Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BA2494

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
06 / 147 REA T1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers aanvraag voor vergoeding van de opleiding Hotelmanagement afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 147 REA T1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 21 december 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft verweerder eisers aanvraag voor vergoeding van de opleiding Hotelmanagement afgewezen.

Bij brief van 29 september 2005 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Op 13 december 2005 heeft in het kader van de behandeling een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit van 21 december 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en daarbij het besluit van 24 augustus 2005 - onder gewijzigde motivering - gehandhaafd.

Bij brief van 31 januari 2006, aangevuld bij brief van 21 februari 2006, heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 21 december 2005.

De op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift zijn op 20 april 2006 aan de rechtbank toegezonden.

Bij brief van 13 september 2006 heeft verweerder gereageerd op een schrijven van de rechtbank van 17 augustus 2006.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 20 maart 2007, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn verschenen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 21 december 2005 in rechte in stand kan blijven.

Standpunten van de partijen

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 24 augustus 2005, onder gewijzigde motivering, gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder - samengevat weergegeven - het volgende overwogen. Met ingang van 1 juli 2003 geldt, met betrekking tot de financiering van reïntegratietrajecten, dat alle producten in het traject uit de door de reïntegratiebedrijven geoffreerde vaste prijs moeten worden voldaan. De financiering van scholing maakt dus onderdeel uit van de trajectprijs van het reïntegratietraject. Scholing kan vanaf dat moment alleen nog vergoed worden vanuit het reïntegratietraject. Dit betekent dat scholing niet meer apart naast een reïntegratietraject kan worden gefinancierd. Los van een reïntegratietraject kan scholing alleen nog worden vergoed indien sprake is van een expliciete baangarantie van minimaal zes maand, of wanneer scholing wordt gevolgd aan één van de bijzondere REA-scholingsinstituten. Gezien de toepasselijke wettelijke bepalingen (artikel 7b en 22 van de Wet Reïntegratie Arbeidsgehandicapten, hierna ook: Wet REA) is het niet mogelijk de opleiding Hotelmanagement te vergoeden naast het reïntegratietraject dat eiser volgt. Nu er eveneens geen sprake is van een expliciete baangarantie van minimaal zes maand, alsmede gezien het feit dat het geen scholing betreft aan één van de bijzondere REA-scholingsinstituten, is het niet mogelijk over te gaan tot vergoeding van de opleiding Hotelmanagement.

Eiser kan zich niet verenigen met de inhoud van het bestreden besluit en voert daartoe - samengevat weergegeven - het volgende aan. Volgens eiser heeft het bestreden besluit een onjuiste wettelijke grondslag. Het bestreden besluit is onder meer genomen op grond van artikel 7b van de Wet REA. Voor zover eiser heeft kunnen nagaan bestaat er geen artikel 7b van de Wet REA. Nu een volstrekt onjuiste wettelijke grondslag is genoemd kan het bestreden besluit reeds hierom niet in stand blijven. Eiser meent dat hij op grond van artikel 22 van de Wet REA recht heeft op vergoeding van de kosten van scholing. Verweerder noemt geen nadere ministeriële regeling, waaruit blijkt dat met ingang van 1 juli 2003 scholingskosten alleen nog maar in het kader van een reïntegratietraject kunnen worden gefinancierd. De enkele opmerking dat dit sedert 1 juli 2003 zo zou zijn is volstrekt onvoldoende. Voorts stelt eiser dat hem door de gekozen financieringswijze van reïntegratietrajecten een reële mogelijkheid tot scholing wordt onthouden. Dit klemt te meer daar eiser in het geheel geen zeggenschap heeft gehad in de keuze van het reïntegratiebedrijf. Eiser meent dat de beperking die verweerder in de scholingsmogelijkheden in het kader van de Wet REA heeft aangebracht in strijd zijn met de wet. Daarnaast constateert eiser dat verweerder geen enkel initiatief heeft genomen om te bevorderen dat de door hem gevraagde scholing via de weg van het reïntegratietraject aan hem ter beschikking wordt gesteld. Eiser meent dat het op de weg van verweerder had gelegen om hem de juiste weg te wijzen, in plaats van het door hem gevraagde af te wijzen met als aanvankelijke weigeringsgrond dat de opleiding te kniebelastend zou zijn. Gelet op het vorenstaande stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat het bestreden besluit bovendien onvoldoende is gemotiveerd. Reeds hierom kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Eiser meent dat, nu hij door de onzorgvuldige handelwijze van verweerder ernstig in zijn belangen is geschaad, verweerder de kosten voor de scholing alsnog dient te vergoeden.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat eiser in het beroepschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert. Verweerder merkt op dat eisers stelling dat er geen artikel 7b van de Wet REA bestaat juist is. Bedoeld is in het bestreden besluit te verwijzen naar artikel 7b van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA van 12 mei 1998, Stb 293, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 23 december 2004, Stb. 730 (hierna: het Besluit). Verweerder heeft de rechtbank verzocht om het bestreden besluit in die zin gewijzigd te lezen.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank dient zich allereerst uit te laten over verweerders verzoek om het bestreden besluit gewijzigd te lezen in die zin dat niet wordt verwezen naar artikel 7b van de Wet REA, maar naar artikel 7b van het Besluit. De rechtbank honoreert dit verzoek en zal derhalve het besluit aldus gewijzigd lezen, nu zij van oordeel is dat sprake is van een kennelijke verschrijving bij het op schrift stellen van het genomen besluit en het bovendien niet tot een andere materiële uitkomst leidt dan in het bestreden besluit is neergelegd. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat eiser hierdoor niet in zijn (processuele) belangen is geschaad. Vorenstaande in ogenschouw nemende volgt de rechtbank eiser dan ook niet in zijn betoog dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat verweerder in het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft verwezen naar artikel 22 van de Wet REA. Bovendien zien de overwegingen onder het kopje “Heroverweging” niet enkel op artikel 22 van de Wet REA, doch ook op het bepaalde in artikel 7b van het Besluit.

Op grond van artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet REA kan verweerder bij wijze van voorziening een vergoeding voor scholing of opleiding (scholingsvoorziening) verstrekken aan arbeidsgehandicapten, bedoeld in artikel 10 van de Wet REA. Voornoemde bepaling schept op zich zelf geen afdwingbare aanspraak op een bepaalde voorziening, maar verleent aan verweerder een discretionaire bevoegdheid.

Ter zake daarvan schrijft artikel 22, zevende lid, van de Wet REA voor dat nadere regels worden gesteld. De regels als bedoeld in artikel 22, zevende lid, van de Wet REA zijn neergelegd in het Besluit. Bij besluit van 4 november 2003 (Stb. 2003, nr. 463) is het Besluit op een tweetal punten aangepast. Artikel 7b en artikel 7c zijn toegevoegd. Deze artikelen zijn met terugwerkende kracht per 1 juli 2003 in werking getreden. In artikel 7b, eerste lid, van het Besluit is - voor zover van belang - bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet REA, niet worden verstaan opleiding of scholing of de vergoeding van kosten daarvan ten behoeve van de arbeidsgehandicapte aan wie verweerder werkzaamheden ter bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet REA, aanbiedt of heeft aangeboden, terwijl die werkzaamheden worden verricht door een natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert. Met dit laatste wordt, kort gezegd, geduid op de situatie waarin de betrokkene een reïntegratietraject is aangeboden, dat wordt uitgevoerd door een reïntegratiebedrijf.

De rechtbank merkt voorts op dat de in artikel 22 van de Wet REA aan verweerder toegekende discretionaire bevoegdheid met zich brengt dat de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik maakt in rechte terughoudend moet worden getoetst. Dit betekent dat de rechtbank slechts heeft te beoordelen of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met geschreven of ongeschreven recht.

De Nota van Toelichting bij artikel 7b, eerste lid, van het Besluit vermeldt dat met ingang van 1 juli 2003, met het oog op de gewenste resultaatsfinanciering van reïntegratieactiviteiten, reïntegratietrajecten door verweerder zo worden gefinancierd dat alle producten in het traject uit de door de reïntegratiebedrijven geoffreerde vaste prijs moeten worden voldaan. In het reïntegratietraject worden de mogelijkheden van de cliënt tot het verkrijgen van arbeid behouden, hersteld of bevorderd door diverse activiteiten, zoals beroepskeuze, scholing of opleiding en ondersteuning bij bemiddeling en plaatsing en nazorg. Omdat het reïntegratiebedrijf de nodig geachte scholing van een cliënt kan aanbieden en deze via de door het bedrijf zelf geoffreerde trajectprijs vergoed krijgt, is artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet REA voor cliënten die deelnemen aan een reïntegratietraject overbodig geworden. Daarom is in het nieuwe artikel 7b van het Besluit bepaald dat onder voorzieningen als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel a, van de Wet REA niet worden verstaan opleiding of scholing of de vergoeding van kosten daarvan ten behoeve van arbeidsgehandicapten aan wie verweerder een reïntegratietraject aanbiedt of heeft aangeboden.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat Reïntegratiebedrijf Agens in september 2004 een plaatsingsplan heeft opgesteld waarbij in het trajectplan de bemiddelingsactiviteiten ten behoeve van eiser zijn aangegeven. Bij de opstelling van het trajectplan en de vaststelling van de trajectplan heeft als uitgangspunt gegolden dat eiser op relatief snelle wijze zou kunnen worden gereïntegreerd. In het trajectplan zijn geen scholingsactiviteiten aangegeven. Eiser is bij de totstandkoming van het plan betrokken geweest en heeft dit geaccordeerd.

In de loop van de uitvoering van het trajectplan is het aspect scholing aan de orde gekomen. In juli 2005 is een aanvraag ingediend om met behoud van de uitkering ingevolge de Ziektewet een opleiding Hotelmanagement te volgen. Daartoe is door het reïntegratiebedrijf een scholingsplan opgesteld. Uit dit scholingsplan - en ook uit de overigens in het dossier bevindende stukken - blijkt dat eiser in eerste instantie voornemens was om de kosten van de opleiding voor eigen rekening te nemen. Doordat eisers financiële situatie nadien is gewijzigd bleek hij niet meer in staat om de opleidingskosten zelf te dragen en heeft hij om vergoeding van deze kosten gevraagd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze aanvraag voor vergoeding in redelijkheid kunnen afwijzen. Uit het vorenoverwogene volgt dat de kosten voor het volgen van een opleiding in beginsel alleen kunnen worden vergoed vanuit (de trajectprijs van) het reïntegratietraject. In het kader van het reïntegratietraject is geen vorm van scholing aangeboden, omdat scholing (aanvankelijk) niet noodzakelijk werd geacht. De in artikel 7b, derde lid, van het Besluit opgenomen uitzondering, te weten het volgen van scholing of een opleiding aan een REA-scholingsinstituut, doet zich in het onderhavige geval niet voor.

Voor zover eiser betoogt dat hem door de gekozen financieringswijze van reïntegratietrajecten een reële mogelijkheid tot scholing wordt onthouden en dat de beperking die verweerder in de scholingsmogelijkheden in het kader van de Wet REA heeft aangebracht in strijd zijn met de wet, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Scholing of opleiding blijft immers mogelijk aan voormelde speciale opleidingsinstituten of binnen een reïntegratietraject, indien de noodzaak daarvoor aanwezig is geacht. Gelet op de hiervoor vermelde bepalingen en de Nota van Toelichting bij artikel 7b van het Besluit kan niet worden gezegd dat de regelgever met de nadere regels over de financiering van het reïntegratietraject in artikel 7b van het Besluit buiten de grondslag is getreden van de hem in 22, zevende lid, van de wet verleende opdracht. Naar in het voorgaande mede ligt besloten ziet de rechtbank ook niet in dat artikel 7b van het Besluit strijdt met een regel van geschreven of ongeschreven recht. Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd leidt niet tot een andersluidend oordeel. Het verwijt van eiser dat verweerder hem eerder en beter had moeten informeren kan er niet toe leiden dat er alsnog recht op een vergoeding ontstaat. Niet gebleken is dat verweerder aan eiser hieromtrent toezeggingen heeft gedaan.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. C. Verdoold, in tegenwoordigheid van I.A.M. Booijink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2007.

Afschrift verzonden op 6 april 2007

PA