drie maanden is geschonden. Het feit dat de politierechter bewezen heeft geacht dat eiseres slechts gedurende deze periode een hennepkwekerij in haar woning heeft gehad en niet al vanaf 13 januari 2003, maakt dit niet anders. Verweerder is immers bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekt bijstandsuitkering niet gehouden het oordeel van de politierechter te volgen ten aanzien van het aan eiseres ten laste gelegde feit. Het staat verweerder vrij een eigen onderzoek te (laten) verrichten en zich op grond daarvan een oordeel te vormen.

In het onderhavige geval heeft verweerder zijn oordeel over de periode waarin eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden gebaseerd op het door de SRT uitgevoerde onderzoek. Uit het rapport van 4 november 2005 van de SRT, waarin de resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd, komt onder meer naar voren dat het gebruik van eiseres van elektriciteit, gas en water in de periode van 13 januari 2003 tot en met 23 maart 2005 ver boven het verbruik in een gelijkwaardige woning ligt. Voorts is in de woning van eiseres afval van hennep aangetroffen zonder dat eiseres hierover een verklaring heeft afgegeven. Voor het hoge verbruik van elektriciteit, gas en water heeft eiseres geen aannemelijke verklaring kunnen geven. Al met al ziet de rechtbank niet in dat verweerder op basis van het rapport van de SRT van 4 november 2005 er niet vanuit heeft kunnen gaan dat eiseres gedurende de hiervoor genoemde periode een hennepkwekerij in haar woning heeft gehad en dat eiseres, door dit niet te melden, de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres aan verweerder geen toereikende inlichtingen en gegevens heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, zodat verweerder bevoegd is om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan eiseres over de periode van 13 januari 2003 tot en met 23 maart 2005 verleende bijstand in te trekken. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Met het voorafgaande is tevens gegeven dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om tot terugvordering van de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Blijkens de toelichting bij de door verweerder gehanteerde beleidsregels inzake de gebruikmaking van de bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering (de rechtbank verwijst hiervoor naar de op de internetsite van de gemeente Enschede gepubliceerde Verordening Beleidsregels terugvordering en verhaal en krediethypotheek) maakt verweerder gebruik van de bevoegdheid om bijstand terug te vorderen op nagenoeg dezelfde wijze als onder de Abw. Dit betekent dat in verweerder in gevallen als het onderhavige de kosten van bijstand terugvordert, tenzij er dringende redenen zijn om daarvan af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In het voorliggende geval, waarin verweerder heeft aangenomen dat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou moeten worden afgezien, wordt vastgesteld dat verweerder heeft gehandeld overeenkomstig de beleidsregel. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van mr. H.W.A. de Jong als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2007.

Afschrift verzonden op

PA