Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:BA2314

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
08/771388-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart bewezen dat het aan de schuld van verdachte, een beginnnde bestuurder, te wijten is dat hij met de auto in botsing kwam met een hem tegemoetkomende auto, als gevolg waarvan de bestuurder daarvan werd gedood. Verdachte was nog onder invloed van de alcohol die hij de avond ervoor had gedronken en reed in de mist bij schemer met te hoge snelheid op de verkeerde weghelft. Zijn onwetendheid over de aanwezigheid van alcohol de ochtend na het drinken levert geen schulduitsluitingsgrond op. Dat verdachte het rijbewijs voor zijn werk nodig heeft, is voor de rechtbank, gelet op de ernst van het feit, geen reden om slechts een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 4 weken gevangenisstraf voorwaardelijk, 150 uur werkstraf en 12 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2007/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 771388-06.

STRAFVONNIS

Uitspraak: 30 maart 2007.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1986,

wonende te [adres],

terechtstaande terzake dat:

1. hij op of omstreeks 18 december 2006 te Weerselo, gemeente Dinkelland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij (aanmerkelijk) onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat door hem bestuurde motorrijtuig gereden op de Bornsestraat, terwijl het zicht op dat moment (ernstig) werd belemmerd door mist en/of terwijl het op dat moment schemerig was, en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) gereden met een snelheid die - gelet op de bovenomschreven omstandigheden - (veel) te hoog was en/of heeft hij, verdachte, dat door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehad en/of is hij, verdachte, niet voortdurend in staat geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en/of heeft hij, verdachte, onvoldoende gelet op de weg vóór hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en/of heeft hij, verdachte, niet behoorlijk het verloop van het voor hem bestemde weggedeelte van die weg gevolgd en/of is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig op de – gezien verdachtes rijrichting - linkerweghelft gaan rijden en/of gekomen en/of is hij, verdachte, (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een tegemoetkomend motorrijtuig (bestuurd door [slachtoffer]) gereden en/of gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, althans zwaar lichamelijk letsel bekwam, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

a.

hij op of omstreeks 18 december 2006 te Weerselo, gemeente Dinkelland als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 535 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

en/of

b.

hij op of omstreeks 18 december 2006 te Weerselo, gemeente Dinkelland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de Bornsestraat,

terwijl het zicht op dat moment (ernstig) werd belemmerd door mist en/of terwijl het op dat moment schemerig was, heeft gereden met een snelheid die - gelet op de bovenomschreven omstandigheden - (veel) te hoog was en/of dat door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of niet voortdurend in staat is geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en/of onvoldoende heeft gelet op de weg vóór hem en/of op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en/of niet behoorlijk het verloop van het voor hem bestemde weggedeelte van die weg heeft gevolgd en/of met dat door hem bestuurde motorrijtuig op de - gezien verdachtes rijrichting - linkerweghelft is gaan rijden en/of gekomen en/of (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een tegemoetkomend motorrijtuig (bestuurd door [slachtoffer]) is gereden en/of gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen – die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen – waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 december 2006 te Weerselo, gemeente Dinkelland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij aanmerkelijk onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met dat door hem bestuurde motorrijtuig gereden op de Bornsestraat, terwijl het zicht op dat moment ernstig werd belemmerd door mist en terwijl het op dat moment schemerig was, en heeft hij, verdachte, daarbij gereden met een snelheid die - gelet op de bovenomschreven omstandigheden - te hoog was en heeft hij, verdachte, dat door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehad en is hij, verdachte, niet voortdurend in staat geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en heeft hij, verdachte, onvoldoende gelet op de weg vóór hem en op mogelijke weggebruikers op die weg vóór hem en heeft hij, verdachte, niet behoorlijk het verloop van het voor hem bestemde weggedeelte van die weg gevolgd en is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig op de – gezien verdachtes rijrichting - linkerweghelft gekomen en is hij, verdachte, vervolgens met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een tegemoetkomend motorrijtuig (bestuurd door [slachtoffer]) gereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

"Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid",

strafbaar gesteld bij artikel 175 van die wet;

Namens verdachte heeft zijn raadsvrouw ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, aangevoerd:

Cliënt heeft niets gemerkt van eventuele nawerking van alcohol “the day after”.

Dat was hem ook, evenals bij het brede publiek, onbekend en dat blijkt wel uit de onlangs op maandagmorgen 5 maart 2007 door de politie Twente gehouden alcoholverkeerscontrole. Men weet het gewoon niet. Had cliënt het kunnen weten?

Ik heb gezocht op internet, maar ik heb daarover niets kunnen vinden. De conclusie dient dan ook te zijn dat het cliënt niet kan worden aangerekend. Er is geen sprake van bewuste schuld en het is nog maar de vraag of het alcoholgehalte invloed heeft gehad op het rijgedrag. Dat is niet aangetoond.

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, tot een werkstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 9 maanden met aftrek.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft in de vroege, nog schemerige ochtend van maandag 18 december 2006 een personenauto bestuurd over de Bornsestraat te Weerselo in de gemeente Dinkelland.

Hij is alstoen in aanrijding gekomen met een hem tegemoetkomende personenauto, bestuurd door [slachtoffer], die tengevolge van deze aanrijding het leven heeft verloren.

Verdachte, die beginnend bestuurder is, was bekend met de verkeersituatie ter plaatse, aangezien hij, naar eigen zeggen, al enkele maanden dagelijks over deze weg reed. Hij woont aan deze weg.

Verdachte reed op dat moment met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, zijnde de toegestane maximumsnelheid ter plaatse.

Vast staat dat het die bewuste ochtend mistig was, waardoor het zicht ernstig werd belemmerd, zoals is verklaard door de verbalisant Van der Laan in zijn op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Ook de schemer is daarbij een zichtbelemmerende factor.

Vast staat ook dat verdachte verkeerde onder een aanmerkelijke invloed van alcohol.

Bij de bij verdachte afgenomen blaastest, die op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden, werd een ademalcoholgehalte vastgesteld van 535 microgram.

Die blaastest heeft die bewuste dag om 9.45 uur plaatsgevonden.

Feitelijk had die blaastest ongeveer twee uur eerder afgenomen kunnen worden hetgeen, anders dan namens verdachte is aangevoerd, zou hebben geleid tot een (nog) hoger ademalcoholgehalte, immers heeft het lichaam van verdachte thans ongeveer twee uren meer tijd gehad in het lichaam aanwezige alcohol af te breken.

De enkele omstandigheid dat verdachte de avond voorafgaand aan de aanrijding een (kennelijk forse) hoeveelheid alcoholhoudende drank (bier) heeft genuttigd en hij na meerdere uren te hebben geslapen in de veronderstelling verkeerde dat de alcohol uit zijn lichaam zou zijn, kan daar niet aan afdoen en komt ook geheel voor rekening en risico van verdachte.

De enkele opmerking dat verdachte dienaangaande onwetend was, levert ook geen schulduitsluitingsgrond op.

Dat de benodigde tijd om alcohol af te breken toeneemt naarmate meer alcohol gebruikt is, is naar het oordeel van de rechtbank een feit van algemene bekendheid.

Ook zogenaamde “restalcohol” is alcohol.

De rechtbank deelt de opvatting van de raadsvrouw niet.

Vast staat ook, zoals blijkt uit de opgemaakte verkeersongevallenanalyse, dat de aanrijding plaatsvond op de, gezien de rijrichting van verdachte, linker weghelft.

Die vaststaande verkeersomstandigheid heeft verdachte niet waargenomen en hij was ten onrechte in de veronderstelling, zoals hij zelf heeft verklaard, dat hij op de voor hem bestemde weghelft reed.

Gelet op het bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien heeft verdachte zich zodanig gedragen dat het aan schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank en dat tengevolge daarvan een medemens het leven heeft verloren.

Met betrekking tot het opleggen van na te melden ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de rechtbank nog in het bijzonder overwogen:

Verdachte is als beginnend bestuurder ernstig te kort geschoten in zijn verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer. De omstandigheden waaronder dat is gebeurd rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een langere ontzegging van de rijbevoegdheid dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft ook ter terechtzitting op oprecht aandoende wijze zijn spijt betuigd en hij is niet eerder met justitie in aanraking geweest.

Namens verdachte is verzocht, zo er een veroordeling mocht komen, een geheel voorwaardelijke ontzegging op te leggen, aangezien verdachte broodrijder is en hij bij een onvoorwaardelijke ontzegging zijn baan zal verliezen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter voor een feit, zoals in deze zaak bewezen is verklaard, niet worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Dat zou een miskenning van de ernst en de gevolgen van dat feit zijn.

Wel zal, gelet op die eerder genoemde persoonlijke omstandigheden, de rechtbank een deel daarvan voorwaardelijk doen zijn, mede teneinde verdachte er van te weerhouden in de toekomst soortgelijke verkeersmisdrijven te plegen.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c,22c, 22d, 27 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het primair tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot:

Een gevangenisstraf voor de tijd van vier (4) weken.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 150 uren,

met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen.

Bepaalt, dat bij de uitvoering van de werkstraf, voor de tijd door veroordeelde in verzekering doorgebracht (te weten 1 dag), 2 uren in mindering worden gebracht, zodat 148 uren resteren, subsidiair 74 dagen vervangende hechtenis.

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf (12) maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs overeenkomstig artikel 179 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of is geweest.

Beveelt dat van deze bijkomende straf een gedeelte groot zes (6) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Teekman, voorzitter, mr. Bloebaum en mr. Groener, rechters, in tegenwoordigheid van Feijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 maart 2007.