Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:AZ9300

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
04 / 551 BESLU AZ1 A, 04 / 578 BESLU AZ1 A, 04 / 608 BESLU AZ1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of de bestreden besluiten, waarbij verweerder de bezwaren van eisers tegen het vaarverbod voor alle vaartuigen in het kanaalpand Hengelo-Enschede van de Twenthekanalen van 19 november 2003 ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kunnen worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummers: 04 / 551 BESLU AZ1 A

04 / 578 BESLU AZ1 A

04 / 608 BESLU AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 23 februari 2007

in de geschillen tussen:

1. Sesam B.V., gevestigd te Enschede,

2. Inter Metals B.V., gevestigd te Enschede,

3. Handelmaatschappij Oliko B.V., gevestigd te Enschede,

4. Beton Centrale Twenthe B.V., gevestigd te Hengelo

5. [eiser 5] Handel- en Transportmaatschappij, gevestigd te [plaats],

6. V.O.F. [eiser 6], gevestigd te [plaats], eisers,

gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder d.d. 10 mei 2004.

2. De feiten en het verloop van de procedures

In de nacht van 22 op 23 augustus 2003 heeft een grote brand gewoed op het terrein van bandenfabriek Vredestein B.V. aan de Ir. E.L.C. Schiff Sr. Straat 370 te Enschede. Bij het blussen van deze brand is veel verontreinigd bluswater in het derde pand, Hengelo-Enschede, van het kanaal Zutphen-Enschede van de Twentekanalen gestroomd, waardoor een ernstige verontreiniging van het water en de waterbodem van dit kanaalpand is ontstaan. Teneinde verdere verspreiding van deze verontreiniging te voorkomen en nader onderzoek te kunnen verrichten naar de water- en waterbodemkwaliteit, zijn op grond van artikel 10 van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) en de verwachting dat de maatregelen korter dan 13 weken zouden duren, enkele tijdelijke maatregelen genomen.

Op 23 augustus 2003 is de sluis bij Hengelo gesloten voor de scheepvaart. Op 24 augustus 2003 is door middel van het tonen van twee boven elkaar geplaatste rode lichten, als bedoeld met het teken A.1 van bijlage 7, van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) het doorvaren van de sluis bij Hengelo in het kanaal verboden. Op 27 augustus 2003 is tussen km 45,100 en km 49,800 een vaarverbod voor alle vaartuigen afgekondigd door middel van het tonen van twee boven elkaar geplaatste rode lichten, als bedoeld met het teken A.1 van bijlage 7, van het BPR. Deze maatregelen zijn middels de scheepvaartberichtgeving bekendgemaakt.

De omstandigheden die tot de tijdelijke aanbrenging van verkeerstekens leidden, waren van langere duur dan 13 weken.

Bij beschikking van 15 oktober 2003 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat op grond van de Wet bodembescherming (Wbb) besloten, kort gezegd, dat de waterbodem van het hiervoor genoemde gedeelte van het kanaal Zutphen-Enschede dient te worden gesaneerd. Hierbij is onder meer het volgende voorschrift opgenomen:

“7.3 Gefaseerde sanering

De waterbodemsanering wordt uitgevoerd in twee fases:

1e fase: omvat de sanering van de waterbodem, direct grenzend aan de locatie Vredestein (binnen de compartimentering);

2e fase: bevat de sanering van de waterbodem, het oppervlaktewater en het zwevende stof in de overige kanaaldelen, alsmede de sanering van het oppervlaktewater direct grenzend aan Vredestein (binnen de compartimentering)”

Bij besluit van 19 november 2003 heeft verweerder op grond van artikel 12 van het BABS besloten het in-, uit- en doorvaren met alle vaartuigen, zoals bedoeld met het teken A.1 van bijlage 7 van het BPR op het pand Hengelo-Enschede, tussen km 45,100 en km 49,800 van het kanaal Zutphen-Enschede van de Twenthekanalen te verbieden. Dit verbod is van kracht tot de sanering is afgerond of zoveel eerder als mogelijk is en de scheepvaart weer op een, volgens het bevoegd gezag, verantwoorde wijze kan plaatsvinden. Het besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 19 november 2003 (Strct. 2003, nr. 224).

Tegen dit besluit heeft mr. M.H. Blokvoort, voornoemd, op 24 december 2003 namens eisers bezwaar gemaakt.

Op 6 februari 2004 heeft verweerder het besluit van 19 november 2003 in zoverre gewijzigd dat het vaarverbod niet langer geldt voor door spierkracht voortbewogen schepen. Voor het overige bleef het vaarverbod van kracht. Dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 6 februari 2004 (Stcrt. 2004, nr. 25).

Eisers zijn op 9 februari 2004 omtrent hun bezwaren gehoord.

Op 2 mei 2004 is het kanaalpand weer voor alle scheepvaart opengesteld.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder op de daarin vervatte gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Blijkens de namens hen ingediende beroepschriften kunnen eisers zich niet met de bestreden besluiten verenigen.

Eisers hebben diverse malen verzocht om uitstel voor het indienen van beroepsgronden in verband met de door hen ingediende verzoeken om schadevergoeding op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat van 1 september 1999, Stcrt. 1999, nr. 172 (RNVW 1999). Deze verzoeken heeft de rechtbank telkenmale toegewezen.

Op 27 april 2005 heeft een inlichtingencomparitie door de rechtbank plaatsgevonden met betrekking tot de stand van zaken in de procedures en het formuleren van de gronden van de beroepen.

Op 30 juni 2006 hebben eisers de gronden van hun beroepen ingediend.

Verweerder heeft op 13 september 2006 een verweerschrift ingediende met betrekking tot de beroepen van eisers.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 februari 2007, waar voor eisers is verschenen F.A. Weghorst (namens Handelmaatschappij Oliko B.V.), bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Sprinkhuizen en J. Jongman, beiden werkzaam bij Rijkswaterstaat Oost- Nederland te Arnhem.

3. Overwegingen

In deze gedingen ziet de rechtbank zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of eisers een processueel belang hebben bij hun beroepen. Verweerder stelt dat dit belang niet (meer) aanwezig is nu het vaarverbod met ingang van 2 mei 2004 is opgeheven en een eventuele schadevergoeding voor eisers in een ander procedureel kader voldoende wordt gewaarborgd.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat eisers wel een processueel belang hebben bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van de bestreden besluiten met het oog op een eventuele toekomstige procedures ter verkrijging van schadevergoeding. Daaraan doet niet af dat het vaarverbod in kwestie reeds is opgeheven. De omstandigheid dat er tevens procedures van eisers aanhangig zijn ter verkrijging nadeelcompensatie brengt niet met zich mee dat zij geen belang meer hebben bij de onderhavige beroepen. De nadeelcompensatieprocedures betreffen immers op zichzelf staande procedures die zien op vergoeding van schade ten gevolge van een rechtmatige uitoefening door of namens verweerder van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak. Eisers zijn derhalve ontvankelijk in hun beroepen.

In geschil is de vraag of de bestreden besluiten, waarbij verweerder de bezwaren van eisers tegen het vaarverbod voor alle vaartuigen in het kanaalpand Hengelo-Enschede van de Twenthekanalen van 19 november 2003 ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kunnen worden gelaten.

Eisers kunnen zich blijkens het namens hen ingediende beroepschrift niet met het vaarverbod van 19 november 2003 verenigen. Hun bezwaren betreffen drie aspecten:

1. de naar hun mening onduidelijke wettelijke grondslag van het vaarverbod;

2. de duur van het vaarverbod;

3. de schade van de ondernemers als gevolg van het vaarverbod.

Deze drie aspecten zullen hierna afzonderlijk aan de orde worden gesteld.

Wettelijke grondslag van het vaarverbod

Ingevolge artikel 10 van het BABS kunnen zonder verkeersbesluit door het bevoegd gezag in de hierna genoemde omstandigheden en voor de duur van die omstandigheden verkeerstekens die een gebod of een verbod dan wel de opheffing van een gebod of een verbod aangeven, worden aangebracht ingeval van:

a. uitvoering van werken,

b. dreigend gevaar, of

c. een andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard.

Artikel 12 BABS bepaalt dat in afwijking van artikel 10 BABS de tijdelijke aanbrenging krachtens een verkeersbesluit geschiedt indien de omstandigheden die tot de tijdelijke aanbrenging leiden van langere duur zijn dan dertien weken dan wel zich regelmatig voordoen.

Artikel 5 van het BABS bepaalt dat de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval vermeldt welke doelstelling of doelstellingen met het besluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet (Svw) genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Svw kan een verkeersbesluit worden genomen in het belang van het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen.

Op grond van het bepaalde in artikel 6 van het BABS voert het bevoegde gezag bij de voorbereiding van een verkeersbesluit overleg met de bij dat besluit belanghebbende openbare lichamen en instellingen.

Namens eiser wordt gesteld dat het onderhavige tijdelijke verkeersbesluit alleen is toegestaan op grond van artikel 10 van het BABS, juncto artikel 12 van het BABS in de gevallen die zijn opgesomd in artikel 10 van het BABS, te weten:

a. uitvoering van werken;

b. dreigend gevaar, of

c. een andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard.

In hun bezwaarschrift hebben eisers reeds naar voren gebracht dat artikel 10 van het BABS niet in het primaire besluit van 19 november 2003 is genoemd, hetgeen zij in strijd achten met artikel 3:47 van de Awb. Voorts is niet aangegeven welke in dat artikel genoemde reden aan het besluit ten grondslag ligt. In de bestreden besluiten wordt volgens eisers door verweerder niet onderkend dat artikel 10 van het BABS van toepassing is. Verweerder stelt zich naar de mening van eisers ten onrechte op het standpunt dat artikel 10 van het BABS slechts geldt voor maatregelen en niet voor verkeersbesluiten in de zin van de Svw.

Eisers merken op dat artikel 10 van het BABS voorziet in de mogelijkheid om tijdelijke verkeerstekens te plaatsen zonder verkeersbesluit. Op grond van artikel 12 van het BABS dient deze tijdelijke aanbrenging van verkeerstekens krachtens een verkeersbesluit te geschieden indien de aanbrenging langer duurt dan 13 weken, hetgeen in casu het geval is geweest. Nu verweerder bij de bestreden besluiten heeft laten weten dat artikel 10 van het BABS niet van toepassing is, terwijl dit volgens eisers wel het geval was, heeft verweerder naar de mening van eisers het primaire besluit en de besluiten op bezwaar ten onrechte niet aan artikel 10 van het BABS getoetst, zodat beide besluiten in hun ogen in strijd zijn met artikel 3:47 van de Awb.

Verder wordt in het beroepschrift nog opgemerkt dat verweerder in het primaire besluit in het geheel niet is ingegaan op de vraag of, nadat een of meer fasen van de sanering zijn voltooid, zich nog wel omstandigheden zouden voordoen die op grond van artikel 10 van het BABS rechtvaardigen dat een vaarverbod geldt. Ook om die reden kunnen volgens eisers de bestreden besluiten, evenals het primaire besluit, niet in stand worden gelaten.

In de eerste plaats merkt de rechtbank op dat het kanaal Zutphen-Enschede van de Twenthekanalen een scheepvaartweg is in beheer van het Rijk, zodat verweerder op grond van artikel 2, eerste lid, onder a.1º, van de Svw bevoegd was het besluit van 19 november 2003 te nemen, hetgeen ook in dat besluit is aangegeven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het verweerschrift zich terecht op het standpunt stelt dat het vaarverbod van 19 november 2003 moest worden genomen op grond van artikel 12 van het BABS, dat bepaalt dat de tijdelijke aanbrenging van verkeerstekens geschiedt krachtens een verkeersbesluit in de zin van de Svw indien de omstandigheden die tot de tijdelijke aanbrenging leiden van langere duur zijn dan dertien weken, hetgeen in casu het geval was. Dit wettelijke voorschrift en de reden voor de toepassing ervan zijn ook vermeld in het besluit van verweerder van 19 november 2003, zoals dat is gepubliceerd in Staatscourant 2003, nr. 224. De grond voor het verkeersbesluit is gelegen in het belang genoemd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Svw, te weten het belang van het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding. Daarmee is voldaan aan het motiveringsvereiste van artikel 5 van het BABS. Verder is overeenkomstig artikel 6 van het BABS bij de voorbereiding van het verkeersbesluit overleg gevoerd met de gemeente Enschede, de gemeente Hengelo, de provincie Overijssel, het Korps Landelijke Politiediensten en K.S.V. Schuttevaer.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het in geding zijnde vaarverbod berust op een juiste wettelijke grondslag. Nu deze wettelijk grondslag in het bij de bestreden besluiten gehandhaafde verkeersbesluit van 19 november 2003 is vermeld, is er geen sprake van strijd met artikel 3:47, tweede lid, van de Awb, waarbij is bepaald dat bij de motivering van het besluit zo mogelijk wordt vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen.

De duur van het vaarverbod

Eisers stellen zich - kort gezegd - op het standpunt dat zij door het vaarverbod zodanig ernstig in hun belangen zijn getroffen dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet tot zijn besluit van 19 november 2003 had kunnen komen. Met name door in dat besluit geen specifieke omschrijving van de tijdsbepaling van het vaarverbod te geven, bijvoorbeeld door voor de duur van het vaarverbod aan te sluiten bij de fase(n) van de sanering, is volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de ondernemers.

De rechtbank kan eisers hierin niet volgen. In het besluit van 19 november 2003 is vermeld dat het verbod van kracht is tot de sanering is afgerond of zoveel eerder als mogelijk is en de scheepvaart weer op een volgens het bevoegd gezag verantwoorde wijze kan plaatsvinden. Op grond van artikel 12 juncto artikel 5 van het BABS was verweerder niet gehouden om in het verkeersbesluit een specifiekere aanduiding van de tijdsduur van het vaarverbod op te nemen.

Verder is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat het vaarverbod langer heeft geduurd dan voor de sanering noodzakelijk was doordat in het besluit van 19 november 2003 geen specifieke tijdsduur van het vaarverbod is opgenomen. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de gemachtigde van eisers desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat eisers het belang van het instellen van een vaarverbod met het oog op de sanering van het kanaalpand voor de duur van de 1e fase tot en met 13 december 2003 niet betwisten, zodat slechts in geschil is of verweerder het vaarverbod tot die fase had moeten beperken.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder met betrekking tot de duur van het vaarverbod opgemerkt dat de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat met het oog op de sanering op 15 oktober 2003 een beschikking op grond van de Wbb heeft genomen. De saneringswerkzaamheden zouden in fasen worden uitgevoerd, maar daarbij kon niet op voorhand worden aangegeven hoeveel tijd de sanering zou kosten. Gedurende de uitvoering van de sanering heeft volgens verweerder echter voortdurend een afweging plaatsgevonden of het geheel of gedeeltelijk gesloten houden van het kanaalpand nog noodzakelijk was. Na evaluatie van de onderzoeksresultaten van de 1e fase van de sanering is geconstateerd dat het vaarverbod nog niet kon worden opgeheven omdat het water onder andere niet geschikt was voor de functie van het kanaal als drinkwatervoorziening, waardoor eerst het doorspoelen en uitdunnen van het water noodzakelijk was. Zodra vaststond dat de sanering van de waterbodem zodanig was gevorderd dat het pand niet meer afgesloten behoefde te blijven voor door spierkracht voortbewogen schepen is het vaarverbod op 6 februari 2004 gedeeltelijk opgeheven. Op 2 mei 2004 was de sanering afgerond en is het kanaalpand weer voor alle scheepvaart opengesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om hetgeen verweerder in het verweerschrift heeft opgemerkt met betrekking tot de voortgang van de sanering voor onjuist te houden. Door het voortdurend nemen van water(bodem)-monsters en het analyseren van de gegeven, waarbij steeds werd afgewogen of het vaarverbod kon worden opgeheven, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingespannen om de vaarwegfunctie zo spoedig mogelijk te herstellen. Ook anderszins heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het vaarverbod langer heeft geduurd dan voor de saneringswerkzaamheden strikt nodig was. Hetgeen namens eisers in beroep naar voren is gebracht heeft de rechtbank niet tot een andere slotsom kunnen leiden. Met name zijn door eisers geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat al op het moment waarop het besluit van 19 november 2003 werd genomen duidelijk was dat het belang als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het BABS, te weten het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, zich na de eerste fase van de sanering niet meer zou voordoen.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting van de zijde van eisers naar voren is gebracht merkt de rechtbank - ten overvloede - nog op dat verweerder over de reden waarom de saneringswerkzaamheden van medio december 2003 tot en met februari 2004 hebben stilgelegen heeft verklaard dat de eerste fase van de sanering door Vredestein Banden B.V. was afgerond en evaluatie van de onderzoeksresultaten diende plaats vinden en de tweede fase van de sanering moest worden voorbereid. Blijkens de stukken was op dat moment weliswaar sprake van een verbetering van de waterkwaliteit omdat vuildelen naar beneden zakten, maar was de bodem nog zeer instabiel. Bij toelating van gemotoriseerd scheepvaartverkeer zou de bodem teveel in beweging zijn gebracht. Roeien en kanoën heeft geen gevolgen voor opwerveling of verspreiding van de verontreiniging, reden waarom het vaarverbod voor door spierkracht voortbewogen schepen reeds per 6 februari 2004 is opgeheven. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze verklaring van verweerder te twijfelen.

Schadevergoeding

Eisers zijn ten slotte van mening dat verweerder na afweging van alle betrokken belangen, niet kon overgaan tot het nemen van het besluit van 19 november 2003 omdat volgens hen ten onrechte geen gericht onderzoek is ingesteld naar het door de ondernemers geleden nadeel. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, aldus eisers.

In het verweerschrift heeft verweerder hierover opgemerkt dat elke belanghebbende, in casu de betrokken ondernemers die menen schade te hebben geleden of zullen lijden als gevolg van een verkeersbesluit als het onderhavige, een beroep kan doen op de RNVW 1999. Op grond van die regeling kan eventueel een vergoeding worden toegekend, voor zover die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven en voor zover die vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd. Volgens de toelichting beoogt de regeling ertoe te leiden dat het schadeaspect in een afzonderlijk besluitvormingsproces en in een afzonderlijke rechtsgang aan de orde kan komen. Dit voorkomt dat de beoordeling van het schadeaspect de voortgang van een doelmatige taakvervulling van het bestuur belemmert inzake de afsluiting van het betrokken kanaalpand voor de scheepvaart, terwijl anderzijds de beoordeling over een eventuele schadevergoeding voldoende is verzekerd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn door middel van de RNVW 1999 de financiële belangen van eisers met betrekking tot de afsluiting voor het scheepvaartverkeer op het kanaalpand Hengelo-Enschede van de Twenthekanalen in beginsel voldoende gewaarborgd en was verweerder niet gehouden om voorafgaand aan het vaarverbod een gericht onderzoek te doen naar de nadelige gevolgen daarvan voor de betrokken ondernemers. De omstandigheid dat de door de minister ingeschakelde schadecommissie inmiddels heeft geadviseerd de verzoeken van eisers van 24 december 2003 om schadevergoeding op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 af te wijzen, zoals ter zitting door de gemachtigde van eisers is aangevoerd, doet daaraan niet af.

Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb door de afsluiting van het kanaal niet gepaard te laten gaan met toekenning van een schade-vergoeding aan eisers.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten in rechte in stand kunnen worden gelaten. Voor een proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier.

Afschrift verzonden op

AW