Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:AZ7889

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
06/719
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen schadevergoeding kosten rechtsbijstand in bezwaarfase.

Met betrekking tot primaire besluiten, genomen vanaf 12 maart 2002 biedt artikel 8:73 van de Awb geen grondslag meer om, via de band van schadevergoeding, de (bestuurs)rechter te verzoeken het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase. Onder het nieuwe recht is in het Bpb limitatief bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het zelf schrijven van een bezwaarschrift/kostenopzet, los van de vraag of deze werkzaamheden zijn verricht tijdens werktijd dan wel in de eigen vrije tijd, ressorteert niet onder één van de zes onderdelen van artikel 1 van het Bpb zodat verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd deze kosten te vergoeden.

Vergoeding kosten taxatierapport.

De kosten voor het laten maken van een deskundigenrapport, in casu een taxatierapport, komen op grond van het bepaalde in artikel 1, onderdeel b, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén van deze voorwaarden is dat het taxatierapport is opgesteld ten behoeve van de bezwaarfase

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 719 WOZ AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d.

in het geschil tussen:

A,

wonende te Rijssen, eiser,

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Rijssen-Holten, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Uitspraak op bezwaar van verweerder d.d. 19 april 2006.

2. Het verloop van de procedure

Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2005 krachtens de Wet waardering onroerende zaken (Wet Woz) de waarde van het pand (adres) te Rijssen per peildatum 1 januari 2003 vastgesteld op een bedrag van € 309.000,-.

Tegen deze beschikking heeft eiser bij brief van 4 april 2005 bezwaar gemaakt.

Bij de bestreden uitspraak op bezwaar van 19 april 2006, verzonden 21 april 2006, heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 284.000,-. Voorts heeft verweerder bij het bestreden besluit geweigerd de door eiser gestelde proceskosten in bezwaar te vergoeden.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 1 juni 2006, blijkens de poststempel op 2 juni 2006 ter post bezorgd, beroep op nader aan te voeren gronden ingesteld. Eiser heeft bij brief van 18 september 2006 het beroepschrift voorzien van gronden. Op 9 oktober 2006 heeft eiser een nader stuk in het geding gebracht.

Op 12 juli 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Op 11 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift en een door D.A.W. Klijnstra, als gediplomeerd taxateur werkzaam bij SMQ bv, opgesteld taxatierapport, gedagtekend 9 oktober 2006, ingebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 16 januari 2007, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door H. Leusink, werkzaam bij Bieze makelaardij te Rijssen. Verweerder is verschenen in de persoon van J. Kottink, bijgestaan door D.A.W. Klijnstra, Woz-taxateur in dienst van SMQ bv.

3. Feiten

Eiser is eigenaar en gebruiker van de onderhavige tot woning dienende onroerende zaak gelegen aan de (adres) te Rijssen. De onroerende zaak bestaat uit een hoofdbouw van 390 m³ en drie uitbouwen die tot de woning behoren met een inhoud van respectievelijk 62, 114 en 36 m³. De totale inhoud van de woning bedraagt derhalve 602 m³. De perceelsoppervlakte bedraagt 346 m². De waarde van deze onroerende zaak is vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006.

4. Wettelijk kader

Artikel 17, eerste lid, van de Wet Woz bepaalt dat aan een onroerende zaak een waarde wordt toegekend.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken wordt de waarde voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.

Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Dit betreft het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Artikel 1 van het Bpb bepaalt, voor zover van belang, dat een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. (…),

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. (…),

f. (…).

5. Geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is ten eerste in geschil of de op grond van de Wet Woz vastgestelde waarde van de onderhavige onroerende zaak te hoog is vastgesteld. Eiser beantwoordt die vraag bevestigend en verweerder ontkennend. Ten tweede is tussen partijen in geschil of verweerder terecht geen proceskosten in bezwaar heeft vergoed. Eiser beantwoordt die vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

Eiser heeft, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

De waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2003 bedraagt

€ 225.000,-. Dit blijkt uit twee taxaties die H. Leusink (hierna: Leusink), als makelaar en taxateur werkzaam bij Bieze, heeft opgesteld. De eerste taxatie is op 24 april 2003 opgesteld en had als doel de waarde per waardepeildatum 1 januari 1999 te herleiden en de waarde per waardepeildatum 1 januari 2003 te bepalen. Het tweede taxatierapport, gedagtekend 31 mei 2006, betreft een nadere uitwerking van het eerste taxatierapport. Ter zitting heeft eiser desgevraagd meegedeeld dat de door verweerder gebruikte vergelijkingsobjecten vergelijkbaar zijn met zijn woning. Als waardedrukkende effecten heeft eiser ter zitting verwezen naar een zendmast die op een afstand van 100 tot 200 meter van zijn woning is opgericht, het achterstallige onderhoud op de waardepeildatum en de wateroverlast ten gevolge van de lage ligging van het gebied waarin zijn woning is gelegen.

Met betrekking tot het niet vergoeden van de proceskosten in bezwaar stelt eiser dat hijzelf in de hoedanigheid van belastingadviseur het bezwaarschrift en de nadere specificatie van de proceskosten in bezwaar heeft opgesteld. Uit de uitspraak van het Hof Amsterdam van

20 januari 2003, 02/02955, blijkt dat het zelf opstellen van een bezwaarschrift voor vergoeding in aanmerking komt. De grondslag voor het vergoeden van deze proceskosten moet dan ook gevonden worden in artikel 1 lid d van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Eiser verwijst in dit kader tevens naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juli 2006, zaaknummer 42.477, en de uitspraak van het Hof Arnhem van 14 februari 2006, zaaknummer 05/00313. Het door Leusink opgestelde taxatierapport d.d. 24 april 2003 komt, conform de nota d.d. 9 september 2003, voor vergoeding in aanmerking omdat dit mede is opgesteld ten behoeve van deze procedure en omdat verweerder dit rapport heeft betrokken bij de besluitvorming. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 september 2006, zaaknummer 40311.

Ter staving van de vastgestelde waarde verwijst verweerder naar het bij zijn verweerschrift overgelegde taxatierapport van D.A.W. Klijnstra. In dit taxatierapport wordt melding gemaakt van de verkoopprijzen die tussen 4 juni 2002 en 4 april 2005 voor een vijftal in Rijssen aan de (adres), (adres), (adres), (adres) en (adres) gelegen objecten is gerealiseerd. De taxateur komt in zijn rapport tot de conclusie dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak van eiser op de peildatum dient te worden vastgesteld op € 284.000,-. Op basis van deze conclusie stelt verweerder zich op het standpunt dat de door hem in zijn uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde niet te hoog is vastgesteld.

Ten aanzien van de door eiser ingebrachte grieven merkt verweerder op dat het aangepaste taxatierapport, zoals dat door eiser in het geding is gebracht, de door hem vastgestelde waarde van € 284.000,- onderschrijft. De door eiser aangehaalde woningen acht verweerder weliswaar vergelijkbaar maar er dient nog een correctie plaats te vinden in verband met de kleinere inhoud van deze woningen. De grief met betrekking tot het waardedrukkend effect van de zendmast, het achterstallige onderhoud en de wateroverlast kon verweerder niet inhoudelijk weerleggen nu dat eerst ter zitting was aangevoerd.

Ten aanzien van de grieven met betrekking tot het niet vergoeden van proceskosten merkt verweerder op dat eiser in bezwaar heeft verzocht de kosten voor het opstellen van het bezwaarschrift en het opstellen van het overzicht van de kosten te vergoeden. Dit betreft kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Bpb. Dit onderdeel van het verzoek is afgewezen omdat deze kosten alleen maar kunnen worden vergoed als er sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In beroep stelt eiser dat dit onderdeel van zijn verzoek ressorteert onder artikel 1, onderdeel d, van het Bpb. Dit is niet juist omdat hieronder de verletkosten voor het bijwonen van een hoorzitting ressorteren en een hoorzitting niet heeft plaatsgevonden, aldus verweerder. De kosten voor het laten opstellen van het taxatierapport komen eveneens niet voor vergoeding in aanmerking omdat dit rapport niet is opgesteld ten behoeve van deze bezwaarprocedure. Het primaire besluit dateert immers van 28 februari 2005 terwijl dit taxatierapport op 24 april 2003 is opgesteld.

6. Overwegingen

Ten aanzien van de waarde van de onroerende zaak

De waardebepaling van een onroerende zaak, die in hoofdzaak wordt gebruikt als woning, vindt plaats door een vergelijking van de te waarderen onroerende zaak met vergelijkbare panden die op of omstreeks de waardepeildatum (in casu 1 januari 2003) zijn verkocht. Of de verkoopgegevens van deze vergelijkingsobjecten onverkort kunnen worden gehanteerd dan wel dat er enige correctie dient plaats te vinden, is afhankelijk van enerzijds de mate van vergelijkbaarheid van de vergelijkingsobjecten met de te waarderen onroerende zaak en anderzijds het tijdstip van verkoop. Naarmate dit tijdstip verderaf gelegen is van de waardepeildatum, dient er meer gecorrigeerd te worden.

Volgens de jurisprudentie rust de bewijslast met betrekking tot de vastgestelde waarde op verweerder. Het staat verweerder vrij om, ter voldoening aan deze bewijslast, in iedere fase van deze procedure nieuwe vergelijkingsobjecten aan te dragen. Slechts indien verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiser de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt.

In casu heeft verweerder een hangende beroep opgesteld taxatierapport in het geding gebracht. Eiser heeft de door verweerder gebruikte vergelijkingsobjecten niet bestreden, zodat de rechtbank ervan uit moet gaan dat tussen partijen niet in geschil is dat deze woningen vergelijkbaar zijn met de woning van eiser. Nu eiser eerst ter zitting heeft gesteld dat de zendmast, de wateroverlast vanwege de lage ligging en het achterstallige onderhoud een waardedrukkend effect hebben en verweerder hierop niet adequaat kon reageren, gaat de rechtbank aan deze grief voorbij. De gerealiseerde verkoopprijzen van de in verweerders taxatierapport gebruikte vergelijkingsobjecten geven steun aan de door verweerder vastgestelde waarde van € 284.000,-.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door hem vastgestelde waarde van de onderhavige onroerende zaak aannemelijk heeft gemaakt en dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt. Gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie met betrekking tot de bewijslast inzake de waardebepaling, behoeft de door eiser verdedigde waarde van € 225.000,- geen bespreking meer. Terzijde merkt de rechtbank op dat zij verweerders standpunt, dat de verkoopprijzen van de door eiser aangehaalde woningen de door verweerder vastgestelde waarde niet ontkrachten maar juist ondersteunen, onderschrijft. Drie van de vier woningen hebben immers een veel ouder bouwjaar en alle vier woningen hebben bovendien een veel kleinere inhoud dan eisers woning.

Ten aanzien van het niet vergoeden van de proceskosten in bezwaar

Kosten voor het opstellen van het bezwaarschrift/kostenopzet

De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat eiser het standpunt hanteert dat uit de door hem in dit kader aangehaalde jurisprudentie blijkt dat het opstellen van een bezwaarschrift door een derde ressorteert onder het bepaalde in artikel 1, onderdeel a, van het Bpb maar dat het opstellen van een bezwaarschrift door de bezwaarmaker zelf aangemerkt kan worden als (een vorm van) verletkosten in de zin van artikel 1, onderdeel d, van het Bpb. Ten aanzien hiervan merkt de rechtbank het volgende op.

De wijziging van artikel 7:15 van de Awb is op 12 maart 2002 in werking getreden. Blijkens de wetsgeschiedenis is dit nieuwe recht van toepassing op primaire besluiten die op en na 12 maart 2002 zijn genomen. Op besluiten die vóór 12 maart 2002 zijn genomen is het oude recht van toepassing. Onder het oude recht bood de Awb geen speciale mogelijkheid om de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase te vergoeden. Een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb kon, een en ander afhankelijk van de vraag welk appèlcollege bevoegd was, een mogelijkheid daartoe bieden. Onder het nieuwe recht biedt artikel 8:73 van de Awb geen grondslag meer om, via de band van schadevergoeding, de (bestuurs)rechter te verzoeken het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase. De uitspraak van het Hof Amsterdam, die overigens gewezen is op 22 januari 2003 en niet – zoals eiser stelt – 20 januari 2003, is gewezen onder het oude recht. In die uitspraak werd op grond van artikel 8:73 van de Awb schadevergoeding verzocht (en deels toegewezen) voor het zelf opstellen van een bezwaarschrift vanwege gederfde inkomsten. In casu dateert het primaire besluit van 28 februari 2005 zodat hierop het nieuwe recht van toepassing is. Onder het nieuwe recht is in het Bpb limitatief bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het zelf schrijven van een bezwaarschrift/kostenopzet, los van de vraag of deze werkzaamheden zijn verricht tijdens werktijd dan wel in de eigen vrije tijd, ressorteert niet onder één van de zes onderdelen van artikel 1 van het Bpb zodat verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd deze kosten te vergoeden.

Kosten voor het laten opstellen van een taxatierapport

De kosten voor het laten maken van een deskundigenrapport, in casu een taxatierapport, komen op grond van het bepaalde in artikel 1, onderdeel b, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén van deze voorwaarden is dat het taxatierapport is opgesteld ten behoeve van de bezwaarfase. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat, nu dit taxatierapport op 24 april 2003 is opgesteld, bezwaarlijk staande kan worden gehouden dat dit taxatierapport is opgesteld ten behoeve van een bezwaarprocedure die eerst is geïnitieerd door een primair besluit dat bijna 2 jaren later is genomen. De door eiser in dit kader aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 22 september 2006 ziet op het feit dat voor een dergelijk rapport niet de daadwerkelijk gemaakte kosten worden vergoed, zoals eiser ten onrechte veronderstelt, maar dat hiervoor een forfaitair bedrag wordt toegekend. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden geweigerd de kosten voor het opstellen van het taxatierapport (deels) te vergoeden.

Resumerend

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bestreden uitspraak op bezwaar in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

7. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier.

Afschrift verzonden op:

AW