Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BA6290

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
04-06-2007
Zaaknummer
82458 / HA ZA 06-1219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing erfdienstbaarheid na demping sloot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 82458 / HA ZA 06-1219

datum vonnis: 30 mei 2007 (gww)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

beiden wonende te [Woonplaats],

eisers,

verder te noemen in mannelijk enkelvoud: [Eiser],

procureur: mr. E. Jacobson,

tegen

1. [Gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2],

beiden wonende te [Woonplaats],

gedaagden,

verder te noemen in mannelijk enkelvoud: [Gedaagde],

procureur: mr. J.H. Niemans.

3. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam, mede kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde,

niet verschenen.

Het procesverloop

Op 14 maart 2007 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen.

In dit tussenvonnis heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Op verzoek van partijen is de comparitie op 17 april 2007 ter plaatse gehouden aan de [Straatnaam] te [Woonplaats].

Vervolgens hebben partijen vonnis verzocht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. De inhoud van het tussenvonnis van 14 maart 2007 wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2. Voor zover ter comparitie nieuwe feiten of standpunten ter sprake zijn gekomen, blijken deze uit de overwegingen van de rechtbank.

De overwegingen van de rechtbank

3. Erfdienstbaarheden zijn uit hun aard bestemd om lange tijd te blijven bestaan. Een voorbeeld daarvan is het geschil waarover de rechtbank moet beslissen; [Eiser] en [Gedaagde] zijn immers al jaren buren van elkaar en het recht van erfdienstbaarheid bestaat minstens even lang, zo niet langer. [Eiser] en [Gedaagde] hebben zogezegd een langdurige rechtsverhouding met elkaar. Dat kan soms tot problemen leiden. Het gevestigde recht van erfdienstbaarheid blijft hetzelfde, maar de omstandigheden er omheen kunnen wijzigen.

Dat is ook het geval bij [Eiser] en [Gedaagde]. Toen in 1965 een recht van erfdienstbaarheid werd gevestigd ten behoeve van het perceel [Straatnaam] 21 en ten laste van het perceel [Straatnaam] 19, liep aan de achterkant van de percelen een sloot. Enige tijd geleden is deze sloot gedempt en is er een pad aangelegd.

De aanleg van een pad achter de woningen van partijen kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 5:78 sub a van het Burgerlijk Wetboek. Het is namelijk niet gebleken dat partijen, althans de vorige bewoners van de woningen aan de [Straatnaam], er bij het vestigen van de erfdienstbaarheid rekening mee hebben gehouden dat de sloot achter de woning wel eens gedempt zou kunnen worden. Of partijen het hadden kunnen vermoeden, doet niet ter zake; de situatie is niet geregeld.

De vraag die vervolgens rijst is of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van [Eiser] kan worden gevergd dat de erfdienstbaarheid nog langer blijft gehandhaafd.

Het antwoord op deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank gevonden worden door een afweging te maken van zowel de belangen van [Eiser] als die van [Gedaagde]. Hoewel over het algemeen bij een recht van erfdienstbaarheid het niet zo hoeft te zijn dat beide betrokken partijen belang hebben bij de erfdienstbaarheid op zich, is dat bij voornoemde vraag anders.

Voor [Eiser] is het belang hierin gelegen dat de erfdienstbaarheid op de voor hem minst bezwarende manier moet worden uitgeoefend. Vóór de demping van de sloot kon de erfdienstbaarheid niet anders worden uitgeoefend dan op de manier waarop het recht jarenlang is uitgeoefend: pal achter de achtergevel van zijn woning, via een deur naar het perceel van [Gedaagde]. Tenminste, zo is de erfdienstbaarheid feitelijk uitgeoefend. Oorspronkelijk, volgens de akte uit 1965, zou het pad naast het huis van [Eiser] rechtuit doorlopen tot achter in zijn tuin, om vervolgens langs de zuidelijke erfgrens het perceel van [Gedaagde] te bereiken. Om de erfdienstbaarheid als het ware in de oude staat te herstellen moet [Eiser] zijn tuin zó drastisch veranderen, dat dit geen reële optie is.

De belangen van [Gedaagde] zijn ook helder. Het is voor hem in ieder geval ondoenlijk om met zijn scootmobiel of vuilcontainers dwars door zijn woning te gaan om zo de [Straatnaam] te kunnen bereiken. Ook heeft [Gedaagde] een belang om via de relatief kortste route de [Straatnaam] te bereiken.

Er zijn echter een aantal omstandigheden die maken dat de belangen van [Eiser] voorrang moeten krijgen boven de belangen van [Gedaagde].

Zo kan [Gedaagde] zich naar eigen zeggen vrijelijk begeven over het nieuwe pad en kan hij het pad ook met zijn scootmobiel bereiken. De gemeente [Woonplaats] heeft zelfs een deur in de achtergevel van zijn schuur laten plaatsen en die deuropening is voldoende breed om met een scootmobiel doorheen te gaan. Via deze uitgang kan [Gedaagde] de openbare weg bereiken. De stelling van [Gedaagde] dat hij van de gemeente nergens anders dan aan de [Straatnaam] zijn vuilcontainers mag plaatsen acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk. [Gedaagde] beroept zich slechts op een (overigens niet in het geding gebrachte) brief van de gemeente hierover. Het had echter op de weg van [Gedaagde] gelegen om contact met de gemeente op te nemen en te informeren of een verzoek te doen om de vuilcontainers op een andere plek te mogen plaatsen. Dat heeft hij kennelijk niet gedaan, maar die omstandigheid moet thans voor zijn rekening blijven. Bovendien heeft de rechtbank tijdens de comparitie geconstateerd dat de vuilcontainers van [Gedaagde] allebei rondom de schuur in de achtertuin van zijn woning geplaatst zijn. Eén vuilcontainer is zelfs op het nieuwe pad geplaatst.

Op grond van bovenstaande belangenafweging kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet langer van [Eiser] gevergd worden dat de huidige erfdienstbaarheid ongewijzigd blijft bestaan en dient de erfdienstbaarheid dan ook te worden opgeheven.

Proceskostenveroordeling

4. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ten aanzien van de mede gedagvaarde ABN-Amro zullen de proceskosten worden gecompenseerd. De raadsman van [Eiser] heeft tijdens de comparitie wel meegedeeld dat [Eiser] zijn vordering tot veroordeling van ABN-Amro in de kosten van de procedure in wenst te trekken, maar dat is formeel een vermindering van eis die slechts bij akte kan worden ingesteld.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

5. [Eiser] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank zal dit afwijzen. Het opheffen van een erfdienstbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank een vordering die zich naar haar aard – bij toewijzing – niet leent voor een tenuitvoerlegging die bij voorraad zou kunnen geschieden.

De beslissing

De rechtbank:

1. heft op het bij akte van 3 september 1965 gevestigde recht van erfdienstbaarheid om via het perceel [Straatnaam] 19 te komen van en te gaan naar het perceel [Straatnaam] 21 en de openbare weg.

2. veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Eiser] begroot op € 332,87 aan verschotten en € 904,= aan salaris van de procureur.

3. compenseert de kosten van deze procedure tussen [Eiser] en ABN-Amro, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers en op 30 mei 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.