Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BA6604

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
85766 / KG ZA 07-117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming concurrentiebeding, betaling boete € 112.280 en voorschot schadevergoeding € 25.000 onredelijk en onbillijk nu werknemer feitelijk slechts 1 1/2 maand als nationaal chauffeur bij eiser heeft gewerkt.

Het beding is onduidelijk nu de hoogte van de eventueel verbeurde boete niet duidelijk is overeengekomen: minimaal de jaarlijkse omzet van de tour, waarvan de hoogte door Artemis wordt vastgesteld. Een dergelijke ruime uitleg van een boete kan er in de praktijk toe leiden dat een werkgever torenhoge boetes in rekening brengt, welke in geen verhouding staan met de praktijk. Dit laatste doet zich ook thans voor nu Artemis een boete vordert van € 112.280,71 per persoon, dit naast een voorschot op schadevergoeding van € 25.000,- elk.

In acht nemende dat Ü slecht 1½ maand feitelijk voor Artemis werkzaam is geweest als chauffeur en Y één jaar, beiden tegen een inkomen van circa € 1.500,- bruto per maand. De vereiste schriftelijke vastlegging van het concurrentiebeding brengt met zich dat ook de hoogte van de daarin opgenomen boete duidelijk moet zijn opgenomen. Nu de hoogte van de boete niet duidelijk schriftelijk is overeengekomen en deze zoals nu geformuleerd min of meer ter vrije bepaling aan de werkgever is, is aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure het concurrentiebeding op grond hiervan zal vernietigen. De gevorderde boete zal dan ook in kort geding worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 85766 / KG ZA 07-117

datum vonnis: 30 mei 2007 (jm)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Artemis Logistic B.V.,

gevestigd te Oldenzaal,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verder te noemen Artemis,

procureur: mr. Z. Alkan,

tegen

gedaagde sub 1

wonende te Hengelo (O),

gedaagde sub 2

wonende te Oldenzaal,

gedaagde sub 3

wonende te Hengelo (O)

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gedaagde sub 1 en sub 2 verder in conventie en reconventie samen te noemen: Ü en Y,

gedaagde sub 3 in conventie en reconventie verder te noemen: A1

alle gedaagden samen te noemen in conventie en reconventie: gedaagden,

procureur: mr. S.H.G. Swennen.

Het procesverloop

Artemis heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 23 mei 2007 alwaar partijen zijn verschenen.

De standpunten zijn toegelicht. Gedaagden hebben een vordering in reconventie ingediend. Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast. Ü en Y zijn in 2006 in loondienst werkzaam geweest bij Artemis in de functie van nationaal chauffeur. Beiden hadden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, Ü voor de duur van zes maanden en Y voor de duur van één jaar. Ü heeft feitelijk maar 1½ maand werkzaamheden voor Artemis verricht. Het navolgende beding van non-concurrentie maakt deel uit van de arbeidsovereenkomst van zowel Ü als Y:

“Na uit diensttreding van de werknemer, is het de werknemer verboden gedurende twee jaar bij desbetreffende concurrent ondernemer die ook werkende voor DPD in welke loods dan ook werkzaamheden te verrichten. Als dat het geval zal zijn zal de werkgever een bedrag (minimaal het jaarlijkse omzet van dat tour) aan de werknemer door belasten die bepaald zal worden door de werkgever. Dit is ook medegedeeld aan de werknemer en is met wederzijds goedvinden akkoord bevonden door de beide partijen”.

“Werknemer is verboden gedurende drie jaar als eigen onderneming hetzelfde werk voor dezelfde opdrachtgever die zijn werkgever uitoefende, uit te gaan oefenen. Als dit het geval zal zijn, zal de werkgever aan de werknemer een bedrag doorbelasten die bepaald zal worden door de werkgever. Dit is ook medegedeeld aan de werknemer en is met wederzijds goed vinden akkoord bevonden door beide partijen”.

2. Artemis stelt dat Ü en Y het concurrentiebeding hebben overtreden. Ü en Y hebben enkele dagen na het einde dienstverband werkzaamheden verricht bij een Duitse onderneming, te weten Essing Transport uit Ahaus. Essing verricht diensten voor D.P.D. en vervolgens bij A1 Logistics te Hengelo (O) (hierna A1). Artemis vordert dan ook dat Ü en Y worden veroordeeld zich te onthouden van iedere activiteit die in strijd is met artikel 11 van de arbeidsovereenkomst, dit op straffe van een dwangsom. Tevens vordert Artemis betaling van Ü en Y van de boete ad €112.289,71 en een voorschot op de geleden en nog te lijden schade ad € 25.000,- alle bedragen per persoon. Van Ü vordert Artemis bovendien betaling van € 6.347,79 wegens ten onrechte betaald salaris vanaf 1 april 2006.

A1 is op de hoogte van het bestaan van het concurrentiebeding van Ü en Y. A1 handelt onrechtmatig jegens Artemis doordat zij willens en wetens gebruik maakt van het wanpresteren van Ü en Y. Artemis vordert dan ook van A1 zich te onthouden van gebruikmaking van de arbeid van Ü en Y op straffe van een dwangsom van

€ 25.000,-.

3. Gedaagden voeren verweer tegen de vorderingen. Voor zover van belang zal hieronder op het verweer worden ingegaan. Gedaagden vorderen in reconventie schorsing van het concurrentiebeding.

4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie worden deze hier gezamenlijk behandeld. De vorderingen van Artemis houden alle verband met het beding van non-concurrentie. De voorzieningenrechter komt dan ook eerst toe aan de vraag of dit beding werking heeft. Vast staat dat de inhoud van het beding van non-concurrentie (hierna ook: het beding) in de arbeidscontracten van Ü en Y hetzelfde zijn. De bedingen zijn rechtsgeldig overeengekomen. Gelet op de inhoud van het beding is aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure het beding in zijn geheel zal vernietigen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

Een concurrentiebeding beperkt de werknemer in zijn recht om na einde dienstverband werkzaam te zijn op gelijke wijze als hij voorheen werkzaam was. Deze beperking van het recht van een werknemer op vrijheid van arbeidskeuze brengt met zich dat het aan de werkgever is om, indien een concurrentiebeding wenselijk is, duidelijk in het concurrentiebeding op te nemen wat de beperking inhoudt, welke werkzaamheden er onder vallen en welk werkgebied het beding betreft. De inhoud van het hier besproken concurrentiebeding is op meerdere punten niet duidelijk en bovendien worden de werknemers door de lange duur van het beding in verhouding met de korte duur van het dienstverband onredelijk benadeeld. Een aan de arbeidsovereenkomst gerelateerd concurrentiebeding dient immers naar duur en omvang in een redelijke verhouding tot die overeenkomst te staan. Naar redelijkheid zal de duur van het beding de duur van de arbeidsovereenkomst niet mogen overstijgen, bijzonder voorwaarden daargelaten. Gelet hierop is de overeengekomen duur van het beding van twee jaar zowel in de situatie van U als Y onredelijk.

5. Het beding is onduidelijk nu de hoogte van de eventueel verbeurde boete niet duidelijk is overeengekomen: minimaal de jaarlijkse omzet van de tour, waarvan de hoogte door Artemis wordt vastgesteld. Een dergelijke ruime uitleg van een boete kan er in de praktijk toe leiden dat een werkgever torenhoge boetes in rekening brengt, welke in geen verhouding staan met de praktijk. Dit laatste doet zich ook thans voor nu Artemis een boete vordert van

€ 112.280,71 per persoon, dit naast een voorschot op schadevergoeding van € 25.000,- elk. In acht nemende dat Ü slecht 1½ maand feitelijk voor Artemis werkzaam is geweest als chauffeur en Y één jaar, beiden tegen een inkomen van circa € 1.500,- bruto per maand. De vereiste schriftelijke vastlegging van het concurrentiebeding brengt met zich dat ook de hoogte van de daarin opgenomen boete duidelijk moet zijn opgenomen. Nu de hoogte van de boete niet duidelijk schriftelijk is overeengekomen en deze zoals nu geformuleerd min of meer ter vrije bepaling aan de werkgever is, is aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure het concurrentiebeding op grond hiervan zal vernietigen. De gevorderde boete zal dan ook in kort geding worden afgewezen.

6. De inhoud van het beding is verder onduidelijk c.q. onvolledig nu daarin geen geografische beperking wordt genoemd, zodat het Ü en Y niet is toegestaan naast Nederland ook in Duitsland of ieder ander land werkzaamheden te verrichten voor een bedrijf die opdrachten van D.P.D. aanneemt en uitvoert. Ü en Y worden hierdoor onbillijk benadeeld.

7. Daarnaast is de voorzieningenrechter niet gebleken van enig belang bij onverkort handhaven van het onderhavige concurrentiebeding. De zin van een concurrentiebeding is voorkomen dat kennis en wetenschap van Artemis in handen komen van concurrenten. Dat Ü en Y beschikken over dergelijke kennis en wetenschap is niet gesteld of gebleken. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat Ü en Y slechts een korte periode bij Artemis werkzaam zijn geweest in de functie van chauffeur. Het doel van een dergelijk beding is niet te voorkomen dat werknemers weggaan waardoor ritten niet meer kunnen worden uitgevoerd, hiervoor is de opzegtermijn in het arbeidscontract voldoende. Dat Artemis niet op korte termijn twee nieuwe chauffeurs heeft kunnen vinden waardoor zij twee touren heeft moeten opzeggen en D.P.D. deze touren heeft toebedeeld aan een derde valt Ü en Y dan ook niet ter verwijten. Dat Artemis door toedoen van Ü en Y schade heeft geleden wordt door Ü en Y betwist en is de voorzieningenrechter niet gebleken. Van enig onrechtmatig handelen door Ü en Y jegens Artemis is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.

8. Gelet op bovenstaande overwegingen in onderling verband en samenhang is de voorzieningenrechter van oordeel dat in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever Ü en Y door het beding onbillijk worden benadeeld.

De voorzieningenrechter acht het dan ook voldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure het beding van non-concurrentie op die grond geheel zal vernietigen. Gelet hierop dienen de vorderingen in conventie hieromtrent dan ook te worden afgewezen.

De vordering in reconventie zal worden toegewezen met dien verstande dat het beding per datum van dit vonnis zal worden geschorst.

9. Artemis vordert tenslotte terugbetaling van het aan Ü betaalde loon over de periode vanaf 1 april 2006 tot aan de datum uitdiensttreding. Ü betwist iets aan Artemis verschuldigd te zijn en stelt met verwijzing naar productie 4 bij dagvaarding (verklaring van G.) dat partijen een schikking hebben getroffen. Artemis heeft haar vordering niet nader geadstrueerd. De rechtbank is van oordeel dat in kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat Artemis een vorderingsrecht heeft op Ü inhoudende terugbetaling van het loon. Ook deze vordering zal worden afgewezen.

10. Artemis zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in conventie en reconventie.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

I. Wijst de vorderingen af.

II. Veroordeelt Artemis in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 251,- aan verschotten en € 816,- aan salaris van de procureur waarvan op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te betalen aan de griffier van dit gerecht:

€ 126,- aan in debet gesteld griffierecht

€ 544,- aan het salaris van de procureur

aan de procureur van gedaagden:

€ 125,- aan niet in debet gesteld griffierecht

€ 272,- aan salaris van de procureur

III. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

IV. Schorst het tussen Artemis en Ü en Y overeengekomen beding van non-concurrentie per heden.

V. Veroordeelt Artemis in de kosten van dit geding in reconventie, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 816,- aan salaris van de procureur, waarvan op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te betalen aan:

- de griffier van dit gerecht: € 544,- en

- aan de procureur van gedaagden € 272,-.

VI. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Inden, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2007 door mr. Moes, in tegenwoordigheid van de griffier.