Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:AZ7902

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
08/780149-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een tijdvak van 1 juni 1996 tot en met 31 december 2001 formulieren met betrekking tot haar bijstandsuitkering vals ingevuld door te verzwijgen dat zij samenwoonde. Daardoor heeft ze de samenleving ruim 34.000 euro benadeeld. Verder heeft zij in het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2005 geprofiteerd van de bijstandsuitkering die de persoon met wie zij samenwoonde verkreeg doordat hij valsheid in geschrifte pleegde. De rechtbank veroordeelt haar tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en tot een werkstraf van 150 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 780149-05.

STRAFVONNIS

Uitspraak: 6 februari 2007.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats], op [datum] 1972 te [plaats],

wonende te [plaats, adres],

terechtstaande terzake dat:

1. zij in of omstreeks het tijdvak van 1 juni 1996 tot en met 31 december 2001, in de gemeente Almelo, althans in Nederland, een of meerdere bij de (Dienst Sociale Zaken, Welzijn, Onderwijs en Werkgelegenheid van de) gemeente Almelo in gebruik zijnd(e) inkomstenformulier(en) en/althans rechtmatigheidsformulieren -ter uitvoering van Algemene bijstandswet-, zijnde (een) geschrift(en) bestemd om tot bewijs van het op dat/die formulier(en) vermelde, althans om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dat/die formulier(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

bedoeld valselijk opmaken heeft hierin bestaan, dat verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op dat/die formulier(en) heeft ingevuld of heeft vermeld -zakelijk weergegeven-, dat zij in de periode waarop dat/die formulier(en) betrekking had(den) niet samenwoonde met een partner (zulks terwijl verdachte toen samenwoonde met [mede-verdachte]), en/althans daarop opzettelijk niet heeft ingevuld of vermeld -zakelijk weergegeven-, dat verdachte in de periode waarop dat/die formulier(en) betrekking had(den) samenwoonde met een partner (te weten woonde verdachte toen samen met [mede-verdachte]), en vervolgens genoemd(e) formulier(en) heeft ondertekend;

2. zij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2005, in de gemeente Almelo, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van (een) door valsheid in geschrift, in elk geval door misdrijf, verkregen geldsbedrag(en) voordeel heeft getrokken, door (telkens) opzettelijk (een deel van) de geheel of gedeeltelijk met die/dat geldsbedrag(en) betaalde goederen aan te nemen en/of voor eigen gebruik aan te wenden, en/of door (telkens) opzettelijk (mede) gebruik te maken van geheel of gedeeltelijk met die/dat geldsbedrag(en) betaalde goederen en/of diensten en/of voorzieningen, wetende dat die goederen en/of diensten en/of voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, althans enige sociale zekerheidswet, welke door [mede-verdachte] -met wie verdachte toen samenwoonde- geheel of gedeeltelijk door valsheid in geschrift, in elk geval door enig misdrijf was verkregen;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in haar verdediging niet geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen – die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen – waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. zij in het tijdvak van 1 juni 1996 tot en met 31 december 2001, in de gemeente Almelo, bij de (Dienst Sociale Zaken, Welzijn, Onderwijs en Werkgelegenheid van de) gemeente Almelo in gebruik zijnde inkomstenformulieren en rechtmatigheidsformulieren -ter uitvoering van Algemene bijstandswet-, zijnde geschriften bestemd om tot bewijs van het op die formulieren vermelde, te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die formulieren als echt en onvervalst te gebruiken;

bedoeld valselijk opmaken heeft hierin bestaan, dat verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op die formulieren niet heeft ingevuld of heeft vermeld -zakelijk weergegeven-, dat verdachte in de periode waarop die formulieren betrekking hadden samenwoonde met een partner (te weten woonde verdachte toen samen met [mede-verdachte]), en vervolgens genoemde formulieren heeft ondertekend;

2. zij in het tijdvak van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2005, in de gemeente Almelo, telkens opzettelijk uit de opbrengst van door valsheid in geschrift verkregen geldsbedragen voordeel heeft getrokken, door telkens opzettelijk (een deel van) de geheel of gedeeltelijk met die geldsbedragen betaalde goederen aan te nemen en/of voor eigen gebruik aan te wenden, en/of door telkens opzettelijk (mede) gebruik te maken van geheel of gedeeltelijk met die geldsbedragen betaalde goederen en/of diensten en/of voorzieningen, wetende dat die goederen en/of diensten en/of voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, welke door [mede-verdachte] -met wie verdachte toen samenwoonde- door valsheid in geschrift, was verkregen;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 het misdrijf:

"Valsheid in geschrift" meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 225 juncto art. 57 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 2 het misdrijf:

"Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken" meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 416 juncto art. 57 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake sub 1 en sub 2 wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft gedurende een periode van meerdere jaren stelselmatig valsheid in geschrift gepleegd en daarmee de samenleving benadeeld voor een bedrag van ruim € 34.000,=.

Door haar welbewust handelen heeft zij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van dergelijke geschriften wordt gesteld, in aanzienlijke mate aangetast.

De rechtbank heeft daarbij, op de voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht, een eerdere veroordeling van verdachte in rekening gebracht, te weten: het vonnis van de rechtbank te Almelo van 22 september 1997, waarbij verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en tot het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 210 uren, in de plaats van 5 maanden gevangenisstraf.

Ten tijde van die veroordeling pleegde verdachte reeds de onderhavige feiten en zij is daarna ook “gewoon” doorgegaan met het plegen daarvan.

De rechtbank rekent die omstandigheid verdachte ernstig aan.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ter terechtzitting zijn gebleken, acht de rechtbank een straf als na te melden passend.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot:

Een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen; met aftrek van 1 dag (2 uur) inverzekeringstelling, zodat resteert 148 uur subsidiair 74 dagen hechtenis;

en tot:

Een gevangenisstraf voor de tijd van drie (3) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Rikken, voorzitter, mr. Scholten en mr. De Wit, rechters, in tegenwoordigheid van Feijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 februari 2007.